Inleiding

Van het moment dat Margaretha Brugman zich schuldig maakte aan het innemen van gemeentegrond ‘door het te droogen hangen van waschgoederen op de leuning der brug’ bij de Minnebroersgracht te Leiden op 12 oktober 1859, tot het moment dat de kantonrechter het vonnis voor deze overtreding uitsprak, doorliep het strafproces verschillende administratieve stappen.1 Het was Willem Meijeringh, ‘agent van policie en buitengewoon veldwachter te Leijden’ geweest, die het misplaatste wasgoed constateerde en die het proces-verbaal opstelde. Dit document vormde vervolgens de basis van de strafzaak die door het openbaar ministerie tijdens een eerste terechtzitting aan de Leidse kantonrechter werd voorgelegd. Op een nieuwe zittingsdag, in het geval van Margaretha ruim vier en een halve maand nadat zij haar natte was op de brugleuning had gehangen, werd door de kantonrechter het vonnis uitgesproken: Margaretha moest voor haar misstap een boete van een gulden betalen, ‘desnoods te verhalen bij lijfdwang’. 2

In Amsterdam kreeg Imke Koopman in de nacht van 19 op 20 januari 1905 van haar huisgenoot een nieuwe jas en een nieuwe rok. Enkele dagen later, op 22 februari, liep zij ’s nachts in deze kleding over straat. Op de Oudezijds Voorburgwal, ter hoogte van de Sint Pietersteeg, werd zij door een agent staande gehouden, gearresteerd en uiteindelijk vervolgd voor ‘het opzettelijk [een] door een misdrijf verkregen voorwerp als geschenk aannemen3. Bij de hoorzitting kwamen verschillende getuigen aan het woord en bleek dat Imke’s huisgenoot de kleding door middel van diefstal verworven had. Bovendien bleek dat Imke niet alleen van dit feit op de hoogte was geweest, zij had nog geen vijf jaar eerder al een gevangenisstraf uitgezeten voor een ander diefstal-gerelateerd misdrijf. Deze beide feiten werden als verzwarende omstandigheden gerekend bij haar veroordeling door de arrondissementsrechtbank en Imke kon opnieuw de gevangenis in, ditmaal voor drie jaar.4

Zoals de twee bovenstaande voorbeelden illustreren, herbergen de Nederlandse rechtbankarchieven uit de negentiende eeuw een schat aan informatie over allerhande strafbare gedragingen en de personen die deze pleegden. Echter, in vergelijking met andere tijdvakken heeft de negentiende-eeuwse criminaliteit in Nederland op betrekkelijk weinig aandacht van historici mogen rekenen. Met name de archieven van de lagere rechtbanken, die van arrondissementen en de kantons, zijn weinig onderzocht. Het themanummer Criminaliteit in de negentiende eeuw (1989) in de serie Hollandse Studiën is een van de eerste en vooralsnog de grootste publicatie over dit onderwerp geweest. Sjoerd Faber veronderstelde in de inleiding van dat tijdschrift dat de lacune in historisch onderzoek ter herleiden is op het feit dat ‘de negentiende eeuw […] nog maar sinds kort echt geschiedenis aan het worden [is]’5. Maar gedurende de bijna drie decennia die sindsdien verstreken zijn, werd slechts een handvol artikelen over dit onderwerp gepubliceerd. Aandacht ging hierbij onder meer uit naar de rol die sekse en huwelijksstatus speelden bij de berechting van strafbare gedragingen6 en in 2000 werd een themanummer van Pro Memorie uitgebracht waarin negentiende-eeuws strafrecht en criminaliteit weer centraal stond.7

  

 

De constatering van deze lacune vormt de aanleiding om de data­set die uit het onderzoeksproject ‘Dangerous Cities: Mapping Crime in Amsterdam and Leiden, 1850-1913’8 is voortgekomen op easy.dans.knaw.nl9 openbaar te maken, om dit aspect van de negentiende-eeuwse Nederlandse geschiedenis en met name het archiefmateriaal van de arrondissementsrechtbank en het kantongerecht onder de aandacht te brengen. In dit project staat de correlatie centraal tussen straatpatronen en criminaliteit in negentiende-eeuwse Nederlandse steden. Hierbij zijn Amsterdam en Leiden als casestudies gekozen, om conclusies uit de criminologie, zoals over het ‘gevaar’ wat van specifieke typen straten uitgaat (bijvoorbeeld dat doorgaande wegen doorgaans ‘gevaarlijker’ zijn dan traditionele straatpatronen)10, of wat betreft het gebrek aan correlatie tussen densiteit van een wijk en de criminaliteitsratio nu in een historische context te toetsen. Voor de casussteden zijn de vonnissen voor de jaren 1850 cq1860 en 1905 bestudeerd. In het geval van Amsterdam gaat het om de zaken die voorkwamen bij de arrondissementsrechtbank en in het geval van Leiden gaat het om de zaken bij het kantongerecht (ofwel de politierechtbank). In de datasets zijn er op dit moment in totaal bijna drieduizend strafzaken zoals die van Margaretha Brugman en Imke Koopman ontsloten.

Datasets

Amsterdamse wanbedrijven en Leidse overtredingen

Strafbare gedragingen werden in de onderzochte periode, afhankelijk van de ernst van het gepleegde feit, behandeld door ofwel het hof van assisen (misdaden, of crimes), door de arrondissementsrechtbank (wanbedrijven, of délits), of het kantongerecht (overtredingen, of contraventions).11 In het geval van de casestudy Amsterdam, welke gefocust is op de vonnissen van de arrondissementsrechtbank, worden vooral misdrijven als belediging (zowel tegen particulieren als tegen politieambtenaren in functie), diefstal, oplichting, onzedelijkheid, vernieling van goederen, mishandeling en bedelen berecht. In de casestudy Leiden komt de minst ernstige categorie aan bod, die van de overtredingen. Dit zijn zaken zoals publieke dronkenschap, het verstoren van de openbare orde, baggeren zonder vergunning, het niet in bezit zijn van een geldig vervoersbewijs in de trein, het begaan van verkeersovertredingen, verstoring van de openbare orde en gemeentegrond innemen.

De datasets bestaan uit een inventarisatie in het Nederlands van de vonnissen die binnen twee geselecteerde steekproefjaren door de desbetreffende rechtbanken werden uitgesproken. Voor Amsterdam zijn 1850 en 1905 als steekjaren geselecteerd en in het geval van Leiden is omwille van beschikbaarheid ervoor gekozen om de jaren 1860 en 1905 te inventariseren. Het wordt op deze manier mogelijk om voor beide steden de situatie vóór en na de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht in 1886 te vergelijken.12

Ook is besloten de omvang van de tweede steekproef in te perken. In het geval van Amsterdam bevat de dataset informatie uit de vonnissen die in de eerste helft van het steekjaar zijn uitgesproken. Voor Leiden is het aantal geïnventariseerde vonnissen in het tweede steekjaar gelijkgetrokken met het totaal uit 1860. Deze selectiekeuze hangt vooral samen met het feit dat er zich in de loop van de onderzoeksperiode een significante toename voordeed van het aantal zaken dat door de respectieve rechtbanken in behandeling werd genomen. Deze toename hangt in beide casussen deels samen met de ontwikkeling van de stedelijke bevolking. Amsterdam groeide in de onderzochte periode van 211.639 inwoners in 1840 naar 510.853 in 1900.13 Ook in Leiden was er sprake van een bevolkingstoename, namelijk van 37.000 in 1850 naar 54.000 in 1900.14

Voor Amsterdam levert het steekjaar 1850, welke dus in zijn totaliteit is bekeken, 468 vonnissen van de arrondissementsrechtbank op. In de eerste helft van het steekjaar 1905, zijn dit 480 vonnissen. Voor het project ‘Gevaarlijk Amsterdam. Criminaliteit in kaart, 1850-1913’ zal uiteindelijk ook het resterende deel van 1905 worden geïnventariseerd, waarna deze aanvullende data in 2020 beschikbaar zal worden gesteld. In het geval van Leiden is het aantal vonnissen uit het tweede steekjaar afgestemd op het totaal van het eerste steekjaar: dit komt neer op twee maal 1050 vonnissen van het kantongerecht.

Een belangrijke kanttekening bij het totaal aantal vonnissen in de datasets is dat men zich er bewust van moet zijn dat er bij onderzoek

  

 

naar criminele gedragingen te allen tijden sprake is van een dark number. Dit zijn delicten die niet ontdekt zijn of waarvan de dader wist te ontkomen, maar ook de gevallen waarbij de delictpleger er met een ferme waarschuwing vanaf kwam. Beide datasets zijn daarom eerder een afspiegeling van de zaken die door de respectieve rechtbanken in behandeling zijn genomen, dan van alle vergrijpen die binnen de onderzochte perioden zijn gepleegd.

Ten slotte moet worden opgemerkt dat de datasets ook vergrijpen bevatten die in het voorafgaande kalenderjaar zijn begaan, omdat de gegevens ontleend zijn aan de vonnissen die binnen een steekjaar door een van beide rechtbanken werden uitgesproken. Dit betekent dat in Leiden de ‘vroegste’ overtreding in de dataset plaats vond op 20 augustus 1859 in het eerste steekjaar en op 14 november 1904 in het tweede. Voor Amsterdam zijn deze data respectievelijk de maand februari 1849 en 28 april 1904.

Het archief van de arrondissementsrechtbank van Amsterdam bevat zowel de proces-verbalen als de vonnissen van de misdrijven die in Amsterdam en de omliggende regio werden gepleegd. In de dataset is echter enkel informatie opgenomen afkomstig van zaken die in Amsterdam zelf plaatsgevonden hadden. Informatie uit de proces-verbalen en over misdrijven die in de omliggende steden waren gepleegd, zijn buiten beschouwing gelaten. In totaal behandelde de arrondissementsrechtbank in 1850 670 zaken en in 1905 1445.15

Alle vonnissen volgen eenzelfde sjabloon voor het noteren van de gegevens, beginnend met persoonlijke informatie van de gedaagde, gevolgd door het misdrijf, de strafeis en (getuigen)verklaringen, en eindigend met de veroordeling. Bovendien wordt er altijd aangegeven of de gedaagde een recidivist is en of hij of zij aanwezig was op het moment dat de uitspraak gedaan werd, of dat de uitspraak ‘bij verstek’ plaats vond. Bij misdrijven als landloperij, bedelarij en nalatig zijn bij het inschrijven voor dienstplicht werd gebruik gemaakt van een voorgedrukt formulier. Hierop zijn enkel de naam van de gedaagde, de datum van het delict en de straf ingevuld, terwijl de rest van de gegevens, zoals de wetten waarop de uitspraak gebaseerd is, al gedrukt staan.

De vonnissen bevatten, voor zover dit bekend is, persoonlijke informatie van de gedaagde, zoals de naam, leeftijd, beroep en eventueel de namen van de ouders en echtgenoot(e). Hierna volgen de plaats, het tijdstip en de datum waarop het vergrijp heeft plaatsgevonden. In 1850 ontbreekt de exacte plaats delict echter vaak en werd dikwijls alleen het politiedistrict waarin de gedaagde was opgepakt genoteerd. Het is echter aannemelijk dat het vergrijp in ditzelfde district gepleegd was. Verder is vastgelegd in welk dagdeel het vergrijp is gepleegd. Wanneer er bij de hoorzitting getuigen aanwezig zijn, worden hun verklaringen na die van de gedaagde genoteerd. Het verslag wordt uiteindelijk afgesloten met informatie over de wetgeving die betrekking heeft op vergrijp en de strafmaat. Met de gegevens uit de dataset is het mogelijk om een sociaaleconomisch profiel van de verdachten op te maken, maar ook om deze informatie te combineren met de indeling van de stad en zo een beeld te krijgen van criminaliteit binnen verschillende stadsdelen.

De vonnissen in 1905 zijn grotendeels hetzelfde van opzet als in 1850, al worden er nu vaak meer details genoteerd. De vonnissen zijn hierdoor langer. In tegenstelling tot het steekjaar 1850 werd in 1905 wel de exacte plaats delict genoteerd en niet meer alleen het desbetreffende politiedistricten. Het exacte tijdstip waarop een misdrijf heeft plaatsgevonden ontbreekt, maar vaak werd er wel notatie gemaakt van een dagdeel. Vanwege tijdsgebrek zijn voor 1905 enkel de eerste twee van de vier boeken bekeken en opgenomen in deze dataset. Dit houdt in dat er van 1 januari 1905 tot en met 8 juni 1905 gegevens opgenomen zijn.

In het archief van het Leidse kantongerecht zijn de proces-verbalen niet aanwezig. Ook de administratie van de eerste openbare terechtzitting waarin het openbaar ministerie een zaak aan de kantonrechter voorlegt ontbreekt grotendeels. Alleen voor het steekjaar 1860 zijn twee bundels bewaard gebleven, welke niet eens het gehele jaar omvatten. Voor 1905 ontbreekt deze bron in het geheel.16 De Leidse dataset is daarom hoofdzakelijk ontleend aan de gebundelde vonnissen. Voor het steekjaar 1860 is de reeks Strafzaken kantongerecht Leiden 1838-1860 geraadpleegd en voor het steekjaar 1905 de reeks Strafvonnissen 1878-1920. In totaal wees het kantongerecht in 1860 1131 vonnissen. Het overgrote deel hiervan had betrekking op overtredingen binnen de gemeente Leiden (N=1050). Omdat een vonnis tegen één of meer overtreders kon worden uitgesproken komt het aantal overtreders in totaliteit, met inbegrip van recidivisten, binnen deze 1050 vonnissen uit op 1071 personen. In 1905 werden in totaal 2920 vonnissen uitgesproken, waarvan er 1914 betrekking hadden op overtredingen die binnen de gemeente Leiden waren begaan. Maar zoals aangegeven is de omvang van het steekjaar 1905 in de dataset met 1050 vonnissen gelijkgesteld aan dat van 1860. Deze vonnissen hadden, wederom met inbegrip van meerdere overtreders en recidivisten, betrekking op 1097 personen.

De vonnisbundels bestaan uit voorgedrukte formulieren waarop de specificaties van een zaak met de hand werden genoteerd. Hierdoor volgde elke zaak net als bij de Amsterdamse documenten een vast stramien. Het bevatte de personalia van de persoon die terecht stond, evenals het gepleegde delict en de datum, tijd en locatie waarop de overtreding was begaan. De agent of veldwachter die het proces-verbaal had opgesteld werd genoemd, en ook de eis van het publiek ministerie en een verwijzingen naar de wetsartikelen die op de zaak betrekking hadden. De gewezen straf werd samen met de datum van de vonnisuitspraak opgetekend en wanneer de overtreder bij verstek werd veroordeeld volgde nog het relaas van de gerechtsbode die de veroordeelde bezocht om het vonnis mede te delen.

In essentie is er tussen de vonnisbundels die voor beide steekjaren geraadpleegd zijn weinig veranderd. De vormgeving van de formulieren werd in de loop der tijd aangepast, waarbij een steeds groter deel van de tekst werd voorgedrukt. Maar de informatie die aan de bronnen te ontlenen is blijft vergelijkbaar en komt grotendeels ook overeen met de gegevens die voor Amsterdam te noteren zijn. Het grootste verschil tussen beide steekjaren in Leiden is dat bij een aantal specifieke overtredingen in 1905 de locatie niet meer werd geregistreerd. Dit is onder meer het geval bij het verstoren van de nachtrust, diverse rijwiel-gerelateerde overtredingen en wildplassen. Waar in 1860 nog vermeld werd dat Johannes Tirolf tegen een huis op de Oude Rijn plaste en Simon Knuivers

  

 

dit tegen een brug in de Haven deed17, volstaan agenten in 1905 met de melding dat de verdachte heeft ‘gewaterd […] buiten de daartoe bestemde waterplaatsen’.18

De datasets van Amsterdam en Leiden werpen licht op drie verschillende facetten. Allereerst is aan de hand van de geregistreerde personalia een sociaaleconomisch profiel van de verdachten voor beide steden te schetsen. Het gaat hierbij om de naam, leeftijd, herkomst, het beroep en de huidige woonlocatie van de persoon in kwestie. De huwelijksstatus in de archiefstukken van het Leidse kantongerecht werd niet systematisch genoteerd: slechts in enkele gevallen werden vrouwen aangeduid als ‘huisvrouw’ of als ‘weduwe van’. In Amsterdam is deze informatie daarentegen vaker beschikbaar. Het sociaaleconomische profiel wat op basis van deze gegevens van de verdachten geschetst kan worden kan gebruikt worden voor sociaalhistorisch onderzoek, maar ook door genealogen.

Het tweede deel van de dataset bestaat uit informatie over de strafbare feiten die waren begaan. Hier is niet alleen te vinden welk specifiek delict er gepleegd was, maar ook op welke dag, locatie en tijdstip het had plaatsgevonden. Denkend aan het dark number geeft deze sectie niet zozeer de totaliteit van de criminaliteit in een steekjaar weer, maar wel welke prioriteit het politieapparaat en de rechterlijke macht gaf aan het tegengaan van bepaalde gedragingen. Daarnaast geeft deze informatie over het delict, zeker in combinatie met de gegevens over de woon- en geboorteplaats van de gedaagde, inzicht in het gebruik van de publieke ruimte in steden door inwoners en passanten. Voor het onderzoeksproject ‘Dangerous Cities’werd deze informatie gebruikt om de delictsconcentratie in bepaalde delen van de stad met de GIS-applicatie QGISinzichtelijk te maken. Met deze datasets is het dus mogelijk om het criminele profiel van wijken te analyseren door de misdrijven en overtredingen in respectievelijk Amsterdam en Leiden letterlijk in kaart te brengen. Voor Leiden kan zelfs een gedetailleerd beeld geschetst worden van het gebruik van de stedelijke omgeving en het ritme van alledag, wanneer men kijkt naar het tijdstip waarop de wasvrouwen ‘wederrechtelijk gemeentegrond innamen’ bij het wassen en drogen van hun kleding, in welke tijdsspanne er veel verkeer op straat was of wanneer men vrij van verplichtingen zich overgaf aan drank. In Amsterdam wordt duidelijk dat het in de nacht, normaliter gezien als een gevaarlijk moment van de dag, juist relatief rustig was.

De datasets geven ten slotte voor beide steden de gewezen straf weer. In geval van de overtredingen gaat dit in de meeste gevallen om een boete. Deze kon bij het uitblijven van betaling omgezet worden in een celstraf. Voor het begaan van een misdrijf werd vaak een langere celstraf gegeven. Op basis van deze gegevens is het mogelijk de invloed van factoren als sekse, leeftijd en herkomst op de strafmaat te analyseren.

De datasets bieden al met al een uniek inzicht in het profiel van de alledaagse crimineel. Het zijn niet de relatief weinig voorkomende zware misdrijven als moord en landverraad die hier centraal staan, maar de ‘gewone’, meer alledaagse criminaliteit. Deze datasets zijn hierdoor meer representatief voor het dagelijkse werk van de politie en rechters.

Conclusie

De datasets moeten gezien worden als een aanzet voor verder onderzoek. Er zullen aanvullende steekjaren (elke tien jaar bijvoorbeeld) nodig zijn om een meer genuanceerd beeld te vormen van ontwikkelingen die zich op de lange termijn voordeden. Bovendien is het steekjaar 1905 voor beide steden nog niet volledig geïnventariseerd, waardoor er op dit moment 818 Amsterdamse en 864 Leidse vonnissen buiten beschouwing blijven. Het gebruik van het archief van de arrondissementsrechtbank voor Amsterdam enerzijds en het kantongerecht voor Leiden anderzijds bemoeilijk onderlinge vergelijking van de steden, maar door twee niveaus van rechtspraak in de dataset op te nemen wordt het wel mogelijk om zicht te krijgen op een breed scala aan alledaagse delicten. Dankzij verder financiering door DANS gaat het project ‘Dangerous ­Cities’ door: nieuwe datasets zullen in 2020 online beschikbaar zijn. Dit nieuwe project, ‘Gevaarlijk Amsterdam. Criminaliteit in kaart, 1850-1913’ focust op Amsterdam en breidt het aantal steekjaren uit tot 1865, 1880, 1895, 1900 en de tweede helft van 1905.

Over de auteurs

Marije van der Windt is als student MA History en MA Modern Middle Eastern Studies verbonden aan de Universiteit Leiden. Zij is als research trainee betrokken geweest bij het project ‘Dangerous Cities: mapping crime in Amsterdam and Leiden, 1850-1913’. Momenteel is zij als student-assistent werkzaam bij het project ‘Gevaarlijk Amsterdam: Criminaliteit in kaart, 1850-1913’.

E-mail: mvanderwindt@outlook.com

Suzanne Tegelaar is als student MA History verbonden aan de Universiteit Leiden. Zij nam als student-assistent deel aan het project ‘Crime and Gender 1600-1900: a comparative perspective’ en is als research trainee betrokken geweest bij het project ‘Dangerous Cities: mapping crime in Amsterdam and Leiden, 1850-1913’. Momenteel is zij als student-assistent werkzaam bij het project ‘Gevaarlijk Amsterdam: Criminaliteit in kaart, 1850-1913’.E-mail: s.c.tegelaar@gmail.com

Marion Pluskota is als universitair docent werkzaam aan het Instituut voor Geschiedenis bij de Universiteit Leiden. Haar onderzoeksveld richt zich met name op criminaliteit, gender en urban history in Europa en de koloniën tussen de achttiende- en vroege twintigste eeuw. Daarnaast was zij als projectleider betrokken bij het project ‘Dangerous Cities: mapping crime in Amsterdam and Leiden, 1850-1913’, gesubsidieerd door het Research traineeship programma van Leiden Universiteit Geestwetenschappen faculteit.

E-mail: m.pluskota@hum.leidenuniv.nl

Roos van Oosten is als assistent professor werkzaam bij de Universiteit Leiden en focust zich op Middeleeuwse- en stedelijke archeologie. Haar onderzoeksveld richt zich met name op sanitatie en hygiëne in het laat-middeleeuwse en vroegmoderne stedelijk landschap. Daarnaast was zij als tweede projectleider betrokken bij het project ‘Dangerous Cities: mapping crime in Amsterdam and Leiden, 1850-1913’.

E-mail: r.m.r.van.oosten@arch.leidenuniv.nl