Inleiding

Sinds de historici Susannah Ottaway, Lynn Boletho en Katharine Kittredge in 2002 ouderen op de sociaalhistorisch onderzoeksagenda plaatsten en de beleving van ouderdom in de preïndustriële periode expliciet linkten aan de ervaring van armoede, heeft het historisch onderzoek meer aandacht gekregen voor de verscheidene manieren waarop doorheen het verleden voor de oudsten werd gezorgd.1 Onderzoekers hebben zich in toenemende mate gebogen over de rol van familie en formele armenzorg tijdens deze precaire levensfase, waarbij de nadruk gelegd wordt op het toenemend belang van deze laatste pijler naar het einde van het Ancien Régime toe. Daarnaast worden ook marktvoorzieningen voor ouderen opgenomen in het bestudeerde spectrum.2 Hoewel de eerste stappen genomen zijn, hinkt onderzoek naar de rol van zowel informele, als formele (publieke en private) kanalen van ouderenzorg in de Zuidelijke Nederlanden achterop, vooral in vergelijking met Engeland.3 Nochtans is de vraag naar ouderenzorg cruciaal voor ons begrip van het zorgspectrum in het Ancien Régime. Niet alle opvangstrategieën en -kanalen zijn echter in dezelfde mate aanwezig doorheen tijd en ruimte, of gelijk toegankelijk voor elke laag van de samenleving. Net zo belangrijk als de vraag naar de rol van verschillende kanalen van ouderenzorg in het Ancien Régime, is daarom de vraag naar de toegankelijkheid van deze verschillende kanalen. De logica op basis waarvan zorg aan ouderen verleend werd, meer bepaald de argumenten voor in- en exclusie tot een bepaald zorgkanaal, vormen het onderwerp van deze studie, die zich toespitst op ouderenzorg in achttiende-eeuws Brussel.

Het laat-achttiende-eeuwse Brusselse armenzorglandschap werd gekenmerkt door een hoge graad van heterogeniteit.4 Naast de parochiale armentafels bestond tegelijkertijd een kluwen aan kleinere religieuze, corporatieve en private armenzorginitiatieven. Hoe divers ook, toch werd het Brusselse armenzorglandschap gekenmerkt door een gelijkaardige tendens tot sociale controle op de ontvangers van bijstand. Een streng moraliserend discours waarbij vermeende onwil om te werken sterk veroordeeld werd, vond haar weerklank in een repressieve wetgeving en de criminalisering van een grote groep armen. Vooral vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw werd een groot aantal decreten en andere maatregelen uitgevaardigd die zogenaamd onwaardige groepen viseerden.5 Deze repressie vond niet alleen plaats binnen publieke regelgeving, maar had ook een weerklank in de in- en exclusiemechanismen van private instellingen. Met de wetgeving ging ook een institutioneel uitsluitingsproces gepaard dat wortelde in dezelfde veroordeling van onwaardige en bevoordeling van waardige armen.6 Een hele set gedragsvoorkeuren kristalliseerde zich in het waardigheidscriterium. Hoewel het moeilijk is het concept te concretiseren, zijn er enkele pijlers die stelselmatig naar boven komen in de studies rond waardigheid. Als waardig werden vooral armen geïdentificeerd die wel werkwillig waren, maar door omstandigheden niet in staat waren hun brood te verdienen via arbeid. In praktijk waren dit vooral zij die fysiek niet in staat waren te werken, waaronder zieken, gehandicapten en bij uitbreiding ook ouderen.7 Op analoge wijze werden vooral ‘ledige’ en ‘luie’ bedelaars en vagebonden geviseerd als onwaardig.8 Selectieprocessen werden in toenemende mate door het waardigheidscriterium gestuurd en het onderscheid bleek – ondanks haar vage en moeilijke definiëring – zeer duurzaam. In haar meest expliciete vorm behelsde het waardigheidsconcept werkijver, maar aandacht ging ook uit naar zowel morele codes als meer praktische criteria. De historica Lynn Botelho toont in haar studie over het vroegmoderne Engeland onder andere hoe verzoekers nadrukkelijk ingingen op hun lokale reputatie, goed gedrag en diensten verleend aan de lokale gemeenschap en wijst ook op religiositeit als centraal selectiecriterium.9 Lynch beschrijft hoe in vroegmoderne steden een streng verband bestond tussen de ontvangst van relief en het burgerschap van die stad.10 Dat het begrip waardigheid vanaf de vijftiende eeuw de in- en exclusieprocessen van de verschillende types armenzorg in verschillende regio’s is blijven doorkruisen, toont het belang ervan als selectiecriterium en disciplineringsinstrument. Het is daarom belangrijk om via gevalstudies te bestuderen welke factoren in een welbepaalde tijd-ruimte voor een welbepaalde sociale groep bijdroegen tot de bepaling van waardigheid.

Er zijn een aantal tekortkomingen in de manier waarop de meeste onderzoekers het concept waardigheid hebben geanalyseerd. Veel onderzoek is immers vertrokken van eigentijdse theorievorming en institutionele richtlijnen om zo inzicht te krijgen in welk type arme als waardig werd geacht. Dergelijke studies leverden echter weinig ambiguïteiten op. Interessanter zijn studies die niet vertrekken van een top-down-perspectief, maar onderzoeken hoe het concept waardigheid door armen zelf werd ingevuld. Onderzoek op basis van armenbrieven leent zich hier perfect toe. Armenbrieven zijn brieven afkomstig van armen zelf en gericht aan overheden of armenzorginstellingen met als doel het verkrijgen van bijstand. Onder de steeds exclusievere tendensen van de armenzorg groeide immers de nood om aanspraken op bijstand grondiger te legitimeren. Historici die armenbrieven gebruikten, zoals Thomas Sokoll, toonden succesvol aan voor negentiende-eeuws Londen hoe deze bronnen een beeld geven dat dichter bij de praktijk ligt dan institutionele bronnen en ook de Engelse sociaalhistoricus Tim Hitchcock pleit hevig voor armenbrieven als bron voor het schrijven van een geschiedenis van onderop.11 In hun poging actief claims op bijstand te leggen, betoogden de armen hun waardigheid. Op die manier onthulden ze op bijzondere wijze hoe het concept ingevuld werd door de armenzorgbestuurders, maar ook door henzelf. Zo onderstreepten Gestrich et al. voor achttiende- en negentiende-eeuws Europa hoe armen via deze brieven bewezen zeer goed op de hoogte te zijn van het toekenningsproces van en de grijze zones binnen armenzorg. Dit retorisch karakter van armenbrieven is enerzijds het resultaat van een toe-eigeningsproces door armen van het officiële discours en taalgebruik, maar ook van de creatieve implementatie ervan in hun verzoek.12 Zo geven armenbrieven ook een uiting aan de manier waarop armen zelf bijdroegen tot de constructie van het waardigheidsconcept van onderop. Belangrijke stappen het onderzoek naar die constructie van waardigheid in armenbrieven werden gezet door de Engelse historicus Steven King. In zijn onderzoek op basis van negentiende-eeuwse Engelse armenbrieven wees hij bijvoorbeeld op het belang van noties van toebehoren tot de lokale gemeenschap als argument in armenbrieven en de uiteenlopende invullingen die door de auteurs aan het fluïde concept werden gegeven. Kijkend naar het gebruik van retoriek rond kleding en naaktheid, toonde hij eveneens hoe armen in hun vertogen inzicht in en tactisch gebruik van deze noties aan de dag legden. Voor de beargumentering van hun waardigheid konden ze een beroep doen op een gedeeld taalregister dat uiting gaf aan een tot op zekere hoogte gedeeld discours omtrent waardigheid.13

De studie van armenbrieven staat ons toe een minder elitaire invulling aan de studie van het waardigheidsconcept toe te voegen. De focus in dit artikel ligt op een specifiek kanaal van institutionele ouderenzorg, hoewel de conclusies mogelijk kunnen worden doorgetrokken naar armenzorg in het algemeen. Dit artikel gaat in op de inclusieprocessen die werden gehanteerd bij het Godshuis der Twaalf Apostelen in Brussel tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw, een etablissement dat kost en inwoning bood aan verarmde oudere mannen. Hun positie als quintessential deserving poor maakt van ouderen een goede insteek voor de studie van inclusieprocessen.14 Aan de hand van het softwareprogramma maxqda zullen zowel de inhoud als het relatieve belang van de gebruikte argumenten tot opname in 203 verzoekschriften worden geanalyseerd om zo inzicht te krijgen in het discours aan de hand waarvan de verzoekers een plaats probeerden te bemachtigen in het godshuis. Zo wordt onderzocht hoe waardigheid geanticipeerd en vervolgens beargumenteerd, maar ook mee geconstrueerd werd door de verzoekers. Wie achtte zichzelf geschikt en op basis van welke argumenten?

‘Om voor het eijndeken van hun leven broodt te hebben’.15 De functie van het godshuis

Binnen het brede armenzorgspectrum bevonden zich vaak ook gespecialiseerde initiatieven, gericht op een specifieke doelgroep. Zo werd het Ancien Régime gekenmerkt door het bestaan van verschillende godshuizen (ook godskameren, weduwenhuis of provenhuis genoemd), instellingen die er specifiek op gericht waren opvang te bieden aan ouderen. Het ontstaan van de eerste godshuizen pur sang in de Lage Landen kunnen we situeren in het midden van de veertiende eeuw.16 Vanaf de vijftiende eeuw neemt hun aantal toe, zowel in Brussel als in andere steden. In Brussel werd in deze periode onder andere het Godshuis van de Twaalf Apostelen opgericht in 1432 door Willem Bont.17 Hoewel er ook godshuizen bestaan met een uitgebreider bewonersprofiel, worden de meeste godshuizen gekenmerkt door een burgerlijk karakter, met vooral bewoners uit de lage en middelste middenklasse en corporatieve middens. De meeste godshuizen hadden volgens Looijesteijn in de eerste plaats als doel verarmde bejaarden uit de eigen groep een eervolle toevlucht te bezorgen.18

Grosso modo hadden godshuizen hun wortels in het filantropische milieu. Niet zelden stichtten ook organisaties zoals gilden een eigen godshuis.19 Hoewel in de Late Middeleeuwen de rol van particulieren binnen armenzorg, vooral inzake de creatie van deze godshuizen en financiële donaties, onmiskenbaar was, is het moeilijk een strikt onderscheid te hanteren tussen private, kerkelijke en publieke instellingen. De besturen van de verschillende instellingen waren namelijk in sterke mate vermengd. Zo stonden de priester en de proviseurs van de parochiale armentafelen, vaak ook aan het hoofd van diverse privaat opgerichte instellingen. Na oprichting, stonden de filantropische figuren het beheer van de instelling af aan personen die beter bekend waren met de organisatie van armenzorg, meestal de clerus. Zo waren de proviseurs van de heilige geesttafel van de parochie van Sint-Goedele bevoegd over de toekenning van plaatsen in het Godshuis der Twaalf Apostelen, samen met de priester en de leden van de kerkraad. Het dagelijks bestuur en de administratie lagen in handen van een rentmeester. Meestal was ook dit een priester of kapelaan. Anderzijds probeerden het stedelijke gezag al vanaf de Late Middeleeuwen en later ook het centrale gezag voortdurend om de verschillende initiatieven onder hun controle te brengen en inspraak te verwerven in het beheer van particulier opgerichte instellingen.20

De zorg die werd geboden verschilde voor elk godshuis. Sommige godshuizen boden enkel logement, meestal in een kleine kamer, terwijl anderen het zorgpakket aanvulden met geld (de wekelijkse prove), voedsel, kleding, brandstof of eventuele extra’s doorheen het jaar.21 Ook de interne reglementen verschilden grondig, wat ongetwijfeld een diversiteit aan belevingen onder de bewoners van verschillende godshuizen tot gevolg had. Zo verwachtten sommige godshuizen dat hun bewoners overdag nog werkten, terwijl andere een volledige terugtrekking uit het beroepsleven vooropstelden.22 Deze veelheid aan belevingen wat betreft de geboden zorg en leefregels, maakt dat we godshuizen moeilijk als uniforme instellingen kunnen beschouwen.23 Wat alle godshuizen op zijn minst gemeenschappelijk hadden, was evenwel het bieden van onderdak aan ouderen. Het merendeel voorzag ook kost, hoewel het aangeboden voedsel niet altijd volstond. In deze gevallen werd van de bewoners verwacht dat ze het beperkte voedselaanbod aanvulden met behulp van een wekelijkse prove. Soms was een dienstmeid aanwezig, maar vaak werd ook van de bewoners zelf verwacht dat ze elkaar verzorgden en hielpen bij dagelijkse taken.24

Het merendeel van de godshuizen werd ingericht binnen huizen die aan hun oprichter hadden toebehoord. De plaatsen binnen die huiselijke setting waren echter vrij beperkt.25 Het Godshuis der Twaalf Apostelen was met haar dertien plaatsen voor bejaarde mannen één van de grotere instellingen van het genre in Brussel.26 Het huis bevond zich in de huidige Twaalf Apostelenstraat27 en was gesticht bij testament van Willem Bont, voormalig kanunnik van de kerk van Sint-Goedele, na zijn dood in 1432. De instelling had een grote tuin met enkele wijnranken, een kapel, een bakkerij en waarschijnlijk ook een kleine slagerij. De bewoners van het godshuis kregen er kost en inwoning in een kamer en een maandelijkse prove in geld. Er was ook een dienstmeid aanwezig. In 1776 werd het rantsoen gereduceerd tot een dagelijkse portie potage en werd van de bewoners verwacht dat ze zelf brood zouden aankopen.28 In deze periode ontvingen de bewoners maandelijks 3 gulden en 16 stuivers en nog 4 extra stuivers om brood te kopen.29 Het volledige maandbedrag komt ongeveer overeen met het weekloon van een hand­arbeider in dezelfde periode (3 gulden en 18 stuivers)30 en kwam overeen met de gemiddelde prijs van 20,88 kilogram tarwebrood in dezelfde periode.31 Bewoners werden ook voorzien van kledij. Vermoedelijk werd ook brandstof verschaft waarmee ze hun kamers konden verwarmen.32 De bejaarden werden verwacht het ontbijt en diner te nuttigen in de gemeenschappelijke refter, dagelijks deel te nemen aan de mis en regelmatig te biecht te gaan. Elke dinsdag en donderdag trokken twee bewoners de stad in om brood en aalmoezen op te halen. Daarnaast werd op feestdagen van alle bewoners verwacht dat ze aalmoezen verzamelden in de Sint-Goedelekerk. Deze giften moesten ze vervolgens in een gemeenschappelijke bus aan de rentmeester overhandigen.33 De bewoners leefden volgens een strakke dagindeling met regelmatige gebedsmomenten, maar mochten wel bezoek ontvangen en het godshuis verlaten, zolang ze voor de avondklok thuis waren.34

Hoewel godshuizen omwille van hun materiële comfort waarschijnlijk een interessant toevluchtsoord waren, nuanceert de Engelse historica Angela Nicholls hun populariteit enigszins, door te verwijzen naar hoe het streng gereguleerde leven en de reductie van de individuele vrijheid binnen de godshuismuren een aanzienlijke drempel vormde voor ouderen die op hun zelfstandigheid gesteld waren.35 Niettemin blijkt het succes van godshuizen als instellingen onder andere uit hun lange bestaan. In de late achttiende eeuw, drie eeuwen na oprichting, werden nog steeds oude mannen in Bonts godshuis opgenomen om ‘voor het eijndeken van hun leven broodt te hebben’.36 Hoewel er in Brussel relatief veel instellingen voor arme bejaarden bestonden, zeker in vergelijking met andere types instellingen, waren de plaatsen per instelling zeer beperkt. In 1753 boden 21 Brusselse instellingen in totaal plaats aan zo’n 192 ouderen. Daarenboven waren er meer etablissementen die oude vrouwen opvingen dan mannen waaronder ook het grotere Pachéco-­godshuis dat opvang bood aan 40 bejaarde vrouwen.37 Voor oude Brusselaars bestonden er volgens een nieuwe telling in 1776 slechts vier instellingen, goed voor amper 32 plaatsen.38 Voor de Zuidelijke Nederlanden zijn weinig sluitende cijfers voorhanden, maar in Antwerpen maakte de groep ouder dan zestig jaar in 1796 zo’n 12 procent uit van de totale bevolking die zo’n 50.000 inwoners omvatte.39 In 1783 werd voor Brussel een bevolkingsaantal van 74.427 opgetekend. Als we van een gelijk aandeel ouderen uitgaan, telde Brussel iets meer dan 8900 ouderen van 60 jaar en ouder. Het aantal beschikbare godshuisplaatsen in deze stad schoot duidelijk tekort in verhouding tot het aantal ouderen. Daarenboven kwamen deze plaatsen niet op regelmatige basis vrij. Uit het opnameregister van het Godshuis der Twaalf Apostelen blijkt dat tussen 1751 en 1797 zo’n 46 plaatsen vrijkwamen, wat neerkomt op ongeveer één vrije plaats per jaar.

  

Illustratie 1 Omgeving van de Sint-Goedelekerk op een stadsplan uit de tweede helft van de achttiende eeuw met rechts het Godshuis der Twaalf Apostelen en het Godshuis ter Arken, dat onderdak bood aan twaalf oude vrouwen (bron: Archief van de Stad Brussel (ASB): Plans, cartes et plans de Bruxelles, et de la région Bruxelloise, Plan de Bruxelles grand format n°3, 1768-1772).  

De hoge concurrentie voor plaatsen leidde tot een verstrenging van de toelatingsvoorwaarden, die overigens wel sterk konden verschillen per godshuis. Sommigen specificeerden een leeftijdsgrens, terwijl anderen hun doelgroep vager afbakenden als ‘ouderen’. Soms werd intredegeld gevraagd, maar dit was niet overal het geval. Vaak werd wel verwacht dat de bejaarde in kwestie zijn of haar bezittingen meebracht en afstond aan het godshuis. Na de dood van de bejaarde werden deze bezittingen verkocht, hoewel ze maar een kleine inkomstenbron betekenden voor het godshuis zelf.40 De proviseurs van de Heilige Geesttafel van de parochie van Sint-Goedele, belast met het beheer van het Twaalf Apostelen-godshuis, verkozen expliciet bewoners met een onberispelijke reputatie.41 Onderzoek door Looijesteijn, Goose en Masure suggereert daarenboven dat godshuizen in de Lage Landen niet gelijk toegankelijk waren voor alle sociale groepen van de stedelijke samenleving, maar in de eerste plaats gericht waren op de opvang van ‘schamelearmen’:in armoede vervallen middengroepen.42

Een unieke bronnenreeks

Doorheen de geschiedenis hebben behoeftige personen de pen opgenomen om hun aanspraken op zorg te legitimeren. Gezien de grote dis-

crepantie tussen de vraag naar en de beschikbaarheid van plaatsen probeerden ook veel Brusselse ouderen via brieven aan de bestuurders een plaats in het Godshuis der Twaalf Apostelen te verkrijgen. Voor de tweede helft van de achttiende eeuw is een groot aantal van deze verzoekschriften bewaard. Het is één van de weinige reeksen armenbrieven die bewaard zijn voor de vroegmoderne Zuidelijke Nederlanden. Voor de periode van 1750 tot 1797 zijn in totaal 203 verzoekschriften bewaard, afkomstig van 149 ouderen. 21 Procent van deze verzoekers schreef zelfs meermaals naar de bestuurders. Meestal schreven zij twee of drie brieven (gemiddeld 2,69). Alexander van den Zijpe richtte zich zelfs acht keer tot het godshuis. Grafiek 1 toont de spreiding van het aantal bewaarde verzoekschriften tussen 1750 en 1797, waarbij een toename

  

Grafiek 1 Spreiding van de verzoekschriften van het Godshuis der Twaalf Apostelen (1695-1796) De volledige bronnenreeks gaat terug tot 1695. Omwille van het kleine aantal verzoekschriften (6) dat voor de periode 1695-1749 bewaard gebleven is, hebben we echter besloten onze analyse te beperken tot de verzoekschriften vanaf 1750. Bron: OAB, HdDA, inv. nr. H881. 

merkbaar is vanaf 1760, met als piekjaren 1780 (8) en 1790 (13 verzoekschriften).43 Deze stijging kan een reflectie zijn van een groeiende nood aan bijstand in deze periode of een toenemende briefschrijfpraktijk maar is mogelijk ook het gevolg van een betere bewaring voor de latere decennia van de achttiende eeuw.

De meeste verzoekschriften zijn analoog in opbouw. Na een openingsformule gingen de verzoekers over tot een voorstelling van zichzelf waarbij ze hun geschiktheid tot opname beargumenteerden. Dat de brieven in zekere mate opgesteld werden volgens een vast stramien, doet vermoeden dat de verzoekers bijgestaan werden door een scribent die mogelijk vertrouwd was met het schrijven van dergelijke verzoeken. In zijn studie van armenbrieven of pauper letters in Essex tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw, suggereerde King al het bestaan van dergelijke geoefende scribenten.44 Ook bij de Brusselse verzoekschriften valt op hoe sommige handschriften terugkeren bij verschillende verzoekers, of hoe het handschrift waarin het verzoekschrift opgesteld is, verschilt van dat van de uiteindelijke ondertekenaar, wat inderdaad de inschakeling van briefschrijvers suggereert. Over de identiteit van zulke scribenten is over het algemeen weinig geweten, noch over hun werkwijze of rol binnen de cultuur van verzoekschriften. Zowel de inhoud van de argumenten als de structuur van de Brusselse verzoekschriften varieert echter dusdanig, dat de rol van de scribenten in dit geval vermoedelijk een stilistische ingreep betrof, met vooral de introductie van belangrijke aanspreekformules en een leesbare structuur. De eventuele inschakeling van een scribent hoeft de waarde van deze verzoekschriften daarom niet te hypothekeren.45

Dit artikel bestudeert welk discours de verzoekers hanteerden met het oog op toelating tot het godshuis. Belangrijk daarbij is de vraag hoe representatief deze vertogen zijn en welke waarde we kunnen hechten aan de argumenten ervan. Dat het grootste deel van de verzoekers waarschijnlijk uit voormalige ambachtslieden of schamele armen bestond, hoeft niet te impliceren dat hun discours exclusief was voor deze specifieke sociale groep. Zo kunnen de vertogen van deze groep ook breder gedeelde noties van waardigheid bevatten, die niet per se gerelateerd zijn aan de context van het Godshuis van de Twaalf Apostelen en haar toelatingsvoorwaarden. Aangezien we met deze studie inclusieprocessen van onderop willen belichten, beperken we ons niet tot succesvolle aanvragen. Hoewel er geen duidelijkheid bestaat omtrent de reden van bewaring van de brieven en de mate waarin in de overgeleverde reeks enige selectie plaatsgevonden heeft, blijkt uit het bewaarde opnameregister van het godshuis dat uiteindelijk 32 procent van de briefschrijvers tussen 1750 en 1797 werd toegelaten tot het godshuis.46 Met andere woorden, voor twee derde van de briefschrijvers bleek hun verzoek tot opname niet succesvol. We beroepen ons dus niet uitsluitend op bronnen die de succesvolle aanvragers representeren. Omdat armenbrieven werden opgesteld met als doel het verkrijgen van bijstand, wordt de waarheidswaarde van dergelijke bronnen vaak op de korrel genomen. De auteurs hadden er mogelijk baat bij onjuiste feiten te presenteren of hun toestand op zijn minst te overdrijven. Toch merken we dat briefschrijvers dikwijls ondersteunend ‘bewijsmateriaal’ toevoegden – zoals een doopattest, verklaringen van de lokale pastoor of voormalige werkgevers – en de administratie van het Godshuis soms zelf bepaalde zaken natrok. Wel is merkbaar hoe de verzoekers in hun vertogen vaak een vertoog ontwikkelen dat sterk retorisch is. Aangezien deze studie zich in de eerste plaats richt op het analyseren van het discours, is het retorisch karakter van de bron geen probleem, maar net een opportuniteit voor dit onderzoek.

Dit onderzoek combineert een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van het bronnenmateriaal aan de hand van het softwareprogramma maxqda. Het opzet is kwalitatief in de zin dat de studie gebaseerd is op een grondige lectuur van 203 verzoekschriften tussen 1751 en 1797, waarbij aandacht besteed is aan de verschillende individuele vertogen. Daarnaast staat maxqda toe om door middel van labels verschillende passages in de bron te markeren naargelang van de inhoud. Zo konden de individuele citaten en narratieven rond bepaalde thema’s zoals werk of familie op systematische wijze worden gekwantificeerd. Daarnaast maakt het programma het mogelijk om binnen de verschillende labels in te zoomen op de passages waarin ze genoemd worden. Zo blijft de mogelijkheid bestaan om deze thema’s te interpreteren binnen de narratieve structuur. De labels die voor dit onderzoek gecreëerd werden, werden enerzijds gededuceerd uit de bestaande literatuur omtrent waardigheid en toelatingsvoorschriften voor godshuizen en anderzijds ook ingegeven tijdens en na de lectuur van de verzoekschriften zelf. In wat volgt zullen we respectievelijk focussen op argumenten gebaseerd op het sociale profiel van de verzoekers, argumenten rond opvangstrategieën en zelfredzaamheid en argumenten omtrent gedrag.

‘Voor oude inpotente menschen wesende borghers als is den verthoonder’.47 Het sociale profiel van de verzoekers

De meeste brieven openden met informatie over de identiteit van de verzoeker, diens (voormalige) beroepsactiviteiten en leeftijd, waarna een betoog werd uitgebouwd dat zijn geschiktheid beargumenteerde. Daarbij werd niet geschroomd om details te verschaffen over de gezondheidstoestand en de vermeende oorzaken van armoede. Aan de hand van deze verzoekschriften is het mogelijk een sociaal profiel van de verzoekers te beschrijven. Tabel 1 groepeert de beroepsinformatie voor alle briefschrijvers per beroepscategorie. Voor 22 procent ontbreekt beroeps­informatie. De verzoekers waarvoor deze informatie wel gekend is, blijken in sterke mate een sociaal homogene groep te vormen. Het Godshuis trok duidelijk, maar niet uitsluitend, ambachtslieden aan. 64 procent van alle verzoekers vermeldden ambachtelijke beroepen beoefend te hebben. Onder hen maakten kleermakers (11 procent) en schoenmakers (9 procent van alle verzoekers) het grootste aandeel uit. Een diverse reeks andere ambachtelijke beroepen duiken eveneens op, gaande van timmerman over goudsmid tot tonnenmaker. 13 Procent van de verzoekers vermeldde een niet-ambachtelijk beroep beoefend te hebben. Ook hier bleek een grote variatie aan beroepen, van raadsheer aan het hof, over kok tot schoolmeester en chirurgijn. Vermoedelijk was de de facto oriëntatie van het godshuis bekend onder de bewoners van de Sint-Goedeleparochie, waardoor slechts een bepaalde groep ouderen, namelijk zij die tot de veronderstelde in-group behoorden, zich tot het gods­huis richtte. Zo schreef Balthazar Van Herzeele het godshuis aan omdat ‘U Eerweerden wesende de beschermer der oude ende uijtgewerckte ambachtslieden’.48 42 Van de 95 verzoekers die als ambachtsman konden worden geïdentificeerd (44 procent), benoemde zichzelf als ambachts­meesters, tegenover 10 gast of gezel (11 procent). Vijf van hen waren ook nog eens deken geweest. Van de overige 45 procent hebben we geen verdere gegevens. Op basis van de beroepsgegevens lijken de verzoekers van het Godshuis der Twaalf Apostelen in sterke mate te beantwoorden aan het profiel van de schamele armen, de aan armoede ten prooi gevallen middenklasse. Het feit dat vooral zij zich tot het godshuis wendden, suggereert haar rol als alternatief ‘eerzaam’ opvangcircuit voor deze specifieke groep armen die weigerachtig stond ten opzichte van armenzorg en het statusverlies dat dikwijls gepaard ging met de ontvangst ervan.

De verzoekers waren allemaal mannen die voornamelijk in Brussel geboren waren (82 procent)49 en waarvan het grootste deel in de Sint-Goedeleparochie of de nabijgelegen parochies Sint-Niklaas, Sint-Katelijne en Onze-Lieve-Vrouw-van-Finisterre woonde of gedoopt was. Hun nabijheid tot het godshuis moet het de verzoekers mogelijk hebben gemaakt om hun verzoeken in persoon te presenteren voor het godshuisbestuur, een praktijk waarop we overigens weinig zicht hebben, afgezien van vermelding ervan op de achterkant van de verzoekschriften. Mogelijk betekende nabijheid tot het godshuis enige bekendheid met de bestuurders of waren deze verzoekers sneller en beter

Tabel 1 Absolute en relatieve aantallen ambachtelijke en niet-ambachtelijke beroepen onder alle verzoekers (N=149)*
N %
Ambacht
Kleermaker 17 11
Schoenmaker 13 9
Bakker 6 4
Timmerman 6 4
Droogscheerder 4 3
Kramer 3 2
Warmoezenier 3 2
Garentwijnder 3 2
Slotenmaker 3 2
Kleding I 4 3
Kleinhandel II 5 3
Metaalbewerker III 6 4
Productie divers IV 6 4
Voeding V 3 2
Bouw VI 4 3
Textiel 1 1
Divers VII 8 5
Totaal 95 64
Niet-ambacht
Overheid, hof VIII 4 3
Diensten divers iX 6 4
Geen ambacht kunnende 2 1
Andere X 9 6
Totaal 21 14
Ontbrekend 33 22
Totaal verzoekers 149 100
* I Kleding: Knopmaker, pruikenmaker, borduurder, passementmaker; II Kleinhandel: vettewarier, oudekleerkoper, kantverkoper; III Metaalbewerking: zilversmid, goudsmid, wapensmid, penningmaker, tinnegieter; IV Productie divers: rademaker, tonnenmaker, leertouwer, tapijtmaker, maakt speldenkussens; V Voeding: suikerbakker, bierwerker, wijntavernier; VI Bouw: metser, plekker, schaliedekker; VII Divers: molenaar, strosnijder, beeldhouwer, schilder en vergulder, drukker; VIII Overheid, hof: schrijver bij de Raad van Brabant, koetsier voor de Munt, raadsheer aan het Hof, bouwopzichter publieke werken; IX Diensten divers: kok, schrijver/klerk, hovenier, diensten voor de priorij van het Rood Klooster; X Andere: advocaat, chirurgijn, schoolmeester, dansmeester, sergeant Sint-Jorisgilde, stoetdrager, kasseier, handwerk, werkman voor de stad Brussel.Bron: OAB, HdDA, inv. nr. H881.

  

 

geïnformeerd over vrijgekomen plaatsen in het godshuis. Tabel 2 toont het absolute en relatieve aandeel van verschillende argumenten voor waardigheid binnen de verzoekschriften. Daaruit blijkt ook het belang van burgerschap (52 procent van alle verzoekschriften). Een aantal verzoekers, waaronder Gaspar Steenkist, omschreven zichzelf in de eerste plaats als afkomstig zijnde ‘van treffelijcke borghers deser stadt van over de drij hondert jaers’.50 In diezelfde lijn speelde ook het afstammen van een eervolle, ‘degelijke’ of ‘eerlijke’ familie en familiale eer (14 procent) een niet onbelangrijke rol in de verschillende narratieven. Verzoekers beschreven hoe zij ‘voortcomende van ouders tot ouders van honorable familie deser voorschreve stadt51 of uit ‘den oude ende edele familie vanderzijpen’ afkomstig waren, zoals Franciscus vander Zijpe zelfs wist te staven aan de hand van een stamboom. 52

Een aanzienlijk aantal van de verzoekschriften werden vergezeld van justifiërende documenten, zoals doopbrieven, maar ook verklaringen van goed gedrag, werkijver of armoede door vooraanstaande personen, werkgevers of pastoors. Tabel 3 toont het absolute en relatieve aandeel van deze bewijsstukken in verhouding tot het totaal aantal verzoekschriften. In enkele gevallen (3 procent) werd een simpele verklaring vergezeld van meerdere handtekeningen. Hoewel het bijvoegen van een doopbrief een vrij algemene praktijk was (74 procent), betrof dit in de eerste plaats een bewijs van de leeftijd van de bejaarde, naast een bewijs dat deze tot de geloofsgemeenschap en parochie behoorde. Tegelijk vereiste de bemachtiging ervan een zekere mobilisatie van contacten binnen de parochiale kring, met name van de pastoor zelf. Andere bewijsstukken die toegevoegd konden worden, waren stambomen en uittreksels uit het huwelijks- of overlijdensregister (toegevoegd aan 4 procent van alle verzoekschriften). Duidelijker verwijzingen naar de mobilisatie van contacten met derden, zien we wanneer deze expliciet aan bod komen in de verzoekschriften, wat wijst op het grote belang dat de verzoekers aan deze connecties hechtten. Via een aanbeveling (of ‘recommandering’) (19 procent) beriep een persoon zich op sociaal kapitaal teneinde het verzoek kracht bij te zetten. Ook via verklaringen van ‘goed of christelijk gedrag’ en werkijver (bijgevoegd in 23 procent van de verzoekschriften) schakelden verzoekers dergelijke contacten in om hun waardigheid in de verf te zetten – argumenten die wellicht extra ge-

  

Illustratie 2 Voorbeeld van een verzoekschrift geschreven aan het Godshuis der Twaalf Apostelen (bron: OAB, H881, Verzoekschrift Alexander Van der Zijpen, 1780). 

wicht of geloofwaardigheid kregen wanneer ze aangebracht en ondertekend werden door iemand anders dan de arme bejaarde zelf. Niet alleen is deze praktijk revelerend voor de manier waarop verzoekers sociaal kapitaal uitbouwden en mobiliseerden in hun discours, het is ook een extra indicatie van de sociale groep waartoe de verzoekers behoorden en van hun status in de Brusselse samenleving. Daarnaast leken sommige verzoekers goed op de hoogte te zijn geweest van het reilen en zeilen binnen de muren van het godshuis. In 45 procent (tabel 2) van de verzoekschriften verklaart de verzoeker op de hoogte te zijn van een vrijgekomen plaats binnen de instelling. In één op vier van deze gevallen noemde de briefschrijver de overledene wiens plaats vrijgekomen zelfs bij naam, wat doet vermoeden dat althans een deel van de verzoekers goed bekend was met het verloop binnen de instelling. Sommigen spreidden op basis van die informatie zelfs een zekere zelfzekerheid tentoon teneinde hun onderhandelingspositie te versterken, zoals bijvoorbeeld Gerardius Jacobts: ‘Soo neem ik de libertijd van u Eerweerden voor te stellen als dat ik een requeste in gedint hebben de twelf apostelen voor te bekomen de plaetse van M. pater die over leeden is den 22 januarii 1796 soo hope ik dat ue sal voor mij genegen zijn’.53

Tabel 3 Absolute en relatieve aandeel van verzoekschriften waarin sociaal kapitaal wordt gebruikt aan de hand van bewijsstukken, verklaringen, aanbevelingen, handtekeningen of vermeldingen (N=203)
N Totaal
Doopbrief 151 74
Bewijs goed gedrag en zeden, armoede, werkijver 47 23
Ander bewijsstuk 8 4
Aanbeveling 39 19
Handtekening 6 3
Bron: OAB, HdDA, inv. nr. H881.

Naast lokale belonging lijkt leeftijd een plausibel toegangscriterium voor het godshuis. In nagenoeg alle (91 procent) verzoekschriften wordt alleszins een leeftijd vermeld, al dan niet vergezeld van een uittreksel van het doopregister (74 procent). Wel valt de grote variatie aan leeftijden op (grafiek 2). Hoewel veel waarden clusterden rond 70 jaar, bestond er een grote spreiding, met uitlopers van 50 tot 84 jaar. Een dergelijke age heaping rond de leeftijd van 70 zou kunnen worden verklaard door gebrek aan leeftijdsbesef vanwege de briefschrijvers. De grote meerderheid van de verzoekers kon echter een doopbrief bijvoegen om hun exacte leeftijd te duiden. De clustering kan een echo zijn vanformele dan wel officieuze leeftijdsgrenzen die gehanteerd werden door het godshuis en/of andere instellingen – hoewel de enige formele bepalingen die we terugvonden een leeftijdsgrens van 60 was vanwege stichter Willem Bont. Het opnameregister van het godshuis toont aan dat 54 procent van de mannen bij opname jonger was dan 70 (maar nooit jonger dan 60). Daarnaast was 42 procent tussen de 70 en de 79 jaar oud en 4 procent 80 jaar of ouder.54 Hoewel de leeftijden van de verzoekers suggereren dat 70 jaar voor hen een belangrijke mijlpaal was, werden dus ook regelmatig mannen van jongere leeftijd opgenomen, en bleek de oorspronkelijke ondergrens van 60 jaar oud in de praktijk gerespecteerd te worden. Mogelijk was 70 jaar wel de leeftijd waarop men geacht werd in aanmerking te komen voor opname tot het godshuis, enerzijds omdat men pas op hogere ouderdom er echt fysiek op achteruit begon te gaan en beantwoordde aan de biologische invulling van oud die ook beter bij het kernprincipe van het waardigheidsconcept aansloot, namelijk dat van werkonbekwaamheid. Anderzijds kan het een indicatie zijn dat de verzoekers verkozen eerst een ander register opvangstrategieën aan te spreken, alvorens zich tot het godshuis te wenden.

Hoewel de toevoeging van doopbrieven het argument wel degelijk kracht moet hebben bijgezet, vestigden de verzoekers zelden hun claims louter op basis van leeftijd (7 procent van alle verzoekschriften, zie tabel 2). Veel belangrijker in hun discours zijn beschrijvingen die functionele en biologische noties van ouderdom uitdrukken. Een groot deel van alle vertogen bevat beschrijvingen van ouderdom en fysieke achteruitgang. Uit tabel 2 blijkt heel duidelijk hoe ouderdom alleen zelden als reden fungeerde om zich tot het godshuis te richten. Joannes Van der Vinnen was zich nochtans zeer bewust van de toelatingsvoorwaarden alsook de beschikbaarheid van plaatsen binnen het godshuis, wanneer hij schreef dat aangezien er ‘[is komen, A.V.] open te vallen eene plaetse in de gemelde fondatie ende vermijnende te hebben bereijckt den ouderdom ende voordere vereijschte redenen om van de selve te konnen genieten’.55 Vaker dan leeftijd werd fysieke onbekwaamheid als argument gebruikt (36 procent). Zo zette Antonius Van Bersel hierop in wanneer

  

Grafiek 2 Spreiding van de leeftijden van de verzoekers van het Godshuis der Twaalf Apostelen, 1751-1796 Bron: OAB, HdDA, inv. nr. H881. 

hij beschreef ‘dat door de groote kranckheid de welcke Godt almachtigh aen den verthoonder heeft gelieft over te senden sijn lichaem soo daenigh caduc is geworden dat hij het winnen van sijn daegelijkx broodt incapabel is’.56 Sommigen blijven onduidelijk over hun kwalen, zoals Henricus De Rauw die sprak van ‘differenten tegenspoet soo van siecktens, ongelucken’.57 Anderen waren dan weer zo specifiek mogelijk. Zo beschreef Franciscus Van der Zijpen ‘dat hem door eenen val ende door het verlies van bij naer sijn gesicht hem onmogelijck is geworden het selve ambacht alsnoch te exerceren’.58 Het meest voorkomend (49 procent) waren echter gecombineerde argumenten, waarbij de verzoekers vooral de aandacht op hun fysieke beperkingen en armoede ten gevolge van hun stijgende leeftijd vestigden eerder dan op hun hoge leeftijd an sich. Zo beschreef Petrus Polspoel hoe ‘dat sijne hooghe jaeren ende katijvigheijdt, hem absolutelijck beletten van als timmermans gast eerelijck sijn broodt te winnen, gelijck hij nu menighvuldighe jaeren heeft gedaen’.59 Ook Jean De Ré betreurde ‘la triste et douloureuse situation où il est réduit, par son grand âge et ses infirmités qui le mettent hors d’état d travailler ni d’exercer la profession de tailleur’.60 Hoewel ouderdom verschillende belevingen omvat, lijken de verzoekers van het godshuis, hoe uiteenlopend hun leeftijden ook, toch een gezamenlijke beleving te delen van ouderdom als een oorzaak van fysieke degeneratie en armoede. De verzoekers van het Godshuis der Twaalf Apostelen waren zich daarenboven duidelijk bewust van het belang van onmogelijkheid tot werken voor de definiëring van waardigheid. Eerder dan leeftijd was het voornaamste argument tot toelating dan ook dat van fysieke werkonbekwaamheid en de armoede die daaruit volgde. In alle verzoekschriften die ouderdom, gebrekkigheid dan wel beiden vermeldden werden deze rechtstreeks in verband gebracht met de armoede van de verzoeker. Nicolaus De Graef vreesde dat hij ‘soo ter oorsaecke van sijnen hoogen ouderdom als continuele onpasselijckheden onmogelijck sijnde daer inne [zijn beroep, slotenmaker, A.V.] te connen continueren ende hij in sijnen ouden dagh soude geschaepen sijn tot de grootste aermoede ende miserie’.61

‘Il n’y a d’autre recours pour se soustraire à une affreuse mendicité’.62 Het godshuis als laatste toevlucht

Naast het belang van andere argumenten voor waardigheid, suggereren de relatief hogere leeftijden van de verzoekers mogelijk een zekere weigerachtigheid ten opzichte van het inschakelen van het godshuis als overlevingsstrategie. In de vertogen wordt het godshuis inderdaad voorgesteld als het eindpunt van een lang proces waarin een veelheid aan opvangstrategieën was aangeboord. Slechts een beperkt deel (6 procent) van de vertogen doet dit echter op expliciete wijze door naar het godshuis te verwijzen als ‘laatste toevlucht’. Balthazar Van Herzeele bijvoorbeeld schreef ‘datter geenen anderen middel en is om te voorcomen sijne aenstaende armoede ten zij daerinne alsoo voorsien worde […] ter dien oorsaecke sijnen recours tot U Eerweerden wesende de beschermer der oude ende uijtgewerckte ambachtslieden’.63 Op deze manier voegde hij op retorische wijze een notie van dringendheid toe aan zijn verzoek. Maar nog meer dan letterlijk te verwijzen naar het godshuis als seule consolation, doen de verzoekers dit op impliciete wijze, door te verwijzen naar reeds uitgeputte alternatieven.64 Opnieuw krijgen we op deze manier inkijk in de invulling van het waardigheidsconcept. De verzoekers beschrijven immers die strategieën die acceptabel geacht worden te zijn. Zo geven ze uiting aan reeds bestaande verwachtingen tegenover armen en ouderen en hoe op eerbiedwaardige wijze het hoofd te bieden aan ouderdom en armoede. De voornaamst besproken opvangstrategieën zijn arbeid en familie en zullen in deze volgorde worden besproken.

In de verzoekschriften van de Brusselse ouderen wordt uitgebreid ingegaan op arbeid als belangrijkste inkomensbron. Meestal vinden deze vermeldingen plaats binnen een vertoog rond werkloosheid of werkonbekwaamheid. In 71 procent van de verzoekschriften zijn referenties naar arbeid als overlevingsstrategie aanwezig. Daarbij is het vooral de afwezigheid van werk of het verlies van de mogelijkheid tot werken die, in combinatie met uitgebreide omschrijvingen van de fysieke gesteldheid wordt beschreven. Zo verklaarde Jean François Flas ‘qu’il se trouve réduit a l’état du monde le plus misérable et le plus digne de compassion par un cataracte sur les yeux dont il n’a pas le moiens de se faire guérir cequi l’empêche de pouvoir travailler pour gagner la vie et le plonge dans la situation la plus affreuse que l’humanité puisse se représenter.65Armoede is in deze getuigenissen het rechtstreeks gevolg van dreigende of al ingetreden werkonbekwaamheid. Zo ook betekende het verlies van zijn zicht voor Henri De Ronde een verval in behoeftigheid: ‘maer vermits het gezigt hem teenemael komt t’ontbreken, redene hij ’t zelve [zijn beroep, schoolmeester, A.V.] heeft moeten verlaeten en alsoo den remonstrant zig alsnu tenemael onbequaem is bevindende om voorders uijt rede van zijn slap gezigt zijnen armen nooddrift en onderhoud te kunnen winnen.’66 Opvallend is ook de aanwezigheid van werkijver als argument. In 30 procent van de verzoekschriften neemt het argument werkijver een centrale plaats in. Zo schreef Gaspar Gaseler dat hij het onverdraaglijk vond dat hij ‘van alsnu naer veertigh jaeren neerstighlijk gewerckt te hebben als meester cleermaecker sigh alsnu aen eene kerckdeure te moeten stellen om sijn broodt te vraegen’.67 Ook Guilielmus De Craen prees zichzelf aan bij de bestuurders, beschrijvend hoe ‘hij tot hier toe getracht heeft aen sig ende aen sijne kinderen te besorgen hunnen noodigen onderhoudt ende sustentatie met dagelijks ende onophoudentlijck tot zin eyde te wercken ende te aerbeijden soo lange als sijne crachten het hem hebben toegelaeten.’ Dergelijke verklaringen werden in de mate van het mogelijke gestaafd door verklaringen van werkgevers. Arbeid en verantwoordelijkheid blijken belangrijke factoren voor de legitimering van iemands waardigheid. Dat de verzoekers zonder werk waren gevallen, was niet hun verantwoordelijkheid. Zo beklaagde Nicolaus Boterbergh zich geen inkomen meer te hebben ‘soo door de menighvuldigheijt van vreemdelingen als door de industrie der nieuwe modens die voor soo clijne ende geringen prijs ofte loon worden gemaeckt’.68

De verzoekers wezen de bestuurders ook op het tekortschieten van alternatieve opvangstrategieën. Belangrijk in dit opzicht is de plaats die familie innam in de vertogen. In 20 procent van de verzoeken, wordt op verschillende manieren melding gemaakt van familie als zorgkanaal. De tendens in deze vertogen is opnieuw de beperkte of langzaam uitgeputte draagkracht van deze kanalen. Joannes Leuninckx beschreef deze evolutie waarbij ‘sijne dochter haeren man komt te verliesen, […], door wie den verthoonder onderhouden werdt, maer nu hij ende sijne dochter met haere vier kinderen van alle levensmiddelen berooft sijnde, soo is’t dat hij om niet te vergaen in de uytterste Ellende sijnen toevlugt neemt tot uee.’69

Dyonisius Everaert beschreef hoe hij tot voor kort de zorg voor zijn dochter op zich nam, maar hoe de verhoudingen recent verschoven: ‘ende sijn broodt soo voor hem als voor eene gebreckelijcke dochter de welcke hij bij hem was hebbende te connen winnen, het ghene hem genootsaeckt heeft sigh bij zijnen sone te begeven, dogh alsoo den selven onvoorsien is van andere middelen als den selven stiel van kleermacker den welcken moet dienen soo tot sijnen onderhout als tot den ghenen van sijne vrouwe ende de selve gebreckelijcke suster […].’70Het overgrote deel van de vermeldingen omtrent familiale bijstand, verwijst ofwel naar het recente wegvallen (7 procent) of ontbreken (9 procent van alle verzoeken) ervan. In de overige gevallen (zes brieven in totaal) wijzen de verzoekers naar zichzelf als verstrekker van familiale bijstand. Ze benadrukken hun eigen goedhartigheid en hoe zij steeds hun verantwoordelijkheden opgenomen hadden ten opzichte van familieleden, zoals kinderen, maar ook ‘gebrekkelijke’ of ‘zinneloze’ broers of zussen alsook hun eigen bejaarde ouders. Op die manier presenteerden de bejaarde zichzelf als goede huisvader of attente zoon. Wanneer we de verzoekschriften waarin de bejaarden zichzelf als zorgverstrekker naar voor schuiven buiten beschouwing laten, hingen in totaal 18 procent van de verzoekschriften een vertoog op rond de afwezigheid van familiale bijstand. De verwachting van familie als zorgverlener lijkt tot op zekere hoogte levendig te zijn gebleven binnen de referentiekaders van de bejaarden, maar ook binnen het verwachtingspatroon van de instellingen, zoals het door de verzoekende bejaarden werd gepercipieerd.

Een deel van de verzoekschriften maakt daarnaast melding van een meer diverse reeks opvangstrategieën. Ook deze worden steeds als uitgeput opgevoerd. Enkele verzoekers (8) vermeldden geen spaargeld (meer) te hebben om op terug te vallen. Jean Joseph Estienne vertelde hoe ‘il ne lui a pas été possible d’épargner un sol pour ses vieux jours’,71 terwijl Laurentius Vleessens zich na de dood van zijn vrouw ‘voor wiens sieckte hij heeft moeten uijtgeven allen t’ gene hij te voren uijt sijne dagh­uren hadde konnen spaeren’ zich genoodzaakt zag tot het godshuis te wenden. 72 Naast spaargeld, boorden de bejaarden ook hun materiële bezittingen aan als bron van inkomsten. Franciscus De Neef beschreef ‘dat hij alle sijne meubelen ende effecten heeft moeten vercoopen om bij te leven’.73 Een enkeling gaf zelfs toe schulden te hebben opgelopen.74 Joannes De Bidou en Georges Segers zagen zich genoodzaakt hun huis te verlaten.75 Zulke argumenten zijn minder talrijk aanwezig, maar tonen, net als vermeldingen van arbeid en familiale bijstand, wel hoe een grote klemtoon werd gelegd op zelfredzaamheid. Ze zetten het laatste toevlucht-argument niet alleen kracht bij, maar presenteerden de verzoeker ook als een ondernemend individu dat ondanks de implementatie van allerhande strategieën toch aan armoede ten prooi was gevallen.

Het hoeft niet echt te verbazen dat de bejaarden in hun verzoekschriften inzetten op strategieën die als respectabel en algemeen aanvaard kunnen worden beschouwd. Toch zijn ook minder ‘waardige’ strategieën terug te vinden in de verzoekschriften. Het gaan in dit geval over bedelen. In een aantal (13) verzoekschriften wordt bedelen vermeld en dan wel op twee manieren. Enerzijds beschrijven enkele (3) bejaarden hoe ze van de straat moesten leven. In de andere gevallen komt de strategie op een heel andere manier voor. Deze verzoekers beschrijven vooral hoe indien de bestuurders niet tussenkomen ze genoodzaakt zullen zijn de straat op te gaan. Ze incorporeren bedelen als dreigement om hun verzoek kracht bij te zetten. Zo beschreef Paulus Cretsaert uitgebreid ‘dat hij sigh wel haest genoodt­saeckt sal vinden om sijn broodt om godtswille te moeten bedelen op de straeten ende aengesien dit wel eene droeve saecke is voor eenen oerelijcken borger van alsoo in sijnen hooghen ouderdom te moeten gaen bedelen.’76

Dezelfde afkeer van een noodgedwongen toevlucht tot de bedelpraktijk, vinden we bij Egidius Breel die ‘ende ten lesten genoodtsaeckt in sijn oude daeghen sijn brood verdraeghen het gene te pijnelijcken soude sijn aen eenen man die altijdt sijn besten heeft gedaen om eerelijck door den werelt te geraecken’.77 Het godshuis was hun laatste toevlucht en het enige wat kon voorkomen dat ze hun brood voortaan bijeen zouden moeten bedelen op de straat.

Al deze voorbeelden getuigen van een bewustzijn onder de verzoekers van welke opvangstrategieën al dan niet als waardig werden gepercipieerd. Anderzijds kunnen ze het argument dat godshuizen vooral aantrekkelijk waren voor de schamele armen die zich niet tot bedelpraktijken wilden verlagen, kracht bijzetten. Ook de afwezigheid van armenzorg als opvangkanaal in de vertogen kan hier een uiting van zijn. Geen enkele van de verzoekschriften maakt immers melding van bedelingen of andere vormen van bijstand van publieke overheid, noch private instelling. Anderzijds kan deze strategie ook uit tactische overwegingen weggelaten zijn. Bijdragen uit armenzorg zouden misschien de kans tot opname verkleinen. We kunnen ons echter ook de bedenking maken dat het verkrijgen van armenzorg als bewijs kon worden opgevoerd voor armoede en misschien zelfs waardigheid. De verzoeker werd immers reeds door een andere instantie erkend als arm en waardig.

‘Van goed gedrag en zedig leven’. Het karakter als argument

Hoewel er een grote variëteit bestond in de belevingen van godshuisbewoners, waren godshuizen over het algemeen normatieve instellingen waar het dagelijkse leven volgens strenge regels en gedragscodes werd georganiseerd.78 De verwachting dat er gebeden zou worden en de godshuisbewoners zich keurig zouden gedragen werd ook door Willem Bont gestipuleerd.79 De frequentie waarmee argumenten van goed gedrag en vroomheid aanwezig zijn in de vertogen suggereert dat de bejaarden de kracht van dit argument aanvoelden. In 17 procent van de verzoekschriften werd goed gedrag en/of religiositeit als argument door de auteurs zelf op expliciete wijze aangebracht (tabel 2). Carolus Pepin beschreef zichzelf bijvoorbeeld in de eerste plaats als ‘een eerelijck ende treffelijck man’.80 Een ander sprekend voorbeeld is Nicolaus Boterbergh die meende te behoren tot de groep ‘goede ende betaemde borgers exercerende de rooms catholijcke religie’.81 Veel vaker echter werden deze argumenten aangehaald aan de hand van verklaringen van goed gedrag, vroomheid of werkijver, geschreven door bijvoorbeeld werkgevers of pastoors. In 23 procent van de verzoekschriften werd het argument van goed gedrag of religiositeit op deze manier aangebracht. Guilielmus Vanden Houte wist twee personen in te schakelen die uitgebreid over zijn kwaliteiten wilden getuigen. Zo vertelde zijn werkgever hoe ‘hij hem eerlijck heeft gedraeghen, en godtvrughtig geleeft’ en in een tweede verklaring bij dezelfde brief ‘dat hij in maetigheyt, eenvoudigheyt, en Godtvruchtigheyt te bove gaet’. Daarbovenop had hij Baron Van Reynegom bereid gevonden in zijn voordeel te pleiten, die Guilielmus in de eerste plaats omschreef als ‘enen christenen ende eerelijck man’.82 Voor dit artikel hebben we ons voornamelijk gebaseerd op die verklaringen waarin de argumenten expliciet gemaakt worden, dus niet impliciet, zoals door bijvoorbeeld de toevoeging van een handtekening van een pastoor. Tot op zekere hoogte kunnen we dus verwachten dat deze cijfers een onderschatting zijn. De betekenis van zowel het argument goed gedrag als religiositeit waren voor de auteurs allicht nauw aan elkaar verbonden. Waarschijnlijk probeerden de verzoekers vooral hun vroomheid (christelijk gedrag) te beargumenteren, eerder dan hun lidmaatschap van de kerk. Religiositeit zelf werd immers in beperkte mate (in zes brieven) als opzichzelfstaand argument opgeworpen, terwijl evenveel brieven het argument religiositeit combineerden met dat van goed gedrag. Dat de nadruk vooral op zedig en eerlijk gedrag lag, blijkt uit het belang van het argument goed gedrag, dat in 22 brieven afzonderlijk werd aangebracht.

Waarschijnlijk vonden de verzoekers het belangrijker hun vroom karakter en goed gedrag te onderstrepen. Hun religiositeit an sich, namelijk het behoren tot een bepaalde geloofsgemeenschap, werd in zeker mate al geïllustreerd door de toevoeging van een doopbrief. Daarom werden bovenop deze religiositeit argumenten gestapeld van goed en dus vroom gedrag. Deze werden geacht het overtuigendst te zijn wanneer zij door derden werden aangebracht, getuige de vele toegevoegde verklaringen die net deze argumenten bepleitten. Beschrijvingen van goed en ‘heerlijck’ gedrag werden daarenboven ook regelmatig opgeworpen gelijktijdig met argumenten van werkijver. Joannes De Bidou verzekerde de bestuurders ‘dat hij den selven stiel [bakker] noijdt en heeft verontsaemt, t’zij door drincken of schincken83 en Michael Dirre beschreef hoe hij ‘sigh altijdt wel gecomporteert heeft alsoo oock seer kerckelijck is ende sijn uijttersten devoiren gedaen […] om eerelijck tot hier toe door desen werelt te geracken’.84 Samen lijken dus vooral argumenten van goed gedrag, werkijver – eerlijk werk – en vroomheid belangrijk te worden geacht om toegelaten te worden tot het godshuis, getuige de grote klemtoon die op deze argumenten wordt gelegd door de getuigen die werden ingeschakeld in het vertoog.

Bottom-up waardigheid, een complex construct

Aangezien alle voornoemde argumenten zelden op zichzelf stonden, verhinderen afzonderlijke beschouwingen een correct begrip van hun betekenis. Eerder wezen we al op het gecombineerd voorkomen van noties van goed gedrag, religiositeit en werkijver, maar ook beschrijvingen van werkijver en onbekwaamheid werden meestal gecombineerd. De kracht van het verzoekschrift zit daarom vooral in die wisselwerking tussen verschillende argumenten. Een eenvoudig voorbeeld illustreert dit goed.

Wanneer Paulus Cretsaert het Godshuis verzoekt om een plaats, schrijft hij het volgende: ‘ende aengesien dit wel eene droeve saecke is voor eenen oerelijcken borger van alsoo in sijnen hooghen ouderdom te moeten gaen bedelen soo dat hij vermeijnt in den cas te wesen van die persoonen voor de welcke de godtshuijsen gefondeert sijn te wesen eenen eerelijcken borger arm ende oudt onbequaem om sijnen cost te connen winnen oorsaecke van sijn onderdanigh recours tot U Eerweerde.’85

Cretsaert maakt in eenzelfde deel van zijn verzoek verschillende punten duidelijk. In de eerste plaats is hij een ‘oerelijcken burger’ die daarbij ook nog eens in hoge ouderdom verkeert. Hij voegt daaraan toe een eerlijk burger te zijn die niet alleen arm en oud is, maar daardoor ook onbekwaam zijn kost te winnen. Daarnaast geeft hij blijk van een zekere schending van zijn eerzaamheid als goede een eerlijke burger wanneer hij spreekt over de dreiging terug te moeten vallen op bedelpraktijken.

Tabel 4 Relatief aandeel van gecombineerde argumenten per verzoekschrift in verhouding tot het totaal aantal verzoekschriften in procent (N=203)

Ouderdom en/of werkonbekwaamheid Burgerschap Vrijgekomen plaats Werkijver Goed gedrag en/of religiositeit Eer/afkomst Laatste toevlucht
92 52 45 30 17 14 6
Ouderdom en/of werkonbekwaamheid 92 49 41 31 16 13 6
Burgerschap 52 49 23 16 9 6 2
Vrijgekomen plaats 45 41 23 13 7 8 4
Werkijver 30 31 16 13 9 5 1
Goed gedrag en/of religiositeit 17 16 9 7 9 3 1
Eer/afkomst 14 13 6 8 5 3 1
Laatste toevlucht 6 6 2 4 1 1 1

Bron: OAB, HdDA, inv. nr. H881.

Tabel 4 toont het aantal gecombineerde argumenten per verzoekschrift in verhouding tot het totaal aantal verzoekschriften. Hierin zijn enkel de expliciete argumenten voor waardigheid opgenomen, dus niet de implementaties van sociaal kapitaal via bijgevoegde documenten, maar evenmin bijvoorbeeld de vermelding van uitgeputte overlevingsstrategieën om het laatste toevlucht-argument kracht bij te zetten. De eerste kolom en rij geven het totale voorkomen weer van elk afzonderlijk argument in verhouding tot het totaal aantal verzoekschriften in procent. Op die manier kan ook gekeken worden naar het belang van bepaalde combinaties in verhouding tot het algemene belang van de argumenten die worden gecombineerd. Zo zien we bijvoorbeeld dat 92 procent van alle verzoekschriften het argument ouderdom en/of werkonbekwaamheid werd gemaakt. In 29 procent van alle verzoekschriften werd dat argument aangebracht in combinatie met het argument werkijver. Dus, in ongeveer een derde van de gevallen waarin de verzoekers hun ouderdom en/of werkonbekwaamheid als argument aanbrachten, beargumenteerden ze gelijktijdig hun werkijver. De argumenten zijn gerangschikt naargelang hun relatieve aandeel binnen het totaal aantal verzoekschriften, dat wil zeggen van groot naar klein. De argumenten ‘ouderdom’, ‘werkonbekwaamheid’ en ‘ouderdom en werkonbekwaamheid’ uit tabel 2 zijn in tabel 4 samengenomen onder de noemer ‘ouderdom en/of werkonbekwaamheid’, net als de argumenten ‘goed gedrag’, ‘religiositeit’ en ‘goed gedrag en religiositeit’ uit tabel 2 die in tabel 4 vermeld staan als ‘goed gedrag en/of religiositeit’.86 Zo kunnen argumenten van dezelfde aard op systematische wijze samen worden geanalyseerd. Aangezien de gelijksoortige argumenten ‘goed gedrag’, ‘religiositeit’ en ‘goed gedrag en religiositeit’ afzonderlijk in respectievelijk 11,3 en 3 procent van de verzoekschriften voor komen (tabel 2), beslaan ze samengenomen in totaal wel 17 procent van alle verzoekschriften (tabel 4).

In de eerste plaats valt op dat, hoewel er over het algemeen een grote verscheidenheid is aan combinaties, minder frequent voorkomende argumenten, zoals ‘goed gedrag en/of religiositeit’, ‘eer/afkomst’ en ‘laatste toevlucht’ vooral gecombineerd werden met zeer frequente argumenten zoals vooral ‘ouderdom en/of werkonbekwaamheid’, maar ook ‘burgerschap’ en ‘vrijgekomen plaats’. Waar zo goed als al deze kleinere argumenten met ‘ouderdom en/of werkonbekwaamheid’ en werden gecombineerd, zijn er veel minder verzoekschriften waarin kleinere argumenten onderling worden gecombineerd. Rekening houdende met het overwegende belang van argumenten rond ouderdom en werk­onbekwaamheid binnen de verzoekschriften, toont dit hoe deze kleine argumenten vooral als extra overhaalmethode werden toegevoegd. Bijna alle verzoekers hadden immers hun oude leeftijd en zwakke fysieke toestand gemeen. Dergelijk hoge onderlinge concurrentie resulteerde in een complexer uitgebouwde argumentatie. Hoewel argumenten als het statuut van burger, goed gedrag, werkijver, et cetera in absolute aantallen minder aanwezig waren, deed net de alomtegenwoordigheid van een argument als ouderdom of werkonbekwaamheid het gewicht van extra argumenten vermoedelijk toenemen. Deze tendens tot combineren van schijnbaar primaire argumenten (ouderdom en onbekwaamheid) met extra argumenten suggereert dit. Het waardigheidsconcept was een complex, ambigu en moeilijk definieerbaar begrip. Bijgevolg bouwden de individuele verzoekers een eigen vertoog uit waarin ze een zeer individuele invulling aan de hand van complexe combinaties van een veelheid aan argumenten gaven. Hoewel er een zekere verinnerlijking was van bepaalde essentiële aspecten van een waarschijnlijk breed gedragen opvatting van waardigheid, beargumenteerden de bejaarden hun waardigheid op verschillende complexe manieren.

Daarenboven is uit de talrijke voorbeelden gebleken hoe de bejaarden in deze studie zeer strategische vertogen schreven en een grote durf voor de dag legden. Zo wisten de verzoekers in hun vertogen sentimentele beschrijvingen te combineren met andere argumenten die niet rechtstreeks relateren aan de toelatingsvoorwaarden of waardigheid. Zo alludeerden ze op hun naderende levenseinde, wezen sommigen op hun recht op bijstand en de plicht van de bestuurders hen te helpen. De verzoekers geven de indruk zich bewust te zijn van hun waardigheid en de precieze argumenten waarop deze waardigheid gebaseerd is, zoals uit de besproken voorbeelden mag blijken. Daarenboven werden retorische strategieën vaak ontwikkeld over een reeks brieven, zoals hoger besproken. Alexander van den Zijpe, richtte zijn verzoek maar liefst acht keer tot het Godshuis der Twaalf Apostelen en werd uiteindelijk ook toegelaten.

Conclusie

Uit wat voorafging is gebleken dat de verzoekende bejaarden op verschillende manieren en vaak heel zelfbewust inspeelden op de verwachtingspatronen van de bestuurders van het Godshuis der Twaalf Apostelen. De argumenten in hun vertogen hebben enerzijds betrekking op de specifieke toelatingsvoorwaarden van het Godshuis, zoals deze door de verzoekers werden geanticipeerd, maar refereren ook naar breder gedragen noties van waardigheid. Deze noties tonen dat het concept in laat-achttiende-eeuws Brussel evenzeer van onderuit begrepen maar ook ingevuld werd.

Essentieel voor de constructie van de waardigheid van de verzoekers is het lokale en sociale toebehoren tot een bepaalde in-group. De verzoekers beantwoorden in zekere mate aan het veronderstelde profiel van de godshuisbewoners als schamele armen, zoals het geschetst wordt door onder andere Masure en Looijesteijn. Waarschijnlijk waren de ouderen die in de omgeving van het godshuis woonden goed op de hoogte van de bestemming van de instelling en eventueel geldende toelatingsvoorwaarden, waardoor een a priori selectie lijkt te hebben plaatsgevonden van wie zijn kansen hoog genoeg achtte om het godshuis effectief aan te schrijven, namelijk aan armoede ten prooi gevallen ambachtslieden die het godshuis in haar richtlijnen voorop had gesteld op te vangen. Verschillende andere statusoverwegingen lijken ook een rol te hebben gespeeld en dragen bij aan het imago van de godshuisbewoner als schamele arme, namelijk het grote aandeel van meesters onder de verzoekende ambachtsmannen, maar ook het belang dat de verzoekers vestigden op burgerschap in een poging hun toebehoren tot de stedelijke gemeenschap te onderstrepen. Hun sociale positie blijkt ook uit de verschillende manieren waarop de ouderen sociaal kapitaal wisten te mobiliseren om hun verzoek meer kracht bij te zetten via aanbevelingen of verklaringen en doopbrieven, maar ook om informatie in te winnen over het reilen en zeilen binnen de godshuismuren.

Het belangrijkste argument dat deze schamele armen ontwikkelden in hun vertoog berustte op twee pijlers, namelijk hun werkonbekwaamheid en de armoede die daaruit volgde. Hoewel het godshuis uitsluitend voorbestemd was voor bejaarde mannen en de meeste verzoekers de vereiste minimumleeftijd ver voorbij waren, zetten de verzoekers eerder de biologische aspecten van hun ouderdom in de verf, dan hun chronologische leeftijd. De fysieke ongemakken en kwalen waarmee ze geconfronteerd werden en de werkonbekwaamheid die daarmee gepaard ging stond centraal in hun vertogen. Waarschijnlijk waren deze argumenten van grotere waarde in het beargumenteren van hun geschiktheid dan hun numerieke leeftijd an sich, hoewel de toevoeging van doopbrieven toont dat het merendeel het wel belangrijk vond een leeftijdsbewijs voor te kunnen leggen. De verzoekers begrepen dat een plaats in het godshuis zelden louter op basis van leeftijd toegekend werd, maar op basis van armoede ten gevolge van fysieke werkonbekwaamheid die dan weer het gevolg was van ouderdom. Anderzijds kan er onder fysiek bekwame ouderen een zekere weigerachtigheid hebben bestaan de individuele autonomie en vrijheid op te geven voor een plaats in het godshuis, zolang dit lichamelijk gezien nog niet nodig was. Eveneens cruciaal in de vertogen was het belang van de individuele verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid als argument voor waardigheid. Dit blijkt vooral uit de beschrijvingen van alternatieve, maar uitgeputte, opvangkanalen, waarbij arbeid een alomtegenwoordige rol speelt. Samen met de beargumentering van hun geschiktheid op basis van armoede, proberen de verzoekende bejaarden te staven hoe zij zich zo lang mogelijk en in de mate van het mogelijke op eigen houtje hebben proberen behelpen. Impliciet proberen de verzoekers aan te tonen dat de verantwoordelijkheid voor hun armoede niet bij hen ligt. De opvangstrategieën die zij in dit opzicht aanhalen geven opnieuw een beeld van welke strategieën over het algemeen als waardig werden aanvaard, namelijk sparen, verkopen van bezit, maar ook familiale solidariteit. Ongewenste strategieën worden in mindere mate als argument geïmplementeerd, maar de dreiging ermee dient in die gevallen wel als retorisch instrument. In dit opzicht passen hun vertogen binnen het discours van de zogenaamde schamele armen.

Het waardigheidsconcept was een complex, ambigu en moeilijk definieerbaar begrip dat aan de hand van verschillende aspecten beargumenteerd werd. Uit deze studie blijkt het belang van werkonbekwaamheid in de eerste plaats en het morele belang van zelfredzaamheid door middel van verschillende waardige opvangstrategieën. De sterke aanwezigheid van deze argumenten hadden een grote individuele differentiatie en complexiteit van de argumentatie als gevolg. Bovenop deze alomtegenwoordige primaire argumenten stapelden zich secundaireargumenten omtrent gedrag, werkijver en religiositeit. Zo komen uit de vertogen complexe noties van waardigheid naar boven die individueel verschillend zijn, hoewel bepaalde concepten inherent met elkaar verbonden blijken, zoals werkonbekwaamheid en werkijver. De bestudeerde vertogen getuigen van differentiële noties van waardigheid, die een grote mate van continuïteit vertonen met de invulling die doorheen het hele Ancien Régime aan het begrip is gegeven. Binnen deze gedeelde invulling van het concept, vond echter ook een individuele constructie van de eigenwaardigheid plaats. De ouderlingen blijken op de hoogte van de normen en verwachtingen van de godshuisbestuurders en gebruiken deze kennis om hun claims te vestigen. De verzoekers slaagden erin het waardigheidsconcept en haar argumenten in zekere mate mee te construeren door via hun vertogen en klemtonen. Ze voegen daarbij ook eigen argumenten voor inclusie toe, zoals de nabijheid van hun levens­einde, maar ook de plichten van het bestuur en de bestemming van het godshuis. Het kan nodig zijn om in later onderzoek deze bevindingen te vergelijken met andere momentopnamen om zo de evoluties en continuïteiten van de betekenis van het begrip voor heel tijdens het Ancien Régime te belichten.

Over de auteur

Anke Verbeke (1994) is doctoraatsstudent aan de Vrije Universiteit Brussel en het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen. Haar onderzoek spitst zich toe op de invloed van structurele sociale, economische en institutionele verschuivingen op de individuele handelsvrijheid, het weerstandsvermogen en de overlevingsstrategieën van arme ouderen in Brussel, Antwerpen en Gent tussen 1750 en 1850.

E-mail: Anke.Verbeke@vub.be

1S.R. Ottaway, L.A. Botelho en K. Kittredge (eds.), Power and poverty. Old age in the pre-industrial past (Westport 2002); S.R. Ottaway, The decline of life. Old age in eighteenth-century England (Cambridge 2009); G.R. Boyer, ‘ “Work for their prime, the workhouse for their age”. Old age pauperism in Victorian England’, Social Science History 40 (2016) 3-32; J. Zuijderduijn, ‘ “Good, fresh air and an expert medical service”. Old age pensioners in Leiden’s St. Hiëronymusdal retirement home, sixteenth century’, The History of the Family 21 (2016) 195-213; S. Richelle, ‘L’hospice par ses vieillards. Représentations et conditions d’expérience à l’hospice Saint-Jean (Luxembourg, 19e siècle)’, Hémecht. Revue d’histoire Luxembourgeoise – Transnationale, Locale, Interdisciplinaire 68 (2016) 89-111; A. Boele en T. De Moor, ‘ “Because family and friends got easily weary of taking care”. A new perspective on the specialization in the elderly care sector in Early Modern Holland’, The Economic History Review 71 (2017) 437-463. 

2E. Bulder, The social economics of old age. Strategies to maintain income in later life in the Netherlands 1880-1940 (West Lafayette 1993); A. Boele, T. De Moor en A. Bouman, ‘Commerciële huishoudens? De gevolgen van het Europese huwelijkspatroon en de inzet van niet-familiale hulp als overlevingsstrategie voor ouderen in het vroegmoderne Holland (casus: Leiden)’, in: I. Devos, K. Matthijs en B. Van de Putte (eds.), Kwetsbare groepen in/en historische demografie (Leuven 2014) 21-46. 

3S. Richelle, ‘The elderly poor, or poor elderly. Old age in nursing homes, old age on the margins?’, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 46 (2016) 85-104; K. Overlaet en H. Masure, ‘Family matters? Zorgbehoevende ouderen in het zestiende-eeuwseMechelen’, Jaarboek de Zeventiende Eeuw (2017) 55-72. Zie ook de andere bijdragen aan Jaarboek de Zeventiende Eeuw. 

4P. Bonenfant, Le problème du paupérisme en Belgique à la fin de l’Ancien Régime (Brussel 1934) 135. 

5Bonenfant, Le problème, 103-109 en 251; C. Lis en H. Soly, Poverty and capitalism in pre-industrial ­Europe (Brighton 1979) 80-96; R. Jütte, Poverty and deviance in Early Modern Europe (Cambridge 1994) 100-124. 

6Bonenfant, Le problème, 81; M.H.D. van Leeuwen, The logic of charity. Amsterdam, 1800-1850 (Londen 2000) 46-60. 

7Immers, ‘no one could blame them for their failing physical abilities, for their loss of labour or their eventual need of aid: they were poor through no fault of their own. The elderly formed along with ­widows and orphans, a trinity of worthy poor’, aldus Botelho; L.A. Botelho, Old age and the English poor law, 1500-1700 (Woodbridge 2004) 104. 

8Jütte, 100-124; Lis en Soly. 

9Botelho, Old age, 154. 

10 K.A. Lynch, ‘Social provisions and the life of civil society in Europe. Rethinking public and private’, Journal of Urban History 36 (2010) 285-299. 

11 T. Sokoll, ‘Negotiating a living. Essex pauper letters from London, 1800-1834’, International Review of Social History 45 (2000) 19-46; T. Hitchcock, ‘A new history from below’, The History Workshop Project 57 (2004) 294-298. 

12 A. Gestrich, E. Hurren en S. King, ‘Narratives of poverty and sickness in Europe 1780-1938. ­Sources, methods and experiences’, in: Idem (eds.), Poverty and sickness in Modern Europe. Narratives of the sick poor (Londen 2012) 1-33, 2-3; S. King, ‘Pauper letters as a source’, Family and Community History 10 (2007) 167-170; Gestrich, Hurren en King, Poverty and sickness, 2-3. 

13 S. King, ‘Friendship, kinship and belonging in the letters of urban paupers 1800-1840’, Historical Social Research 33 (2008) 249-277; S. King, ‘ “I fear you will think me too presumptuous in my demands but necessity has no law”. Clothing in English pauper letter, 1800-1834’, International Review of Social History 54 (2009) 207-236; T. Sokoll, ‘Negotiating a living’, 19-46, 33; Gestrich, Hurren en King, Poverty and sickness, 25. 

14 Botelho, Old age, 104. 

15 Verzoekschrift van Petrus Polspoel, circa 1770, ocmw-archief Brussel (oab), Hospice des Douze Apôtres (HdDA), inv. nr. H881. 

16 P. Bonenfant, Hôpitaux et bienfaisance publique dans les anciens Pays-Bas: des origines à la fin du xviii siècle (Brussel 1966) 46; T. Jacobs, ‘L’hôpital dans les villes du Brabant (1100-1450). Usages politiques, sociaux et économiques d’un phénomène urbain’. Onuitgegeven doctoraatsverhandeling (Université Libre de Bruxelles 2017); Idem, ‘Des hôpitaux de métiers à Bruxelles? Nouvelles perspectives sur la charité et la bienfaisance en milieu urbain à la fin du Moyen Âge’, Revue Belge de Philologie et d’Histoire 91 (2013) 215-255. 

17 J.T. Raadt, ‘La Maison des Douze-Apôtres à Bruxelles’, Annales de La Société d’Archéologie de Bruxelles. Mémoires, Rapports et Documents 5 (1891) 455-473, 456; C. Dickstein-Bernard, ‘Paupérisme et secours aux pauvres à Bruxelles au xve siècle’, Revue Belge de Philologie et d’Histoire 55 (1977) 390-415, 397-398. 

18 H. Looijesteijn, ‘Funding and founding private charities. Leiden almshouses and their founders, 1450-1800’, Continuity and Change 27 (2012) 199-239, 224. 

19 N. Goose en H. Looijesteijn, ‘Almshouses in England and the Dutch Republic circa 1350-1800. A comparative perspective’, Journal of Social History 45 (2012) 1049-1073, 1055. 

20 Bonenfant, Le problème, 81-82; Bonenfant, Hôpitaux, 37. 

21 N. Goose en H. Looijesteijn, ‘Almshouses’, 1052. 

22 Bonenfant, Le problème, 205. 

23 A. Nicholls, Almshouses in Early Modern England. Charitable housing in the mixed economy of welfare, 1550-1725 (Martlesham 2017) 90-187. 

24 M. Van Calster, De materiële verzorging van de bewoners van de Antwerpse godshuizen op het einde van de achttiende eeuw (Brussel 1992) 24-40; H. Hendrickx, No fool like an old fool. Vergelijkende studie van twee godshuizen te Leuven en twee godshuizen te Mechelen tussen 1718 en 1753 (Brussel 1993) 57-65. 

25 Bonenfant, Hôpitaux, 37. 

26 Bonenfant, Hôpitaux, 43. 

27 De straat werd in 1382 nog ‘vico existente prope domum Dei de Archa quo itur versus atrium Sancti martini’genoemd maar heeft waarschijnlijk later de naam van het godshuis overgenomen. M. Tasiaux, L’hospice Terarken à Bruxelles des origines à 1386 (Brussel 1979) 45.  

28 De Raadt, ‘La maison’, 472. 

29 P. Hautain, Het domein, de sociale en de financiële politiek van het Brusselse godshuis der Twaalf Apostelen, 1497-1793 (Leuven 1986) 148-149. 

30 C. Vandenbroeke, ‘Werkinstrumenten bij een historische en sociaal-economische sythese 14de-20ste eeuw’, in: I. Devos en T. Lambrecht (eds.), Bevolking, voering en levensstandaard in het verleden. Verzamelde studies van Prof. dr. Chris Vandenbroeke (Gent 2004) 157-171, 167. 

31 J. Craeybeckx, ‘De prijzen van graan en van brood te Brussel (1501-1795)’, in: C. Verlinden en J. Craey­beckx (eds.), Dokumenten voor de geschiedenis van prijzen en lonen in Vlaanderen en Brabant (xve-xviiie eeuw), vol. 1 (Brugge 1959) 481-503, 495. 

32 De Raadt, ‘La maison’, 456-458. 

33 In haar onderzoek naar godshuizen in Engeland, beschrijft Nicholls hoe deze niet zelden in de buurt van kerken werden gebouwd, wat de bewoners vergemakkelijkte deel te nemen aan de liefdadige bedelingen daar. Nicholls, Almshouses, 143. 

34 De Raadt, ‘La maison’, 456-458. 

35 Nicholls, Almshouses, 126-136. 

36 Verzoekschrift van Petrus Polspoel, 1770, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

37 Bonenfant, Le problème, 201-204. 

38 De Fondation Vanderhaegen (1), het Godshuis Saint-Christophe (12), het Hospice du Calvaire et des petits Chanoines (6) en het Godshuis der Twaalf Apostelen (13 plaatsen). J.-F. Vander Rest, Aperçu historique sur les établissements de bienfaisance de la ville de Bruxelles (Brussel 1860) 118-119. 

39 De Belder wees er reeds op dat deze cijfers een onderschatting zijn. J. De Belder, Elementen van sociale identificatie van de Antwerpse bevolking op het einde van de xviiide eeuw. Een kwantitatieve studie. Doctoraatsverhandeling (Gent 1974). 

40 Voor het Godshuis der Twaalf Apostelen leverde de verkoop van bezittingen van overleden bewoners 1,65 procent van de inkomsten op. Hautain, Het domein, 65. 

41 De Raadt, ‘La maison’, 456. 

42 Goose en Looijesteijn, ‘Almshouses’, 1056; Looijesteijn, ‘Funding and founding’, 224. 

43 Brieven werden zelden gedateerd en dateringen zijn daarom dikwijls bij benadering. Voor de datering werd voorrang gegeven aan 1° de datering van het verzoekschrift, 2° de datering van toegevoegde verklaringen, 3° een datering bij benadering op basis van het doopjaar en de vermelde leeftijd van de verzoeker. 

44 King, ‘Friendship’, 253. 

45 Zie voor een analoge argumentatie ook: King, ‘Friendship’, 253. 

46 Omgekeerd is voor 80 procent van de uiteindelijk toegelaten bejaarden tussen 1750 en 1797 een verzoekschrift bewaard. 

47 Verzoekschrift van Carolus Pepin, circa 1780, oab, Hospice des Douze Apôtres (HdDA), inv. nr. H881. 

48 Verzoekschrift van Balthazar van Herzeele, 1780, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

49 Hautain, Het domein, 142. 

50 Verzoekschrift van Gaspar Steenkist, circa 1755, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

51 Verzoekschrift van Stephanus Piron, circa 1771, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

52 Verzoekschrift van Franciscus Vander Zijpen, 1775, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

53 Verzoekschrift van Gerardius Jacobts, 1794, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

54 Hautain, Het domein, 143. 

55 Verzoekschrift van Johannes Van der Vinnen, 1787, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

56 Verzoekschrift van Anonius Van Bersel, 1767, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

57 Verzoekschrift van Henricus De Rauw, 1757, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

58 Verzoekschrift van Franciscus Van der Zijpen, 1775, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

59 Verzoekschrift van Petrus Polspoel, circa 1770, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

60 Verzoekschrift van Jean De Ré, 1794, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

61 Verzoekschrift van Nicolaus De Graef, 1788, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

62 Verzoekschrift van François Louis Hennault, 1787, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

63 Verzoekschrift van Balthazar Van Herzeele, 1780, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

64 Verzoekschrift van Antoine Pierlot, circa 1794, oab; HdDA, inv. nr. H881. 

65 Verzoekschrift van Jean François Flas, 1775, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

66 Verzoekschrift van Henri De Ronde, circa 1790, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

67 Verzoekschrift van Gaspar Gaseler, 1760, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

68 Verzoekschrift van Nicolaus Boterbergh, 1757, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

69 Verzoekschrift van Joannes Leuninckx; 1775, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

70 Verzoekschrift van Dyonisius Everaert, circa 1774, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

71 Verzoekschrift van Jean Joseph Estienne, 1790, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

72 Verzoekschrift van Laurentius Vleessens, 1785, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

73 Verzoekschrift van Franciscus De Neef, 1773, oab, inv. nr. H881. 

74 Verzoekschrift van Emmanuel De Prez, circa 1770, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

75 Verzoekschriften van Joannes De Bidou, circa 1772 en Georges Segers, circa 1751, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

76 Verzoekschrift van Paulus Cretsaert, 1761, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

77 Verzoekschrift van Egidius Breel, 1768, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

78 Nicholls, Almshouses, 126-136. 

79 Raadt, ‘La maison’, 456-458. 

80 Verzoekschrift van Carolus Pepin, circa 1780, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

81 Verzoekschrift van Nicolaus Boterbergh, 1757, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

82 Verzoekschrift van Guilielmus Vanden Houte, 1768, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

83 Verzoekschrift van Joannes De Bidou, circa 1772, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

84 Verzoekschrift van Michael Dirre, 1766, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

85 Verzoekschrift van Paulus Cretsaert, 1761, oab, HdDA, inv. nr. H881. 

86 Aangezien sommige documenten meerdere argumenten combineerden en eenzelfde argument dus in combinatie met meerdere andere argumenten binnen hetzelfde document kon voorkomen, is het totaal aantal combinaties per argument nooit gelijk aan 100 procent.