Afhankelijke, zwakke vrouwen

Toen in 1974 het gastarbeider-migratieregime (dat bestond sinds 1960) tot een einde kwam, werd gezinsvormende en gezinsherenigende migratie belangrijker. Migrantenvrouwen, die zich in Nederland bij hun man voegden, deden dat op basis van het recht op ‘Verblijf bij echtgenoot’.1 De vrouw kon alleen een zelfstandige verblijfsvergunning krijgen nadat zij minstens drie jaar in Nederland had gewoond bij haar man. Tot die tijd kreeg ze een afhankelijke verblijfsstatus. Vrouwen die in die driejarige wachtperiode hun man verlieten of door hem werden verlaten, konden worden uitgezet. De man mocht blijven.2 Er werden grote campagnes opgezet door linksgeoriënteerde, feministische organisaties die bestonden uit niet-migrantenvrouwen, om deze regelgeving betreffende de afhankelijke verblijfsstatus veranderd te krijgen. Als boegbeeld voor die campagnes werden vrouwen gezocht in zogenaamde Blijf-van-mijn-Lijf-huizen (opvanghuizen voor mishandelde vrouwen). Die tehuizen waren bereid mee te werken aan deze campagnes omdat ze voor de opvang van migrantenvrouwen die geen verblijfsstatus (meer) hadden geen subsidie kregen.3 Alle vrouwen die werden uitgezocht voor de campagnes waren Turks. Het eerste boegbeeld was Halice Karaceper. Toen zij kort na het begin van de campagne een verblijfsstatus kreeg, verschoof de aandacht naar Fatma Yasar.4 In een groot aantal krantenartikelen werd het leed van de vrouwen in detail beschreven; Halice’s lot – de vrouwen werden in kranten meestal alleen bij hun voornaam genoemd – werd beschreven in enkele tientallen artikelen; dat van Fatma in honderden krantenartikelen. Daarbij werd veel nadruk gelegd op de achterlijkheid van de Turkse cultuur, de onderdrukking van vrouwen daarbinnen en de kwetsbaarheid van migrantenvrouwen.5 De kwesties werden ook in de Tweede Kamer besproken. Kamerlid Annelien Kappeyne van de Coppello (lid van de rechts-liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, VVD, en voorvechtster voor vrouwenrechten) vroeg Staatssecretaris van Justitie Bert Haars (het Christen-Democratisch Appèl, CDA) hoeveel vrouwen met een afhankelijke verblijfsstatus in Blijf-van-mijn-Lijf-huizen verbleven en hoeveel er met uitzetting werden bedreigd. Haars moest het antwoord schuldig blijven want er waren geen gegevens. Ze benadrukte echter dat er geen reden was voor een beleidswijziging omdat vrouwen op humanitaire gronden in Nederland konden blijven.6 De campagnes gingen desondanks onverminderd voort.

Een Turkse vrouwenorganisatie in Nederland (Hollanda Türkiyeli Kadınlar BirliğiHTKB) waarschuwde voor een averechts effect: alle Turkse vrouwen werden voorgesteld als slachtoffers. Dat was niet in het voordeel van migrantenvrouwen, waarschuwde de organisatie.7 In 1983 werd de regeling betreffende de afhankelijke verblijfsstatus veranderd. Migrantenvrouwen moesten meer dan drie jaar getrouwd zijn, maar ze hoefden slechts één jaar in Nederland te hebben gewoond. De beleidswijziging werd aangekondigd op een congres over seksueel geweld tegen migrantenvrouwen en -meisjes.8 Die koppeling was belangrijk; de campagnes tegen de afhankelijke verblijfsstatus gingen naadloos over in campagnes tegen eerwraak.9

Het debat over eerwraak begon na enkele moordzaken in Nederland waarbij Turken waren betrokken.10 In 1973 werd door de openbare aanklager in een rechtszaak opgemerkt dat een specifieke moordzaak bezien moest worden binnen de Turkse traditie. Hij sprak echter over een gastarbeidersdrama, niet over eerwraak.11 Kort daarop volgden enkele andere zaken waarin het woord eer werd gebruikt.12 Krantenkoppen als ‘Turk steekt man dood’ leidden tot vragen van journalisten en politici. In 1976 werd de term eerwraak geïntroduceerd in de pers.13 De term werd op grote schaal overgenomen. In Kamerdebatten en overheidspublicaties werd het woord meer dan 1500 keer gebruikt in de laatste decennia. Pogingen het aantal eerwraakzaken te schatten leidden tot krantenberichten, en vervolgens weer tot Kamervragen.14

Door het gebruik van de term eerwraak werd een scherpe grens getrokken tussen moorden waarbij daders of slachtoffers Nederlands waren, en moorden waarbij zij Turks waren. Als een Nederlandse man zijn vrouw uit jaloezie vermoordde, was er sprake van een crime passionnel; vermoordde hij (ook) zijn kinderen dan was het een gezinsdrama. Vond het drama plaats binnen de Turkse gemeenschap in Nederland dan heette het eerwraak.15 Door de introductie van de term was de moord door een Turkse man onderdeel van een cultureel probleem.16 In het verlengde van het eerwraakdebat, kwam er onderzoek naar huiselijk geweld onder Turken in Nederland.17 Vervolgens werd huiselijk geweld in 2010 omgedoopt tot intimate terrorism, waarmee een link werd gemaakt met terrorisme.18 Er verscheen een groot aantal rapporten over eerwraak met een nadruk op onoverbrugbaar en statisch cultureel verschil.19 ‘Cultuur’ werd in toenemende mate vervangen door islam.

Vergelijkbare verschuivingen deden zich voor in het hoofddoekjesdebat. In 1985 deed zich in Alphen de eerste hoofddoekjesaffaire voor, een half jaar nadat de eerste moskee in die plaats was geopend. Islamitische ouders maakten bezwaar tegen biologie- en gymles voor hun dochters en tegen de te weinig eerbare kleding van onderwijzeressen. Er kwamen steeds meer meisjes met een hoofddoek naar school. De school verbood het, maar kwam terug op dat besluit.20 Feministes, waaronder Cisca Dresselhuys, hoofdredacteur van het feministische blad Opzij, vonden het moeilijk om in dit debat stelling te nemen. Enerzijds vonden ze dat vrouwen zelf moesten weten hoe ze zich wilden kleden, anderzijds konden ze het dragen van een hoofddoek niet als een vrije keuze zien maar slechts als onderdrukking binnen de islam.21

In de hoofddoekendebatten die volgden ging het steeds vaker over gezichtsluiers (gewoonlijk aangeduid als boerka’s) waarbij sprake was van forse overschattingen van het aantal draagsters van gezichtssluiers.22 Bij een rondvraag door journalisten in 2005 bleek dat mensen dachten dat er in Nederland 10.000 tot 20.000 vrouwen waren die een gezichtsluier droegen, terwijl het in werkelijkheid ging om enkele honderden vrouwen.23 In 2005 kwam Geert Wilders, toen nog leider van de groep Wilders, met een motie voor een ‘boerkaverbod’, die werd aangenomen.24 De VVD steunde de motie omdat de ‘boerka’ werd gezien als een veiligheidsrisico, omdat het dragen ervan in tegenspaak was met ‘onze’ normen en waarden en omdat het onderdrukking van vrouwen betekende. De links-liberale D66 hoopte dat een verbod niet nodig was en dat de boerka ‘weg-geëmancipeerd’ kon worden.25

Overdrijving was er ook bij het debat over wat sommige politici ‘importbruidjes’ noemden. In 2004 zei het Kamerlid Gerard van As (Lijst Pim Fortuyn, LPF): ‘Per week landen er twee volle Boeings op Schiphol met importbruidjes’.26 Wat Van As zei was incorrect: er landden per week geen twee Boeings vol ‘importbruidjes’. Bovendien waren het vooral Nederlandse mannen – en geen buitenlandse mannen die in Nederland woonden – die een vrouw uit bijvoorbeeld Thailand, Oekraïne of Polen naar Nederland lieten komen. Verder kwamen er net zoveel mannen in het kader van hun huwelijk naar Nederland als vrouwen, maar het debat ging alleen over ‘importbruidjes’ en niet over ‘importbruidegommetjes’.27 Door het stellen van inkomenseisen en leeftijdseisen werd geprobeerd de komst van ‘importbruidjes’ af te remmen.

Loverboys werden in dezelfde context genoemd als eerwraak, hoofddoeken en importbruidjes. Het woord loverboy werd in de Nederlandse taal geïntroduceerd in 1995. Daarvoor werd het woord slechts gebruikt in homoseksuele contactadvertenties.28 Na 1995 werd loverboy gebruikt voor een pooier die meisjes verleidde en voor zich liet werken als prostituee. In de beeldvorming was de loverboy veelal een Marokkaanse jongen.29 Het fenomeen loverboys was aanleiding voor uitgebreide voorlichting, de samenstelling van lespakketten voor middelbare scholen, toneelstukken en een stortvloed aan publicaties. Er werden wilde schattingen gemaakt over het aantal slachtoffers.30 Onderzoekers lieten zien dat er in werkelijkheid weinig loverboys waren, maar er kwamen toch tal van maatregelen en kranten duidden het aan als een groot probleem.31 In de Kamer werd gevraagd om maatregelen en nieuwe wetgeving.32 In het loverboys-verhaal ging het aanvankelijk niet over islam, maar later werd, net zoals bij andere kwesties, die koppeling steeds vaker gemaakt. Nederlandse meisjes moesten worden beschermd tegen migrantenjongens.

Er was, per saldo, niet zozeer sprake van een feminisering van de migratie, maar vooral van een feminisering van het publieke, journalistieke en wetenschappelijke debat. Feminisering van het debat – waarbij onderwerpen die vrouwen aangingen centraal werden gesteld – ging hand in hand met islamisering van het debat.

Geen arbeidskrachten

Terwijl er veel aandacht was in de media voor (huiselijk) geweld, eerwraak, gedwongen huwelijken en afhankelijkheid, was er – vergelijkbaar met Knotter’s Economische transformatie en stedelijke arbeidsmarkt – nauwelijks aandacht voor de arbeidsmarktpositie van migrantenvrouwen. Ook in beleid werden migrantenvrouwen niet als arbeidskrachten gezien.33 Het merendeel (70 procent) van de gastarbeiders was man. Dat was niet onlogisch omdat gastarbeiders werden geworven voor werk dat als mannenwerk werd gezien, zoals in de mijnen of de staalindustrie. Migrantenvrouwen werden vooral gezien als echtgenotes en moeders.34 De Nederlandse overheid deed weinig om de arbeidsmarktpositie van migrantenvrouwen te versterken, terwijl er wel projecten waren voor de verbetering van de arbeidsmarktpositie van Nederlandse vrouwen.

Aanvankelijk werden analfabetisme, slechte beheersing van de Nederlandse taal of vermeende culturele verschillen niet als probleem gezien bij de arbeidsbemiddeling van migrantenvrouwen.35 Het werk van migrantenvrouwen in het onderste segment van de arbeidsmarkt bood nauwelijks kansen om de kennis van de Nederlandse taal te verbeteren, omdat er veel lawaai was (bijvoorbeeld in de textiel- of voedingsmiddelenindustrie), omdat de werkdruk hoog was of omdat de vrouwen geïsoleerd werkten (bijvoorbeeld bij het schoonmaken van kantoren in de vroege ochtend).36 Er was wel enig beleid om migrantenvrouwen te integreren, maar dat richtte zich niet op een verbetering van de arbeidsmarktpositie. In 1976 stelde Annemieke van Heel-Kasteel (Kamerlid van de KVP, Katholieke Volkspartij; later opgegaan in het CDA) bijvoorbeeld:

In de discussie over vrouwen van gastarbeiders heb ik niets gehoord over huishoudelijke voorlichting. Wellicht klinkt het rolbevestigend, maar persoonlijk ben ik van mening dat het bijzonder nuttig zou zijn als er middelen beschikbaar komen voor juist deze sector. Naar mijn mening is voor een vrouw in een vreemd land niets belangrijker dan te weten hoe zij efficiënt een huishouding kan runnen.37

In een rapport betreffende de positie van Turkse en Marokkaanse vrouwen in Utrecht werden allerlei maatregelen voorgesteld die integratie zouden moeten bevorderen – zoals buurthuiswerk, praatgroepen en peuterwerk – maar er waren geen voorstellen voor verbetering van de arbeidsmarktpositie. Voorgesteld werd wel om vrouwen een startkapitaal te geven waarmee ze ‘werkplaatsjes’ konden opzetten voor werkzaamheden die aansloten bij de vermeende cultuur van het land van herkomst.38 Als alternatief voor uitzichtloos werk met geringe contacten met Nederlanders werd werk voorgesteld waaraan dezelfde bezwaren kleefden. De Interdepartementale Werkgroep Vrouwen uit Minderheden wees er in de jaren 1980 op dat het zinloos was ‘projectjes’ op te zetten voor migrantenvrouwen waarvan winstgevendheid en succes bij voorbaat betwijfeld moesten worden.39 Met die conclusie werd niets gedaan.

In de jaren 1980 nam de werkloosheid toe, niet alleen onder migranten maar binnen de Nederlandse samenleving als geheel. Het Utrechtse arbeidsbureau achtte het zinloos om buitenlandse vrouwen te bemiddelen. Zij werden tot het ‘Niet reëel aanbod’ gerekend en voor hen werden geen bemiddelingsactiviteiten ondernomen. Als ‘onbemiddelbaren’ drukten ze niet op het werkloosheidcijfer van het Gewestelijk Arbeidsbureau. Vrouwen protesteerden hiertegen maar zonder effect.40 Indien Turkse en Marokkaanse vrouwen een baan kregen aangeboden was dat in het onderste segment van de arbeidsmarkt, zoals in de thuiszorg. Achterliggend idee was dat dit aansloot bij hun traditionele oriëntatie op huis en zorg. Het werk was ongeschoold, slecht betaald en bood geen perspectief.41 Dat gold ook voor vergelijkbare initiatieven. In 1986 was er bijvoorbeeld in Middelburg een kledingproject waar werkloze Turkse vrouwen konden leren naaien. De cursus werd, in tegenstelling tot het oorspronkelijke plan, ’s avonds gegeven en niet overdag, omdat de deelneemsters overdag werkten of op school zaten. Ze waren dus niet werkloos, zoals de organisatoren veronderstelden. ‘Veel vrouwen willen leren breien met in hun achterhoofd dat ze daar, als ze ooit teruggaan naar Turkije, de kost mee kunnen verdienen’, zei projectleidster Anne Marie Bourgraaf.42 Er werd voorbij gegaan aan het feit dat vrijwel niemand de kost kon verdienen met naaien of breien. De arbeidsmarktpositie van de vrouwen werd door het project niet versterkt. Het project kreeg subsidie door nadruk te leggen op de traditionele rol van migrantenvrouwen.43

In het algemeen werd er in de periode van de gastarbeider-migratie veel gedaan voor migranten en minder door migranten,vooral ook omdat Nederlandse vrijwilligers de regels van het (subsidie)spel beter kenden en daardoor soms initiatieven van migranten in de kiem smoorden.44 In de periode 1982-1990 konden migrantenvrouwen in het kader van het beleid Vrouwen en Minderheden subsidie krijgen voor een ‘veilige’ ontmoetingsplek.45 Bij een Marokkaanse modeshow in Rotterdam, uitkomst van een dergelijk project, vroeg de Rotterdamse wethouder Onderwijs Hans Simons (Partij van de Arbeid, PvdA) zich af of buitenlandse vrouwen niet terecht konden bij een Nederlandse organisatie zoals het Vrouwenvormingscentrum. Een vertegenwoordigster van dat centrum meende echter dat het centrum was voor de vrouwenbeweging, en daar zouden de buitenlandse vrouwen zich niet thuis voelen. De Rotterdamse gemeenteraad besloot vervolgens dat buitenlandse vrouwen alleen nog maar een beroep konden doen op de pot voor integratie en niet op die voor emancipatie.46

In de jaren 1980 liepen door de economische recessie de subsidiemogelijkheden terug. Organisaties maakten meer kans op subsidie indien hun verzoeken stereotype ideeën over immigranten bevatten.47 In de jaren 1990 werden subsidies meer dan voorheen gegeven aan korte-termijnprojecten en dat leidde tot een snelle reproductie van stereotype ideeën vormgegeven in onder meer voorlichting of zwem- en fiets­lessen voor vrouwen.48 In 2003-2005 lanceerde de overheid het plan Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheidsgroepen. Projecten daarbinnen richtten zich op het bevorderen van werk in het onderste segment van de arbeidsmarkt: kinderopvang en naschoolse opvang, opleiding tot horeca-assistent en leer-werkprojecten in kapsalons of de confectie-industrie. Het waren allemaal sectoren waarin reeds migrantenvrouwen werkten, waarin het aanzien van het werk gering was en de kans op promotie klein.

‘Welzijnboys’ en steniging

Vanaf de jaren 1970 verkondigden rechtse partijen standpunten die leken op de standpunten van merendeels linkse en feministische organisaties die opkwamen voor rechten van migrantenvrouwen. Dat was een nieuwe ontwikkeling. De kleine rechts-extremistische partijen die in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog actief waren,49 hadden geen sterk anti-immigratiestandpunt en ze zeiden niets over de positie van vrouwen. Na 1970 gingen rechts-populistische partijen meer ageren tegen immigratie. In 1971 zei Joop Glimmerveen bij de oprichting van de Nederlandse Volksunie (NVU) dat het biologisch voortbestaan van de Nederlandse natie werd bedreigd door de komst van 50.000 Surinamers en 100.000 buitenlandse arbeiders.50 ‘Er is in Nederland wel degelijk sprake van rassenmoord en wel op blanke Nederlanders, die met negers dreigen te worden vermengd’, zei Glimmerveen.51 In 1972 speelde de NVU in op rellen in de Rotterdamse Afrikaanderwijk, die zeven dagen duurden en die door kranten rassenrellen werden genoemd.52 Relschoppers verklaarden tegenover de pers dat Turken hun wijk overnamen en dat ze Nederlandse meisjes lastigvielen.53 De NVU verspreidde racistische pamfletten. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1974 kreeg de NVU in Den Haag 4000 stemmen met de leus ‘Den Haag moet veilig en blank blijven’. Drie jaar later, kreeg de partij bij de parlementsverkiezingen van 1977, 33.000 stemmen (niet genoeg voor een Kamerzetel). De NVU was tegen immigratie, maar zei weinig over vrouwen of islam.

Het Nederlandse debat veranderde door de Iraanse Revolutie van 1979 waarbij de Sjah werd verdreven door het fundamentalistisch-islamitische regime van de Ayatollah Khomeini.54 De positie van vrouwen en homoseksuelen in Iran verslechterde snel. Nederlandse kranten publiceerden een groot aantal artikelen over de slechte en ondergeschikte positie van vrouwen in islamitische landen. Pakistan, Egypte en Libië werden veelvuldig genoemd, maar Iran domineerde het nieuws. In Iran waren massale demonstraties van vrouwen tegen de nieuwe verplich-

  

 

Illustratie 1 Landelijke initiatiefgroep ‘Geen fascisten op straat’ demonstreert in Haarlem tegen de Centrumdemocraten op 19 september 1987. De partij wierp zich niet op als verdediger van homorechten (bron: NL-HaNA, toegangsnr. 2.24.01.05, bestanddeelnr. 934-0810).

ting voor vrouwen om gesluierd te gaan.55 De vervolging van homoseksuelen in Iran was in 1979 reden voor de Nederlandse homorechten-organisatie COC om aandacht te vragen voor zowel de ‘ontrechting’ van Iraanse vrouwen als voor executies van homoseksuelen.56 Kranten publiceerden uitgebreid over beide onderwerpen.57 In de berichtgeving over Iran werd benadrukt dat islamisering betekende dat vrouwen­emancipatie en homo-emancipatie werden teruggedraaid. Dit idee werd overgenomen door rechtse Nederlandse partijen.

In 1980 werd de NVU opgevolgd door de Centrumpartij, geleid door Hans Janmaat.58 Prominenten binnen de Centrumpartij waren de oprichter Henry Brookman en partij-ideoloog Alfred Vierling. Beiden waren openlijk homoseksueel.59 Homo-emancipatie was echter geen actiepunt van de Centrumpartij, evenmin als vrouwenemancipatie.60 Vierling noemde wel de islam als probleem, in combinatie met een groot aantal andere vermeende dreigingen. Aan de nrc liet hij weten dat hij bang was ‘voor het “judeo-kosmopolitisme”, voor islamieten, voor communisten, socialisten en liberalen [en] christendemocraten.’ Vierling sprak over: ‘De PvdA die nieuwe stadsproletariaten importeert […] die de Surinamers en Antillianen heeft gegijzeld met subsidies en gratis drugs. Het CDA […] dat de school met de bijbel wil redden door daarnaast een school met de koran neer te zetten.’ Volgens Vierling hadden de ‘ambtenarenlobbies en welzijnsboys […] er belang bij dat hun eigen achterban kansarm en cultureel geïsoleerd blijft. Hoe armer en ellendiger, des te beter hebben die captains of minorities en ambtenaren het.’61

De Centrumpartij was in de jaren 1980 echter niet de enige Nederlandse partij met een restrictief standpunt ten aanzien van immigratie.62 Na een toename van de werkloosheid kwamen tal van partijen met restrictieve punten. Het CDA (dat in 1981 48 van de 150 zetels had in de Tweede Kamer) zei dat gastarbeiders niet langer moesten worden geworven, en dat remigratie moest worden ondersteund. Volgens D66 waren werkloosheid, woningnood en bevolkingsdichtheid redenen voor beperking van immigratie. D66 noemde ook nadrukkelijk de afhankelijke verblijfsstatus van allochtone vrouwen als probleem. Volgens DS70 (een rechtse afsplitsing van de PvdA)63 was Nederland vol: er was onvoldoende ruimte en werk. DS70 wilde remigratie stimuleren: migranten die wilden terugkeren moesten een premie krijgen. De RPF (Reformatorische Politieke Federatie)64 zei dat polygamie en eerwraak niet getolereerd werden, zelfs als zij onderdeel waren van de immigrantencultuur. Terugkeer naar het land van herkomst moest worden aangemoedigd en moest onderdeel worden van ontwikkelingshulp. Opvallend is dat in tal van de verkiezingsprogramma’s – niet alleen van rechts-populistische partijen – punten terugkomen zoals eerwraak en afhankelijke verblijfsstatus die eerder in acties voor migrantenvrouwen, zoals hierboven beschreven, belangrijk waren gemaakt.

In 1981 publiceerde Middenweg, het partijblad van de Centrumpartij, een fictieve brief van een gastarbeider.65 De brief was ondertekend met Mohammed Aktar, wat de naam was van een Afghaanse worstelaar die deelnam aan de Olympische spelen van 1980, maar hij was niet de auteur.

Ik ben een gastarbeider en al tien jaar in Nederland. […] Daarom weet ik, wat Nederlanden over ons zeggen. […] Velen zeggen, dat de gastarbeiders terug naar hun land moeten. Gastarbeiders zijn dom en lui. Wij zullen dat onthouden […] De Nederlanders zijn kwaad op Khomeiny, die een goed man is […] Slechte mensen verdienen de doodstraf. […] Slechte mensen doen porno. Slechte mensen maken de vrouwen de baas. De vrouwen in Nederland zijn slecht gekleed. Niet voor zeden. […] De hele wereld wordt Islam. […] Nederland moet ook voor de Islam zijn, anders komt de straf. […] Nederlanden moeten zich aanpassen aan Islammensen. Wij hoeven ons niet meer aan te passen; wij zijn al genoeg aangepast. Wij hebben gelijk, want wij zijn van de Islam. […] Er zijn al 500.000 Islammensen in Nederland. Dat worden er nog veel meer. Onze vrouwen zijn niet lui, niet porno en niet de baas. Zij krijgen veel kinderen. […] Over 10-20 jaar is hier alles Islam. Dan komt onze wraak.

In deze brief vol krompraat koppelde de Centrumpartij het terugdraaien van de vrouwenemancipatie nadrukkelijk aan islamisering. De Centrumpartij kwam in 1982 na verkiezingen in de Tweede Kamer, met één zetel (bezet door Janmaat). Volgens Janmaat waren de normen en waarden van het christendom en de islam totaal tegengesteld.66 De Centrumpartij verklaarde dat buitenlanders niets gaven om de Nederlandse cultuur.67 Er waren 400.000 Nederlanders werkloos en daarom was Nederland volgens de Centrumpartij geen immigratieland. Turken, Marokkanen, Surinamers en ‘Zigeuners’ zouden gesteund moeten worden

  

 

in hun land van herkomst.68 De Centrumpartij was voor vrijwillige terugkeer in combinatie met het geven van ontwikkelingshulp. Dat standpunt was niet zo heel anders dan dat van andere partijen, zoals hierboven beschreven.

In 1982 schreef Middenweg: ‘Er kan ons dus nog van alles te wachten staan: bloedwraak, veelwijverij, koppensnellerij, stammenoorlogen, discriminatie van de minderheden onderling.’69 De Centrumpartij wees in een radiotoespraak op de ‘onderdrukking’ en de ‘mishandeling’ van de vrouw binnen de islam, waarin de echo doorklonk van de berichtgeving over Iran.

Mishandeling van vrouwen […] is dan ook iets waar de doorsnee-Moslim niet zo zwaar aan tilt. Daartoe moet ook de mishandeling op seksueel gebied gerekend worden […] Gaat het hier de gewoonte worden dat, in strijd met het proces van de emancipatie, de vrouw onderworpen gaat worden aan de man? Moet het regelmaat worden dat vrouwen door hun ouders worden uitgehuwelijkt zonder zich daartegen te kunnen verzetten? Ligt het in de bedoeling dat ontrouw met steniging zal worden gestraft?’70

Zoals hierboven opgemerkt, was de Centrumpartij niet de enige partij met restrictieve voorstellen. Linkse partijen waren eveneens voor restrictie. In 1983 publiceerde de Socialistische Partij (SP) de brochure Gastarbeid en Kapitaal.71 De publicatie leidde tot grote commotie in de pers.72 Door werving van gastarbeiders was het mogelijk geweest om lonen in Nederland laag te houden, stelde de SP, maar de gastarbeiders waren niet gelukkig.73 Omdat ze van het platteland kwamen en moslims waren, konden ze zich moeilijk aanpassen aan de Nederlandse samenleving. Landen van herkomst ontmoedigden de terugkeer omdat ze baat hadden bij het geld dat de gastarbeiders naar huis stuurden. De SP ging in de brochure nadrukkelijk in op de positie van migrantenvrouwen. ‘De gezinshereniging in Nederland is voor de vrouwen in bijna alle gevallen een regelrechte ramp’, stelde de brochure. ‘Zij zitten een zeer groot deel van de dag in huis’. In Utrecht probeerden SP-vrijwilligsters migrantenvrouwen uit hun isolement te halen met taallessen. Ze huurden een zaaltje maar er kwam niemand. Desgevraagd lieten de vrouwen weten geen Nederlands te willen leren. Zij wilden terug naar hun land, familie en vriendinnen.74 De SP stelde voor migranten, die op vrijwillige basis wilden terugkeren, 75.000 gulden te geven per persoon zodat ze in eigen land een bestaan konden opbouwen.75 Opvallend is dat reeds in 1966 door de Amsterdamse chef van de Vreemdelingendienst en door Utrechtse welzijnswerkers hetzelfde was gesuggereerd, zonder dat het tot enige ophef leidde.76 De SP-plannen waren bovendien niet zo heel anders dan die van andere partijen, die ook voor terugkeer en premies hadden gepleit. Toch kwam er op deze brochure een storm aan kritiek. De Waarheid (het partijblad van de CPN; Communistische Partij Nederland) maakte een koppeling naar rechts-populistische ideeën en schreef dat de SP Janmaat’s kiezers probeerde te trekken.77 De opmerkingen in de brochure over de positie van migrantenvrouwen kregen in de pers geen aandacht.

In 1985 was 14,5 procent van de mensen in Nederland werkloos en werkloosheid was een belangrijk punt bij de landelijke verkiezingen van 1986. Meerdere partijen pleitten nu voor geld voor terugkerende arbeidsmigranten. Het CDA zei dat oudere gastarbeiders zouden moeten terugkeren met behoud van uitkering en dat ze steun zouden moeten krijgen bij het opzetten van een bedrijf in het herkomstland. De CPN kwam met een soortgelijk voorstel, benadrukkend dat terugkeer vrijwillig moest zijn. Volgens de PSP (Pacifistisch Socialistische Partij)78 wilden veel oudere gastarbeiders terug en daarom pleitte de PSP ook voor het geven van geld en steun bij het opzetten van een eigen bedrijf na terugkeer. De eerdere suggestie van de SP werd dus breed bekritiseerd, maar kreeg wel navolging. Bovendien liepen de standpunten van alle partijen niet zo ver uiteen als de partijen zelf suggereerden. NVU, Centrumpartij en SP hadden het wel nadrukkelijker over islam en vrouwen dan andere partijen.

Toe-eigenen van het vrouwen- en homo-emancipatiediscours

Aan het einde van de jaren 1980 benoemde de Centrumpartij steeds nadrukkelijker vrouwenemancipatie en homoseksualiteit. In 1986 schreef de Centrumpartij in haar ontwerp-verkiezingsprogramma:

Alle mensen zijn aan elkaar gelijk. Man en vrouw zijn volstrekt gelijkwaardig en hebben recht op gelijke maatschappelijke posities en behandeling. […] Het is noodzakelijk te streven naar een pluriforme maatschappij waarin iedereen, ongeacht ras, geslacht, huidskleur, politieke-, religieuze of sexuele geaardheid, aanspraak kan maken op gelijke behandeling, rechten, plichten en vrijheden.79

In het Amsterdamse programma van de Centrumpartij (geschreven door gemeenteraadslid E.M.A. Bouman) stond: ‘In een geëmancipeerde maatschappij behoort men de vrijheid te hebben te kiezen voor een eigen leefvorm.’80

Bij de Rushdie-affaire in 1989, waarbij de schrijver Salman Rushdie vogelvrij werd verklaard door Iraanse geestelijken, leek er steun te zijn in Nederland voor orthodoxe islamitische ideeën. Die steun werd echter volgens de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) door kranten sterk overdreven. Enkele demonstranten hadden ‘Dood aan Rushdie’ geroepen maar een deel van de pers leek te willen bewijzen dat onze ‘moderne samenleving’ werd bedreigd door ‘Middeleeuws denkende, analfabete moslimboeren’. Volgens de NVJ was aan tal van imams gevraagd of ze voor de microfoon wilden zeggen dat Rushdie dood moest. De imams waren beledigd en zeiden dat ze voor de vrijheid van meningsuiting stonden. Khomeini werd in de pers moeiteloos vervangen door moslims in het westen. Er was sprake van pure sensatiejournalistiek met agressieve foto’s en grote koppen, volgens de NVJ.81 De overdreven berichtgeving had wel effect: belangrijke deelnemers aan het politieke en publieke debat spraken nu ook over de gevaren van de islam.82VVD-leider Frits Bolkestein vroeg zich af of bepaalde islamitische waarden en normen strookten met de democratische beginselen van de Nederlandse rechtsstaat, en benoemde expliciet de onderdrukking van vrouwen en homoseksuelen.83

Tot 1994 gold er een afspraak, door hoofdredacteuren binnen de NVJ gemaakt, om Janmaat en zijn partij zoveel mogelijk te negeren. Toen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 de (inmiddels hernoemde) Centrumdemocraten van 11 op 78 zetels kwamen, werd van die handelswijze afgestapt. Vooral lokale Brabantse en Limburgse kranten, provincies waar de partij van Janmaat fors had gewonnen, gingen over de nieuwe gemeenteraadsleden schrijven, met als doel te laten zien dat ze niets te zeggen hadden. Daarmee hoopten ze de slachtofferrol van Janmaat’s partij te verzwakken en complottheorieën te bestrijden.84 Centrumdemocraten boetten vervolgens aan belang in maar werden min of meer opgevolgd door de zogenaamde Leefbaar partijen.

In 2001 stelde de openlijk homoseksuele Nederlandse politicus Pim Fortuyn dat de homo-emancipatie zou moeten worden overgedaan als aan de ‘islamisering’ van de Nederlandse samenleving geen paal en perk werd gesteld.85 Het debat over homoseksualiteit en islam verhevigde door de El-Moumni-affaire waarbij een Rotterdamse imam verklaarde dat homoseksualiteit een ziekte was.86 Volgens de Groene Amsterdammer sprongen de media met grote gretigheid op de uitspraak van een obscure imam, waarna de gehele Nederlandse islamitische gemeenschap werd neergezet als homofoob en Bolkestein werd geroemd als de eerste die dit gevaar van de islam had durven benoemen.87

Fortuyn was aanvankelijk leider van Leefbaar Rotterdam, maar in 2002 richtte hij de Lijst Pim Fortuyn (LPF) op, nadat hij bij Leefbaar Rotterdam was weggestuurd.88 Fortuyn herhaalde dat hij vreesde dat de homo-emancipatie moest worden overgedaan als de islamisering doorzette.89 Fortuyn keerde zich tegen falende integratie en misdaad, wachtlijsten in ziekenhuizen, files, te grote scholen en te veel bureaucraten, maar het officiële partijprogramma van de LPF bevatte geen punten die met homoseksualiteit te maken hadden.90 Fortuyn werd op 6 mei 2002 vermoord.91

Na de aanslagen van 9/11 (2001) werden migranten uit Turkije en Marokko en hun nakomelingen steeds vaker in debatten moslims genoemd, en werd er sterker verband gelegd met geweld.92 In 2003 sprak VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali, een islamitische feministe geboren in Somalië, zich uit tegen de islam uit naam van vrouwen.93 In 2004 produceerde ze de film Submission met Theo van Gogh, die vervolgens vanwege zijn uitspraken over de islam werd vermoord.

In 2006 richtte Geert Wilders de Partij voor de Vrijheid (PVV) op, met een uitgesproken anti-islam standpunt. Door het dragen van hoofddoeken werden vrouwen onaantrekkelijk op de arbeidsmarkt, ze kregen te veel kinderen, ze stuurden geld naar hun land van herkomst (en leefden bijgevolg hier in armoede), en ze verlieten de school te vroeg, benadrukte de PVV. ‘Buiten de problemen met de islam die we nu geïmporteerd hebben, zien we een oververtegenwoordiging van niet-westerse allochtonen op het gebied van uitkeringsafhankelijkheid, antisemitisme, homohaat, vrouwendiscriminatie, criminaliteit, overlast, schooluitval en eerwraak.’94 Wilders combineerde nadrukkelijk risico’s voor homo-emancipatie en vrouwenemancipatie.95 In 2016 sprak Wilders op een Gays for Trump rally, waarna een Amerikaanse journalist schreef dat Nederlanders pioniers waren wanneer het ging om het gebruik van pro-gay retoriek in hun aanval op islamitische immigratie.96

De PVV hamerde eindeloos op deze punten, maar ook andere partijen zoals de PvdA koppelde de positie van vrouwen en homo’s aan ‘islamisering’. Jeroen Dijsselbloem (PvdA) stelde in 2007 in de Tweede Kamer dat de komst van ‘een grote groep nieuwe gelovigen’ het risico met zich meebracht dat ‘verworvenheden […] zoals gelijke behandeling van vrouwen en homo’s’ verloren zouden gaan.97 Zijn partijgenote Mariëtte Hamer (PvdA) stelde in 2008 dat moslims bij zichzelf te rade moesten gaan ‘over de vraag waarom veel mensen bang zijn voor de islam en hoe de islam omgaat met de rechten van vrouwen en homo’s’.98 De PVV sprak in de Tweede Kamer het meeste van alle partijen over islamisering en het effect op vrouwen- en homo-emancipatie. PVV-Kamerlid Joram van Klaveren99 zei in 2011 dat er ‘een verband bestaat tussen de islam en het emancipatieprobleem van homo’s en vrouwen. […] de politiek [zal] moeten erkennen dat specifiek de islam het grootste obstakel vormt voor de emancipatie van homo’s en vrouwen.’ Van Klaveren diende een motie in waarin hij stelde dat voor niet-westerse Nederlanders ‘de afwijzing van homoseksualiteit gelegitimeerd wordt vanuit de religie’. Het ‘overgrote deel van de jonge pooiers (loverboys)’ had volgens hem een islamitische achtergrond en eerwraak kwam ‘praktisch alleen voor op vrouwen met een islamitische achtergrond’. Hij verzocht de regering te erkennen dat ‘de islam het grootste obstakel vormt voor de emancipatie van homo’s en vrouwen’.100 In 2013 presenteerde Van Klaveren een vrijwel gelijkluidende motie.101 Opvallend is dat Van Klaveren verwees naar de SP-brochure uit 1983 en nadrukkelijk vroeg: ‘Ziet de SP de problematische rol van de islam als het gaat om de onderdrukking van vrouwen, als het gaat om antisemitisme en om homofoob geweld?’102

In 2017 richtte Thierry Baudet de rechts-populistische partij Forum voor Democratie (FvD) op. Volgens het partijprogramma zijn alle mensen ‘fundamenteel gelijkwaardig, ongeacht geslacht, ras of seksuele gerichtheid.’103 De partij werpt zich echter niet op als voorvechter voor homo- of vrouwenrechten. Feministes worden neergezet als zuur, oud, lelijk en hysterisch, bijvoorbeeld door FvD-er Eva Vlaardingerbroek. Feministes zorgen er voor dat witte vrouwen minder aantrekkelijk zijn en minder kinderen krijgen waardoor het blanke ras verdwijnt. De witte man is de vijand, maar de massa-immigratie van honderdduizenden alleenstaande mannen uit zéér patriarchale samenlevingen, is blijkbaar voor feministes geen probleem, volgens Vlaardingerbroek.104

De VVD werpt zich meer op als de verdediger van vrouwen- en homorechten in een islamiserende samenleving. VDD-Kamerleden Bente Becker en Dilan Yeşilgöz, schreven in 2018 op de VDD-website over de problemen van migrantenvrouwen.105 Ze stelden dat hun moeders hadden gevochten voor emancipatie, en dat zij zich nu opwierpen voor wie zichzelf niet kon verdedigen.106 In een recent interview herhaalde Becker dit standpunt. Ze diende een initiatiefnota in tegen onderdrukking in naam van religie en cultuur. De vrijheid die zij had, was niet vanzelfsprekend ‘voor alle vrouwen, homo’s en andersdenkenden’. Zij kon zich niet voorstellen dat vrouwen ervoor kozen om thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen. Ze koppelde die keuze aan eer-gerelateerd geweld. ‘In bepaalde culturen’ werden vrouwen bedreigd ‘door de hele groep, de hele familie’ als ze voor hun vrijheid opkwamen. Volgens Becker waren we in Nederland te ‘cultuursensitief’. Vrijheid van godsdienst werd misbruikt om vrouwen en homo’s te onderdrukken. Als de hele groep of alle familieleden weet hadden van onderdrukking, dan moest ook iedereen achter slot en grendel. Om te weten wat er achter de voordeur gebeurde, zouden vrouwen moeten worden opgeroepen door gemeentes voor een sollicitatiegesprek. ‘Als ze dan niet op komt dagen, heb je als gemeente een mogelijkheid om in gesprek te gaan. En zo kom je achter de voordeur.’ Desnoods kon de veiligheidsdienst of politie ingeschakeld worden.107 Opvallend is dat een partij die staat voor vrijheid en geringe overheidsbemoeienis, controle wil uitoefenen tot achter de voordeur wanneer het gaat om vrouwen met een ‘bepaalde culturele’ achtergrond. De PVV was, zoals uit bovenstaande bleek, de partij die zich argumenten uit het vrouwenemancipatie en homo-emancipatiediscours het meeste toe-eigende, maar de PVV was niet de enige die dat deed.

Conclusie

De aandacht voor arbeidsmarktparticipatie van migrantenvrouwen was in alle hier aangehaalde debatten gering. Het verwijt aan Ad Knotter, dat hij weinig oog had voor de segregatie naar gender op de arbeidsmarkt voor migranten, gold in veel bredere zin. Het debat over migratie feminiseerde geleidelijk: er kwam een vrij eenzijdige aandacht voor vrouwen en vrouwspecifieke onderwerpen. In een poging om aandacht te genereren voor migrantenvrouwen werd een sterke nadruk gelegd op slachtofferschap. Het was effectief. De argumenten die in de jaren 1970 in campagnes door niet-migrantenvrouwen werden aangedragen voor de verbetering van de positie van migrantenvrouwen, werden overgenomen door anti-immigratie partijen. In de campagnes waren migrantenvrouwen voorgesteld als slachtoffer van onderdrukking door de islam. De anti-immigratie partijen namen juist dat element over. Feminisering van het debat leidde tot islamisering van het debat. Na de revolutie in Iran werd steeds vaker het ongedaan maken van vrouwen- en homo-emancipatie in dezelfde context genoemd als ‘islamisering’. Homonationalisme en feminationalisme ontwikkelden zich gelijktijdig en langs verwante lijnen. Vooral de PVV eigende zich, zoals uit het bovenstaande bleek, delen uit het homo-rechten- en vrouwenrechtendiscours toe, maar die partij deed dat niet als enige. Ook andere partijen zoals de PvdA en de VVD en de media speelden in die toe-eigening een rol.

Over de auteur

Marlou Schrover is hoogleraar Migratiegeschiedenis en leerstoelhouder Economische en Sociale Geschiedenis in Leiden. Ze is medeoprichter van de LDE Master Governance of Migration and Diversity en het bijbehorende onderzoekscentrum. Op dit moment publiceert ze vooral over migraties na 1945, met een nadruk op beleid en diversiteit (klasse, gender, etniciteit en religie).

E-mail: m.l.j.c.schrover@hum.leidenuniv.nl