Het debat over het mannelijke kostwinnersmodel

In de sociaaleconomische geschiedenis van de vrouwenarbeid is het sinds het baanbrekende werk van Louise Tilly en Joan Scott, Women, Work, and Family uit 1978 gebruikelijk de arbeid van vrouwen in verband te brengen met de economische structuur van het gezin.1 Zij maakten een onderscheid tussen de family economy, waarin echtparen en kinderen samenwerken, zoals in het boerengezinsbedrijf, de family wage economy, waarin gezinsleden ieder naar vermogen looninkomen inbrengen, en de family consumer economy, waarin het gezin alleen als consumptie-eenheid verschijnt op basis van het inkomen van één kostwinner, in het algemeen de man. Dit laatste model staat ook bekend als de male breadwinner family, in het Nederlands het mannelijke kostwinnersgezin. Op deze indeling is veel kritiek gekomen,2 met name op de evolutionaire implicaties ervan, maar deze modellen geven als ideaaltypen wel inzicht in de relatie tussen de gezinssituatie en de vrouwenarbeid.

Uitgangspunt van deze indeling, en sindsdien standaard in elk debat over dit onderwerp, is dat het huishouden met één mannelijke kostwinner, dat tot niet zo lang geleden dominant was in de Westerse samenleving, een historisch verschijnsel is dat in de negentiende en twintigste eeuw is opgekomen, maar niet altijd heeft bestaan. In de jaren 1950 en 1960 kende het mannelijke kostwinnersgezin zijn grootste verbreiding, maar het lijkt nu weer te verdwijnen. Over het tempo en de oorzaken van de opkomst van het kostwinnersmodel wordt sinds de jaren 1990 een debat gevoerd dat tot veel onderzoek aanleiding heeft gegeven, ook in Nederland.3 Nederland is als casus interessant, omdat dit verschijnsel zich al vroeg voordeed en in de twintigste eeuw leidde tot een naar verhouding met andere landen erg lage vrouwelijke arbeidsparticipatie.4

Voor de opkomst van het mannelijke kostwinnersgezin, en de afnemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt als keerzijde daarvan, zijn algemene verklaringen gezocht in de stijging van de lonen van mannelijke arbeiders, die een bijdrage aan het gezinsinkomen van andere gezinsleden steeds minder nodig maakte, en in het doordringen van burgerlijke opvattingen over de plaats van de vrouw in het gezin in steeds meer lagen van de bevolking. De strikte arbeidsverdeling in de mannelijke kostwinnersgezinnen en de concentratie van reproductieve en huishoudelijke taken bij vrouwen maakte een continue intensieve en productieve inzet van mannelijke werknemers in de bedrijven mogelijk. Daardoor konden weer hogere lonen worden uitbetaald, waarmee het mogelijk was te voorzien in het levensonderhoud van het hele arbeidersgezin en een bijdrage van vrouwen aan het gezinsinkomen, zoals in de family wage economy, overbodig werd. Dit verschijnsel past in het zogenoemde Fordistische bedrijfsmodel, dat volgens economisch-sociologen in de lange periode van hoogconjunctuur na de Tweede Wereldoorlog dominant werd in het Westerse kapitalisme: in navolging van autofabrikant Ford werd industriële massaproductie met een hoge arbeidsproductiviteit gecombineerd met relatief hoge lonen.5 De reproductie van de hoogproductieve mannelijke kostwinner vond plaats in het gezin door huishoudelijke arbeid van de vrouw. Het is daarom niet toevallig dat de grootste uitbreiding van het mannelijke kostwinnersgezin in de jaren 1950 en 1960 samenviel met het hoogtepunt van het Fordisme. Tegelijk werden aan huishoudelijke taken op het gebied van voeding, verzorging en opvoeding steeds meer eisen gesteld, waaraan de huisvrouw alleen door een volledige inzet kon voldoen.

Lokale en regionale verschillen

Het is echter de vraag of deze generieke verklaring voor de dalende vrouwelijke arbeidsparticipatie door de stijgende looninkomsten van de mannelijke kostwinners wel recht doet aan de grote verscheidenheid tussen bedrijfstakken en regio’s. In haar recente Wageningse dissertatie uit 2017 stelt Corinne Boter dat deze verklaring aan de aanbodzijde moet worden aangevuld met verklaringen aan de vraagzijde, in het bijzonder de vraag naar arbeid van vrouwen op de lokale arbeidsmarkt.6 In de Limburgse mijnstreek bestond bijvoorbeeld nauwelijks

  

 

vraag naar werk door vrouwen. Alleen mannen konden profiteren van de groeiende werkgelegenheid in het mijnbedrijf; voor hun vrouwen en dochters was daarin geen plaats. Vrouwen zochten wel mogelijkheden om door arbeid een inkomen te verwerven, maar die waren er eigenlijk alleen voor mijnwerkersdochters omdat de mijnbedrijven speciaal voor hen confectieateliers hadden opgericht.7 De eenzijdige arbeidsverdeling in het mijnwerkersgezin op basis van het mannelijke kostwinnersmodel werd dus mede bepaald door de structuur van de lokale arbeidsmarkt. Dit was natuurlijk heel anders in bedrijfstakken en locaties waar wel een grote vraag naar arbeid door vrouwen bestond, zoals in de Maastrichtse aardewerkindustrie of in de textielindustrie.

Belgische geografen hebben deze wat zij noemen ‘uneven geography of gender relations’ concreet onderzocht door een vergelijking te maken tussen het Belgisch-Limburgse mijnbouwgebied en de textielstad Gent.8 Door de verschillende economische structuur was er een groot contrast in vrouwelijke arbeidsparticipatie: in de jaren 1960 had 35 procent van de potentiële vrouwelijke beroepsbevolking in Gent betaald werk; in Belgisch-Limburg was dat slechts 18 procent. Door de traditionele arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen in de textielindustrie was de keuze voor loonarbeid voor Gentse vrouwen vanzelfsprekend, ook na hun huwelijk. In de gezinnen leidde dat tot een evenwichtiger verdeling van het huishoudelijke werk. In de Belgisch-Limburgse mijncité’s daarentegen waren vrouwen op allerlei manieren aan huis gebonden. Net als in Nederlands-Limburg was er in de ruime omtrek geen werk voor vrouwen voorhanden en waren hun inspanningen in het huishouden noodzakelijk om de zware arbeid van mannen in de mijn mogelijk te maken. Zowel door mannen als door vrouwen werd dit ook als een dwingende sociale norm ervaren.

Achter de algemene tendens van dalende vrouwelijke arbeidsparticipatie en de opkomst van het mannelijke kostwinnersmodel konden zich dus grote regionale en lokale verschillen voordoen. In het volgende zal blijken dat dit ook in Limburg het geval was. Limburg wordt hier bestudeerd als casus van de lokale differentiatie, die door Boter voor heel Nederland is vastgesteld.

De economische structuur van Limburg

9

Gedurende de hele negentiende eeuw was de landbouw in Limburg de belangrijkste inkomstenbron. In 1849 en 1899 was 44 procent van de beroepsbevolking in deze sector werkzaam. Dat was tien, respectievelijk veertien procentpunt meer dan in Nederland als geheel. Pas ver in de twintigste eeuw ging Limburg in dit opzicht meer in de pas lopen. In 1930 was het aandeel van de agrarische beroepsbevolking in Limburg nog vijf procentpunt hoger, maar in 1960 was het ongeveer gelijk met dat in heel Nederland (elf en twaalf procent). Met 32 procent was ook de nijverheid in Limburg in de negentiende eeuw goed vertegenwoordigd, met slechts een enkel procentpunt verschil met Nederland als geheel. Door de opkomst van de mijnindustrie, vooral sinds het begin van de Eerste Wereldoorlog, groeide het aandeel van de industriesector in Limburg in de twintigste eeuw echter veel sterker dan in de rest van het land.

Uit het bekende onderzoek van Jan Winsemius naar de geografische vestigingstendensen van de Nederlandse nijverheid op grond van de beroepstelling van 1930 blijkt dat de aanwezigheid van industrie in Limburg vooral werd bepaald door enerzijds de beschikbaarheid van grondstoffen, met als meest sprekend voorbeeld natuurlijk de mijnindustrie, anderzijds door de aanwezigheid van goedkope arbeid. Die was onder meer bepalend voor de vestiging van de omvangrijke aardewerkindustrie in Maastricht.10 Een vergelijkend onderzoek wees in 1939 uit dat de in Maastricht uitbetaalde lonen lager waren dan die in vergelijkbare plaatsen in Nederland.11

Anders dan in vele andere arme streken van Nederland had de beschikbaarheid van een goedkoop arbeidsaanbod buiten de steden, op het platteland, niet tot industrievestiging geleid. In verband met de arbeid door vrouwen is het bijvoorbeeld opvallend dat een noemenswaardige textielindustrie, zoals die er wel was in Twente en Noord-Brabant, in Limburg ontbrak. Dat hing waarschijnlijk samen met de omvangrijke seizoenstrek vanuit het Limburgse platteland naar de aangrenzende Duitse gebieden (tot 1914). Daardoor bleef er op het kleine boerenbedrijf geen ruimte voor nevenbedrijven, die de ontstaansgrond hadden gevormd voor de Twentse en Brabantse textielindustrie.

In de volgende paragrafen komt de vraag aan bod wat deze bijzondere economische structuur betekende voor de ontwikkeling van de arbeid door vrouwen in Limburg.