‘Van den vleeschouweren oft pensvrouwen’

De economische mogelijkheden voor vrouwen in het Leuvense vleeshouwersambacht in de vijftiende en zestiende eeuw

Nena Vandeweerdt

tseg 15 (1): -26

doi: 10.18352/tseg.1004

Abstract

This article examines women’s agency in the butcher’s guild in Leuven during the fifteenth and sixteenth centuries. An analysis of urban ordinances demonstrates that the corporation allowed women of various marital status to work in the trade. Married women acted frequently as active substitutes of their husbands or as part of a family production unit. Unmarried women, most often widows, were allowed to perform certain tasks independently. This contrasts with findings in earlier studies about gendering in butchers’ guilds in other towns. I argue that the changing hered­itary character of the corporation influenced women’s agency in the trade.

Inleiding

Van den vleeschouweren oft pensvrouwen die nae malcanderen ende andere goede luyden worpen met beenen, steenen ende anders malcanders goet mesprijsen, den goeden luyden die hen nae haeren willen nyet en bieden naeroepen ende beschamen, deen des anders bancken ommerwerpen oft onreyn maken […].1

Volgend op deze ‘onmanierlijckheyt’ in het plaatselijke vleeshuis vaardigde de Leuvense stadsraad in 1593 een ordonnantie uit om dergelijke wanpraktijken in de toekomst te vermijden. Kennelijk hadden de verkopers beenderen en stenen naar elkaar geworpen, een praktijk waaraan het stadsbestuur voortaan paal en perk wilde stellen. De ordonnantie biedt een interessante kijk op de zorgen die de vleeshandel het stadsbestuur bracht. Ze schetst hoe sommige zestiende-eeuwse vleeshouwers omgingen met klachten en concurrentie bij hun verkoopactiviteiten. Maar meer nog dan dat illustreert deze ordonnantie dat er plaats was voor vrouwen in deze mannenwereld, aangezien de stadsraad expliciet ‘pensvrouwen’ liet optekenen in de formulering. Het is deze thematiek, de positie van de vrouw in het Leuvense beenhouwersambacht in de vijftiende en zestiende eeuw, die ik in dit artikel zal onderzoeken. De agency van vrouwen was beperkt in deze periode, maar in Leuven genoten ze blijkbaar toch een zekere vrijheid die de stad opmerkelijk en afwijkend maakt ten opzichte van andere casussen.2 Eerder dan te focussen op het geweld tussen de Leuvense ‘pensvrouwen’, zal ik in dit artikel scherpstellen op de aanwezigheid in en verregaande participatie van vrouwen aan het ambacht die eraan ten grondslag lag – en dat aan de hand van een onderzoek van voornamelijk stadsordonnanties.

Behalve van de deelname van vrouwen aan de vleeshandel geven deze bronnen ook blijk van hun wisselend belang binnen dit ambacht. De verandering in de agency van vrouwen vormt al lang een controverse in het onderzoek naar hun economische positie in het Ancien Régime. Verschillende historici beweren dat vrouwen het steeds moeilijker kregen om zich economisch te manifesteren vanaf de veertiende of vijftiende eeuw. De toenemende invloed van ambachtsorganisaties wordt doorgaans als oorzaak voor deze verandering aangeduid. Het Leuvense vleeshouwersambacht beperkte weliswaar de bewegingsruimte van vrouwen, maar dergelijke normatieve restricties leken weinig invloed te hebben op lange termijn. De bronnen schetsen namelijk een toegenomen arbeidsactiviteit van vrouwen binnen dit ambacht vanaf 1450. In dit artikel argumenteer ik dat de oorzaak daarvoor eerder ligt bij de afnemende exclusiviteit van het beenhouwersambacht dan bij een algemene kanteling van de positie van vrouwen in de stedelijke samenleving. Een focus op de ruimtelijke indeling van de vleeshandel in Leuven helpt bij deze opzet. Door de gendering van de stedelijke marktruimte in kaart te brengen is het namelijk mogelijk de agency van vrouwen te bestuderen. Het eerste deel van dit artikel zal dieper ingaan op de Leuvense casus en de gebruikte bronnen. Vervolgens zullen de twee relevante historiografische thema’s worden weergeven; namelijk het debat rond de veranderende positie van vrouwen in de late middeleeuwen en vroegmoderne periode en de specifieke kenmerken van het beenhouwersambacht in verschillende Europese steden. Ten slotte zal ik mijn onderzoeksresultaten presenteren in drie luiken. Ten eerste bied ik een overzicht van de mogelijkheden die vrouwen met een verschillende familiale status hadden in het Leuvense beenhouwersambacht. Daarna bekijk ik hun agency vanuit een ruimtelijk standpunt. Na deze analyses geef ik in een derde luik mijn visie op de eerder besproken decline-thesis.

De Leuvense stadsraad en de ordonnantieboeken

Leuven was de hoofdstad van één van de vier kwartieren in het middeleeuwse hertogdom Brabant. Tot de vijftiende eeuw was het de hoofdstad waar het residentiële paleis van de hertog van Brabant lag.3 Samen met het schepencollege vormde de stadsraad het belangrijkste bestuursorgaan van de stad. Deze raad vaardigde de ordonnanties uit die voor dit artikel werden geanalyseerd. In de vijftiende eeuw bestond de raad uit 21 gezworenen, waarvan elf afkomstig uit de Leuvense patricische geslachten en tien uit de ambachten, die in Leuven uitzonderlijk veel politieke macht hadden verworven sinds de periode 1360-1383. De ongeveer 40 Leuvense ambachten waren onderling opgedeeld in tien ambachtsnaties, die de corporaties politiek vertegenwoordigden. De vleeshouwers vormden samen met de vissers één van die tien naties die een raadslid aanstelden.4 Het vleeshouwersambacht had dus steeds rechtstreeks inspraak in de beslissingen van de stadsraad, die betrekking hadden op het dagelijkse leven in de stad.5 De ambachten hadden in Leuven echter meer dan enkel medezeggenschap in de raad zelf. Verschillende ordonnanties werden opgesteld op verzoek van de ambachten, en nadien goedgekeurd door de stadsraad, zeker wanneer het interne kwesties betrof.6 De mening van de corporaties woog dus zeker mee bij de besluitvorming in de Dijlestad.7

De economische situatie van Leuven was in de vijftiende eeuw niet meer zo voorspoedig als in de voorafgaande eeuwen. In de slotperiode van die eeuw stond de stad aan het einde van een voortslepende crisis. Pestuitbraken, hongersnoden en schaarste speelden de Leuvense economie parten, net als langdurige politieke onrusten. Daarenboven raakte de belangrijke lakenindustrie vanaf het einde van de veertiende eeuw in verval.8 Toch vergt dit pessimistische beeld enige nuance. Leuven telde gedurende de gehele vijftiende eeuw een bevolkingsaantal van ongeveer 17.000 inwoners en vormde dus een middelgrote stad in de Lage Landen.9 De Dijlestad behield ook een blijvende economische en juridische invloed op het ommeland, de vrijheid van Leuven.10 Een ordonnantie uit 1424 stipuleert bijvoorbeeld dat:

[…] nyemand, man noch wijf, wie hi sij, denghenen die visch, harync of botsoren te Lovene te coepe brengen of doen brengen, […] deraen staen opte vischmarct noch esswaer om te coepen voer der tijt dat tgoet op te vischmarct afgeset ende ontladen sal sijn.11

De vismarkt bleef een centrale marktplaats voor inwoners van de hele vrijheid. De stichting van de universiteit bracht in de vijftiende eeuw bovendien een meer welgestelde bevolkingsgroep naar Leuven.12

Martha Howell stelt over het huishouden in een dergelijke secundaire stad: ‘[…] it was small and was headed by a nuclear couple who had first married rather late and at about the same age […]’. Het gezin vormde er een productie-eenheid en was er de drijvende spil.13 Onder meer economische noodzaak verklaart in deze logica de aanwezigheid van vrouwen in het ambacht. Maar het was geen voldoende oorzaak, aangezien de participatie van vrouwen in andere steden geringer leek dan in Leuven. Wellicht leidde het karakter van de Leuvense ambachten tot een sterke participatie van vrouwen. De ambachten waren er dan wel erg belangrijk, maar waren niet zo exclusief als bijvoorbeeld hun Gentse tegenhangers. Het lidmaatschap van verschillende corporaties, waaronder het beenhouwersambacht, kon in tegenstelling tot in andere steden nooit louter door vererving worden verkregen. Mannen oefenden wel de hoogste functies in de beroepen uit, maar vrouwen waren eveneens erg actief en ze waren dan ook alomtegenwoordig in de alledaagse marktruimte.

Het Leuvense bronnenbestand kent zijn beperkingen, maar de stadsordonnanties en kopieën ervan in ambachtsboeken maken het mogelijk een normatief kader te schetsen van de gendering in het Leuvense vleeshouwersambacht. Bij de analyse van deze bronnen komen wel enkele complicaties kijken. De ordonnanties schrijven een bepaalde norm voor, maar laten niet toe om kwantitatieve gegevens over het aantal vrouwen in het ambacht te achterhalen. Evenmin geven ze een gedetailleerde beschrijving van de sociale of familiale context van de vrouwen. Toch is het mogelijk een representatie van de praktijk te geven op basis van een diepgaande analyse van de ordonnanties. Peter Stabel stelde reeds dat de herhaling van bepaalde verordeningen aantoont dat de daarin vermelde praktijken wel degelijk voorkwamen.14 Daarnaast haken de verbodsbepalingen vaak in op concrete zaken die zich in de praktijk hadden afgespeeld. Die nauwe band met de realiteit maakt dat ze ons dus ook inlichten over situaties die daadwerkelijk plaatsvonden. Een focus op de chronologie van de ordonnanties laat bovendien toe een verandering in de agency van vrouwen te onderkennen.15 Voor dit onderzoek gebruikte ik elf ordonnanties die beslissingen bevatten met betrekking tot vrouwenarbeid binnen het Leuvense vleeshouwersambacht, daterend van 1420 tot 1593. Verder gebruik ik een ambachtsstatuut daterend van rond 1350. De stadsraad stelde toen reeds enkele verordeningen op voor de ambachten in de voedselvoorziening, waaronder de vleeshouwers. De keuze voor de normatieve bronnen kwam voornamelijk voort uit noodzaak: het Leuvens archief bevat namelijk amper praktijkbronnen met betrekking tot de beenhouwers in de vijftiende en zestiende eeuw. Een aantal conflictbeslechtingen hielp echter om een diepgaandere analyse te maken van de normatieve ordonnanties. Daarnaast geven twee conflictregelingen, uit respectievelijk 1566 en 1567, een zekere verandering weer in de economische verantwoordelijkheden van vrouwen in de loop van de tijd. Ze vormen namelijk een duidelijk contrast met de eerdere ordonnanties.16

Historisch onderzoek naar vrouwen in de laatmiddeleeuwse ambachten

In 1919 stelde Alice Clark dat de corporatieve periode, voor de industrialisatie, een ‘gouden tijd’ was voor de agency van vrouwen op de arbeidsmarkt, dus voor de mate waarin ze individueel konden handelen en zo de marktruimte mee vormgaven. De late middeleeuwen vormden een periode van bloei voor hun economische positie, maar de opkomst van het kapitalisme in de vroegmoderne periode maakte hier een einde aan.17 Vanaf de jaren 1980 ontstond opnieuw belangstelling voor het onderzoek naar de positie van de vrouw in het Ancien Régime en grepen historici terug op Clarks ‘decline-thesis’. Merry Wiesner en Martha Howell namen in de vijftiende en zestiende eeuw een vermindering in de agency van vrouwen waar. Hun deelname aan het publieke leven en mogelijkheden tot ondernemerschap verminderden en ze raakten meer verankerd aan het huishouden en beroepen van lagere status. De reden voor deze afname legden Howell en Wiesner juist gedeeltelijk bij de corporatieve wereld: volgens hen duwden de ambachtsgroeperingen vrouwen in toenemende mate weg uit beroepen van hogere status om hun eigen machtspositie te verzekeren.18 Natalie Zemon Davis schoof de ambachten eveneens naar voren als reden voor de verminderende agency van vrouwen. Zij stelt dat de verminderde sociale mobiliteit van vrouwen binnen de ambachten, veroorzaakt door het verbod op toegang tot bestuursposten, hen naar lagere posities binnen de corporaties duwde.19

Meer recent focusten historici eveneens op de veranderende agency van vrouwen in de late middeleeuwen en vroegmoderne periode.20 Shennan Hutton legde zich toe op de studie van hun economische activiteiten in het veertiende-eeuwse Gent. Ze stelde daarbij vast dat vrouwen in de Vlaamse stad meer dan elders in Europa beroepen van hoge status konden verwerven en dat ze bovendien minder afhankelijk waren van hun echtgenoot, broer of vader. Gentse vrouwen konden bijgevolg zelfstandig meer welvarende posities innemen. Hutton constateerde tevens een verandering van die situatie in de vijftiende eeuw en wijt dat onder meer aan een culturele verschuiving in de samenleving.21 Een alternatieve verklaring door Stabel aangereikt, stelt de politieke macht centraal die de ambachten in de Nederlanden in de loop van de veertiende eeuw verwierven. Die leidde rechtstreeks tot een afnemende publieke aanwezigheid van vrouwen. De ambachten vergrootten hun economische slagkracht ten koste van vrouwen, die uiteindelijk slechts binnen het kerngezin konden opereren.22 Op de eeuwwisseling brachten Ellen Kittell en Kurt Queller nog een vernieuwende invalshoek in. Hun analyse van de Dowaaise stadsordonnanties toonde de brede actieradius van veertiende-eeuwse vrouwen aan in het maatschappelijke leven, maar illustreerde eveneens de verandering in hun mogelijkheden en de zich verscherpende visie van de stadsraad op de gendering van de arbeidsmarkt.23

De decline-thesis wordt echter niet unaniem aanvaard. Tine De Moor en Jan Luiten van Zanden plaatsen de verandering in de agency van vrouwen pas later. In de late middeleeuwen resulteerde de late huwelijksleeftijd in Noordwest-Europa, veroorzaakt door de Zwarte Dood tijdens de veertiende eeuw, volgens hen in meer arbeidsmogelijkheden en betere werkomstandigheden voor ongetrouwde vrouwen.24 Een tweede kritiek op de decline-thesis benadrukt de continuïteit van de patriarchale samenleving gedurende het Ancien Régime. Onder meer Judith Bennett stelde dat vrouwen sinds de dertiende eeuw – mogelijk zelfs vroeger – reeds in ongunstige situaties werkten en dat dit tot de achttiende eeuw niet veranderde.25 Elise van Nederveen Meerkerk, die de textielindustrie in vroegmodern Leiden en Tilburg bestudeerde, leverde een derde invalshoek. Ze merkte eveneens een verandering op in de gendering van de arbeidsmarkt. De reden ligt volgens haar echter niet bij de ambachten, aangezien deze in de Leidse lakenindustrie al in de loop van de zestiende eeuw waren afgeschaft. Ze grijpt terug naar Clarks oorspronkelijke argument en stelt dat de industrialisatie en het daaruit voortkomende groeiende proletariaat aan de basis lagen van een afname in de agency van vrouwen. Meer mannen voerden werk uit dat traditioneel als vrouwenwerk werd gezien. Het patriarchale beeld in de samenleving resulteerde in een grotere erkenning van en hogere beloning voor mannen die deze beroepen uitoefenden, en dit ten nadele van vrouwen. Van Nederveen Meerkerk stelt dus dat de ambachten de gendering van de arbeidsmarkt niet hadden veroorzaakt, maar wel bestendigden.26 Andere vroegmodernisten die de positie van vrouwen bestudeerden, stellen dat de verandering niet zo rechtlijnig was als vaak wordt voorgesteld, maar desondanks was tegen 1850 de ‘family production unit’ vervangen door een ‘male-breadwinner model’.27

Recente studies brachten dus nuance aan in het debat rond de afnemende agency van vrouwen ten tijde van het Ancien Régime. Onderzoek naar de situatie in de late middeleeuwen ontbreekt echter vaak in deze studies, die voornamelijk focussen op de zeventiende en achttiende eeuw. Een studie die ook de periode vóór 1600 in het onderzoek betrekt is onontbeerlijk: zoals we zagen constateren verschillende historici dat zich juist in deze overgangsperiode belangrijke ontwikkelingen voltrokken. De studie van de economische positie van vrouwen in laatmiddeleeuws Leuven, en in het bijzonder binnen het Leuvense vleeshouwersambacht, zal dus een belangrijke bijdrage leveren aan dit debat. Zoals hieronder nog zal blijken, beklemtoonde eerder onderzoek reeds de beperkte agency van vrouwen binnen dit ambacht in andere steden. De tegengestelde resultaten voor Leuven tonen dat de veranderende agency van vrouwen mogelijk veroorzaakt werd door de interne werking van bepaalde ambachten in plaats van een wending in de gehele samenleving.

Het vleeshouwersambacht in Europa

De opmerkelijke kenmerken van vleeshouwersambachten in heel West-Europa brachten historici er al eerder toe deze corporatie in de laatmiddeleeuwse steden te onderzoeken. Vlees vormde een steeds belangrijker deel van het (laat)middeleeuwse dieet en bovendien verkochten beenhouwers ook dierlijke restproducten, zoals huiden, vet en wol.28 De corporatie behoorde dan ook steeds tot de meer machtige en welvarende ambachten. Valentina Constantini toonde bijvoorbeeld aan dat het economische gewicht van beenhouwers in verschillende Europese regio’s in een grote politieke macht uitmondde.29 Bijgevolg verwierven leidende groepen van het ambacht in deze steden al vroeg politieke slagkracht om hun ambacht formeel erfelijk te maken. De middeleeuwse stadsbesturen hadden er bovendien baat bij om de groep beenhouwers beperkt te houden, aangezien ze handelden in bederfelijke producten. Dit was in het voordeel van de ambachtslieden zelf, aangezien de beenhouwers de concurrentie op die manier beperkt konden houden.30 De Gentse vleeshouwers verkregen al in het begin van de veertiende eeuw privileges van het stadsbestuur waarin het ambacht erfelijk werd verklaard.31 In Brussel en Barcelona werd de overdracht via vererving in mannelijke lijn eveneens vastgelegd in de veertiende en vijftiende eeuw.32

Een ander kenmerk van het ambacht is dat de corporatie in verschillende Europese steden een exclusief mannelijk karakter had. Howell stelde dat vrouwen in Keulen geen toegang hadden tot het beroep.33 In Lyon mocht een echtgenote haar man slechts assisteren.34 Anne Montenach benadrukt dat in de Franse stad in de zeventiende en achttiende eeuw verschillende vrouwen wel de informele markt opzochten om zich er door de verkoop van vlees van een extra inkomen te voorzien.35 Hans Van Werveke toonde reeds de vererving in mannelijke lijn bij de Gentse vleeshouwers aan en vrouwelijke verkoopsters hadden er onder geen enkele omstandigheid toegang tot de vleeshal, noch tot de directe omgeving. Echtgenotes van beenhouwers en weduwen konden er dus niet deelnemen aan de vleeshandel.36 Enkel in Amiens komt de formulering ‘bouchiers ne bouchiere’ voor. Het ambacht was er niet gesloten, noch erfelijk.37 Dit is een factor die vermoedelijk erg belangrijk is in de verklaring van de agency van vrouwen in dit ambacht, zoals Danielle Van den Heuvel in een studie naar de vroegmoderne Leidse vleeshandel bevestigt. In deze Hollandse stad was het ambacht evenmin erfelijk en niet zo gesloten als in andere steden. Net als in Leuven konden vrouwen er afgeleide vleesproducten, zoals worst, verkopen. Vanaf de zeventiende eeuw mocht de vrouw van een beenhouwer bij afwezigheid van haar echtgenoot bovendien de verkoop in de vleeshal overnemen. Een belangrijke nuance is wel dat het ambacht in Leiden niet over politieke macht beschikte, terwijl de Leuvense beenhouwers juist veel invloed hadden.38 Zoals in een latere paragraaf aan bod komt was de vrouwelijke participatie in Leuven bovendien wellicht uitgebreider dan in Leiden.

Het Leuvense vleeshouwersambacht werd al eerder onder de loep genomen. Alfons Meulemans stelde dat de beenhouwers, zoals in andere Europese steden, een welvarende groep waren die al vroeg privileges verkregen. ‘De meesters aanzagen het ambacht als een soort erfgoed. Niemand dreef deze opvatting zo ver door als de beenhouwers.’39 De ordonnanties tonen echter aan dat het lidmaatschap van het ambacht in de vijftiende eeuw niet meer uitsluitend erfelijk was, al bemoeilijkten de vleeshouwers de toegang voor nieuwkomers.40 Hoewel Raymond Van Uytven argumenteert dat slechts mannen het ambacht konden verkrijgen via vererving, wijzen de bronnen erop dat vrouwen het beroep eveneens konden erven.41 Hiermee onderscheidt het Leuvense vleeshouwers­ambacht zich van eerder onderzochte casussen.

De Leuvense vleeshandel vond voornamelijk plaats in het vleeshuis, in het centrum van de stad. De hal was het bezit van de hertog van Brabant, die de ongeveer vijftig banken in de hal, waarachter de verkoop plaatsvond, jaarlijks opnieuw in erfpacht gaf aan de meesters van het ambacht.42 Dit droeg bij aan de exclusiviteit van het ambacht. De banken in de hal bleven namelijk veelal in de handen van de traditionele beenhouwersfamilies. Achter het vleeshuis bevond zich de Pensstraat, waar het eveneens mogelijk was deel te nemen aan de vleeshandel. De vrouwen die actief waren in de Leuvense vleeshandel dreven waarschijnlijk voornamelijk handel in deze straat, wat de hal, zoals in Gent, eerder een terrein voor mannen maakte.43 Een ordonnantie uit 1467 verbood vleeshouwers, hun echtgenotes of andere verwanten om onverkocht vlees in tavernes of bij mensen thuis te verkopen.44 De herhaling van de ordonnantie in 1554 en 1593 doet echter vermoeden dat deze gang van zaken bleef voorkomen en de Leuvense vleeshandel zich dus verder uitstrekte dan de toegelaten plaatsen.45 Vleeshouwers en hun verwanten mochten eveneens bepaalde vissoorten verkopen en handelden eveneens op de vismarkt.46

fg001 

 

‘Dat gheen vrouw persoen pensen verkopen en mach’: toegang tot het ambacht

De Leuvense casus wijkt af van de bevindingen van eerder onderzoek. In de Brabantse stad hadden vrouwen met uiteenlopende huwelijksstatus in de vijftiende en zestiende eeuw toegang tot het vleeshouwersambacht, al waren de meer prestigieuze posities voor hen niet beschikbaar. Ze konden er doordringen tot het ambacht omdat het geen volledig geïsoleerde groep was, zoals in andere steden. Enerzijds was het vleeshouwersambacht in Leuven in de vijftiende eeuw niet meer officieel erfelijk, zoals wellicht in de veertiende eeuw wel het geval was. Dit is ook zichtbaar in de ordonnanties: op 3 juni 1439 verhoogde de stadsraad het intredegeld tot het vleeshouwersambacht van vijf naar tien Rijnsgulden. Ter verantwoording van deze beslissing verklaarde de raad dat het ambacht steeds erfelijk geweest was, maar dat de vereniging deze praktijk ‘by sekere redenen een wijle tijt nyet en gebruijckt’ had.47 In 1484 kwam de erfelijkheid van het ambacht weer ter sprake en leek deze opnieuw te worden ingevoerd.48 Het conflict was hiermee echter niet beëindigd. In 1649, bijvoorbeeld, trok Filips iv in een oorkonde de oorspronkelijke erfelijkheid van het ambacht in twijfel, die volgens hem nooit was bestendigd in een oorkonde.49 Hierin ligt een gevoelig verschil met het Gentse vleeshouwersambacht, ‘[…] dat van het begin van de veertiende tot het einde van de achttiende eeuw het regime van de erfelijkheid in rechte heeft gekend.’50 Anderzijds ondervonden de Leuvense beenhouwers concurrentie vanuit andere kringen. Om te verhinderen dat vrouwen zich elders zouden bezighouden met de vleeshandel ten koste van de welvaart van de beenhouwers, liet de corporatie vermoedelijk vrouwen toe als lid van het ambacht. In deze paragraaf analyseer ik de participatie van vrouwen in het Leuvense beenhouwersambacht op basis van hun familiale status. Tabel 1 biedt een schematische weergave van de mogelijkheden.

Tabel 1 Overzicht van mogelijkheden van vrouwen in het beenhouwersambacht
Plaats Weduwe van een vleeshouwer Getrouwd met een vleeshouwer Alleenstaand uit vleeshouwersfamilie
Vleeshal A (A) /
Pensstraat B / B
(Woonplaats) A A B
A = Alle vleestypen, B = Beperkte vleestypen: pensen, gebraden en gezouten vlees

Eerst zal ik de positie van de alleenstaande vrouw in het ambacht bespreken en daarna die van de echtgenotes van beenhouwers. De positie van weduwen zal sporadisch aan bod komen, maar wordt nadien uitvoeriger besproken.

In 1458 liet de stadsraad in een ordonnantie optekenen ‘[…] dat gheen vrouwe persoen pensen vercoepen en mach, zij oft huer man en zij gewonnen oft geboiren uut den ambachte van den vleeschouwers […].’51 Onder normale omstandigheden hadden vrouwen van eender welke familiale status, uitgezonderd weduwen van beenhouwers, geen toegang tot het prestigieuze ambacht. De stadsraad besloot in 1458 echter voor een eerste keer dat alleenstaande vrouwen mochten toetreden indien ze het oudste kind waren in een beenhouwersfamilie. Ze betaalden slechts de helft van het vereiste intredegeld en hoorden daarna officieel bij het ambacht. Wanneer ze trouwden werden ze echter verplicht om uit het ambacht te treden (al kon de echtgenoot zich dan wel inkopen in het ambacht).52 De herhaling van de ordonnantie in 1554 en 1593 toont dat de praktijk in de late vijftiende en gehele zestiende eeuw bleef bestaan.53 Een kanttekening hierbij is dat de alleenstaande vrouwen slechts een beperkt aantal producten mochten produceren en verkopen, namelijk pensen, gebraden en gezouten vlees. Deze vleesproducten waren van lagere kwaliteit en goedkoper dan het vlees dat de vleeshouwers veelal verkochten. Niettemin namen alleenstaande vrouwen aan de vleeshandel deel als lid van het ambacht en waren ze zelfs gerechtigd het lidmaatschap te erven. Het waren dus niet per se slechts weduwen die pensen verkochten, zoals Van Uytven stelde.54 In Leiden namen de echtgenotes van vleeshouwers de verkoop van pensen voornamelijk op zich, maar in Leuven was dit dus verboden.55 Wanneer de ordonnanties de verkoop van de secundaire vleestypes behandelen of zich tot ‘pensvrouwen’ richten, gaat het wellicht dus om alleenstaande vrouwen en weduwen. De mogelijke concurrentie van de ‘vettewariërs’ (dit waren handelaars in ‘vette waren’, zoals spek, boter en vet), die gelijkaardige producten mochten verkopen, zorgde er waarschijnlijk voor dat de vleeshouwers vrouwen toelieten dit ook te doen, aangezien ze anders met de vleeshouwers konden concurreren als lid van het andere ambacht.56 De vereiste betaling van het gehalveerde intredegeld toont dat, hoewel ze niet in alle functies van het ambacht waren toegelaten, vrouwen in de vijftiende en zestiende eeuw toch tot het vleeshouwersambacht in Leuven behoorden.57

Een vonnis van de schepenbank toont aan dat de Leuvenaars de ordonnantie van 1458 bovendien op verschillende wijzen interpreteerden. Op 17 augustus 1461 daagden de gezworenen van het vleeshouwers­ambacht Hendrik Michiels en zijn vrouw Katelijne voor de stadsraad. Als alleenstaande vrouw had Katelijne pensen verkocht en voldeed ze bijgevolg wellicht aan de bovengenoemde voorwaarden. De gezworenen van het ambacht stelden dat Katelijne het ambacht moest verlaten na haar huwelijk met Hendrik, aangezien hij eveneens een beenhouwer was. Hendrik verdedigt:

[…] dat hij eens tvleeschouwers zone waer ende dat zijn huisvrouwe alse eens vleeschouwers wijf wel pensen vercopenen mochte alsoe zij lange gedaen hadden. Hopend dat de voirscreven gesworene oic nemmermeer gethoenen en zouden dat hij geboren waer geweest eer zijn vader in dambacht quam […].58

Hendrik argumenteert dat hij geboren was binnen het ambacht en Katelijne door hun huwelijk dit recht dus ook had verworven. De stadsraad oordeelde in het voordeel van het echtpaar en Katelijne mocht pensen verkopen zolang de gezworenen van het ambacht niet konden aantonen dat Hendriks vader bij diens geboorte nog geen beenhouwer was.59 Een geschil uit 1477 toont dat dit bewijs was uitgebleven. De zoon van het koppel argumenteerde toen namelijk in een conflict met hetzelfde ambacht over de betaling van zijn intredegeld: ‘[…] omdat hij daeruut (het ambacht, nv) was geboren […] daermede sijnder moeder aengetimmeert was penssen te moegen vercopen’.60 Katelijne was inmiddels gestorven, maar was bij leven binnen het ambacht actief gebleven, zoals blijkt. Ongetrouwde vrouwen uit beenhouwersfamilies konden binnen het ambacht bepaalde vleestypes verkopen, maar getrouwde vrouwen konden via een achterpoortje onafhankelijk binnen het ambacht actief blijven. De raad verbood hen in 1458 immers expliciet om pensen te verkopen, maar Katelijne bleef dit doen en kreeg hiervoor uiteindelijk de toestemming, tegen wil en dank van de vleeshouwers die haar aanklaagden. Vrouwen bleven dus beperkt in hun bewegingsvrijheid in het beenhouwersambacht, maar niettemin konden zowel getrouwde als alleenstaande vrouwen het werk al dan niet via officieel lidmaatschap uitvoeren.

Helemaal zelfstandig oefende Katelijne haar activiteiten echter niet uit in het ambacht. Hendrik, haar echtgenoot, was immers ook beenhouwer. Het getrouwde koppel vormde op die manier één familiebedrijf. Het economische model van de ‘family production unit’ liet de ‘huysvrouw’ toe deel te nemen aan activiteiten die voor leden van het vleeshouwersambacht waren voorbehouden. De formulering in verschillende ordonnanties toont aan dat getrouwde vrouwen hun echtgenoten assisteerden in de verkoop van vlees. De verkoop in tavernes bijvoorbeeld was verboden voor zowel de beenhouwer als zijn echtgenote.61 Eén ordonnantie wijst erop dat getrouwde vrouwen ook assistentie boden bij de productie van vleesgerechten: ‘Item dat gheen vleeschouwers, sijn wijff, noch boden, noch anderen van zijn weghen vleeschworste maken noch vercoopen en selen moeghen dan int vleeschuyse […].’62 Vleeshouwers en hun echtgenotes mochten slechts overdag in de vleeshal worsten produceren. Deze taak sloot nauw aan bij de mogelijkheden die alleenstaande vrouwen hadden in het ambacht. Vrouwen met een verschillende huwelijksstatus kregen kansen in het ambacht, hoewel ze wellicht voornamelijk uit beenhouwersfamilies kwamen.

Naast een positie als lid van het ambacht of als ondernemers in het licht van de kernfamilie, bood de vrouw in het vleeshouwersambacht de mogelijkheid voor mannen om de gesloten corporatie te betreden of erin op te klimmen. De ordonnantie uit maart 1458 toont dit aan:

Ende oft deselve manne persoen uut ambacht niet en ware ende dairbinnen comen woude binnen drie jaren nadat de voirseyde vrouwen dairinnecomen waren, dan alsdan denselven manne persoen de voirscreven V Rijders afcorten souden aen tvoirscreven geheel ambachtghelt ende anders niet.63

Echtgenoten van vrouwen binnen het ambacht, vermoedelijk voornamelijk ‘pensvrouwen’, behoefden slechts de helft van het toetredingsbedrag te betalen. Die beslissing doet vermoeden dat het huwelijk met

fg002 

 

een vleeshouwersweduwe of een meestersdochter toegang bood tot het ambacht, zoals Van Werveke eerder aangaf.64 Belangrijk hierbij is de vraag of een (nieuw) huwelijk werd verplicht of aangemoedigd.65 De late huwelijksleeftijd creëerde een bepaalde mate van zelfstandigheid voor jonge, alleenstaande vrouwen. Dit nam echter niet weg dat de stadsraad het huwelijk via onder andere de bovenstaande beslissing leek aan te moedigen om zo vrouwen in het ambacht door mannen te vervangen. Na het huwelijk verloor een ‘huysvrouw’ binnen de kernfamilie namelijk bepaalde rechten. Slechts wanneer ze (weer) weduwe werd, verwierf een vrouw zelfstandig lidmaatschap.

De gendering van het vleeshouwersambacht in de Leuvense marktruimte

De ordonnanties met betrekking tot het vleeshouwersambacht bevatten verschillende plaatsindicaties. Zo verkochten vleeshouwers voornamelijk vlees in de hal, terwijl vrouwen wellicht veelal in de ‘achterstrate’ (de Pensstraat) vertoefden.66 Het is bijgevolg interessant om niet enkel de juridische bewegingsvrijheid van vrouwen onder de loep te nemen, maar ook de fysieke ruimte waarin ze handeldreven in kaart te brengen.67 Door op verschillende plaatsen de positie van koper en verkoper in te nemen, gaven vrouwen de economische ruimte van Leuven mee vorm. Deze ruimte werd echter tezelfder tijd beïnvloed door verschillende instanties, zoals bijvoorbeeld de stadsraad en het ambacht zelf. De agency van vrouwen wordt dus weerspiegeld in de ruimtelijke indeling van de vleeshandel.

Het onderzoek naar de gendering van stedelijke ruimte staat nog in zijn kinderschoenen. Eerdere studies onderzochten voornamelijk Italiaanse steden, die geen ideaal vergelijkingspunt voor dit onderzoek vormen, aangezien de agency van vrouwen in die steden traditioneel als minder groot wordt beschouwd dan in de noordelijke steden.68 Slechts enkele publicaties focussen op de gendering van stadsruimtes in de Nederlanden. Hutton bestudeert in een artikel de belemmeringen en mogelijkheden voor vrouwen die de stadsruimte creëerde. Haar onderzoek toont voornamelijk de activiteiten aan van vrouwen in de Gentse lakenhal en in de kleinhandel op de Vrijdagmarkt. De vleeshal, zo stelt ze, was daarentegen een plaats met een uiterst patriarchaal karakter. Ze argumenteert dat vrouwen in de vijftiende eeuw, toen de graan- en vleeshandel belangrijker werden in de Gentse economie, minder mogelijkheden overhielden. De twee overheersende markttakken hadden een meer mannelijk karakter dan de lakenhandel, die in de dertiende en veertiende eeuw het economische landschap domineerde. De belangrijkste marktruimte in een stad bepaalde dus mede de agency van vrouwen.69

In het Leuvense vleeshuis heerste echter een minder uitgesproken gendering dan in de Gentse tegenhanger. Toegegeven, vrouwen traden onder normale omstandigheden evenmin op als verkoopsters in het vleeshuis. De geprivilegieerde vleeshouwers met een eigen bank waren mannen, maar vrouwen waren in de vijftiende en zestiende eeuw toch ook aanwezig in de hal. Een conflictregeling uit 1566 bevat een kopie van het verloren ambachtsstatuut van 1518, waarin de mogelijkheden van vrouwen in de hal naar voren komen.

Item dat gheen vrouwe person vercoopen noch coop maecken oft iemanden anders van eens anders banck roepen noch in de banck staen en zullen moegen […]. Maer in absentie van huere mans als die buyten ter merct zijn zelen in moegen stellen eenen vryen geselle int ambach wesende om huer vleesch te vercoopen ende alsdan sullen de vrouwe persoonen moegen voor de banck staen ende toesichte nemen […].70

Vrouwen mochten in het ambacht, zoals reeds gesteld, onder bepaalde voorwaarden zelfstandig bepaalde vleesgerechten verkopen, maar ze mochten geen bank in het vleeshuis bezitten.71 Deze ordonnantie kent getrouwde vrouwen echter eveneens het recht toe om de ‘family production unit’ overeind te houden bij afwezigheid van hun echtgenoot. Een

gezel van het vleeshouwersambacht stond dan achter de bank, maar vrouwen werden duidelijk bekwaam geacht om het management van het familiebedrijf over te nemen. Van den Heuvel constateert een gelijkaardige praktijk in het Hollandse Leiden vanaf 1670. De politieke

fg003 

 

machtspositie van het vleeshouwersambacht was daar in de zeventiende eeuw echter zeer beperkt in vergelijking met die van de vleeshouwers in Leuven in 1518.72 Het bankbeheer door echtgenotes veronderstelde enige medewerking van het ambacht, aangezien het een gezel toeliet haar te helpen. Het is opvallend dat vrouwen in deze corporatieve stad deze mogelijkheid kregen.

De stadsordonnanties die de communicatie in de markthal reguleerden, tonen eveneens aan dat de vrouwelijke aanwezigheid in de hal niet uitzonderlijk was. De markthallen waren een plaats van machtsvertoon, zoals dit in andere steden eveneens het geval was.73 De Leuvense stadsraad stelde ordonnanties op met betrekking tot de communicatie in zowel de meershal (de markthal van de kleinhandel) als het vleeshuis.74 Het belang van reputatie maakte dat beledigingen en geruchten in de middeleeuwse samenleving zeer schadelijk waren. Van Uytven stelde vast dat de Leuvense vleeshouwers een groepering vormde waarin dit frequent gebeurde. Het gebruik van de formulering ‘vleeshouweren oft pensvrouwen’ in het voorbeeld waarmee ik dit artikel opende, toont aan dat vrouwen in het vleeshuis niet alleen aan verkoopactiviteiten deelnamen, maar ook aan discussies hierover.75 De stadsraad tolereerde hun wangedrag evenmin als dat van mannelijke vleeshouwers. Mannen en vrouwen worden in de ordonnantie, hoewel met een verschillende benaming, op gelijke voet geplaatst. Beide seksen durfden zich schuldig te maken aan de ‘onmanierlijckheyt die dagelijx gevalt in den vleeschuyse oft oeck daerbuyten’.76 Een gelijkaardige ordonnantie uit 1420 mist de verwijzing naar ‘pensvrouwen’ en richt zich dus louter op de mannelijke beenhouwers.77 De aanwezigheid van vrouwen in het vleeshouwersambacht kwam in de vijftiende en zestiende eeuw dus meer ter sprake in de stadsraad – allicht omdat er geweld tussen vrouwen had plaatsgevonden.

Over weduwen en oude costumen: veranderingen in de loop van de tijd

Ik argumenteerde reeds dat vrouwen in Leuven tijdens de late middeleeuwen meer aan de vleeshandel deelnamen binnen het erkende beenhouwersambacht dan in andere steden. Enerzijds vormt de minder uitgesproken regulatie rond het erfelijke karakter van het ambacht in Leuven een mogelijke oorzaak. Anderzijds konden vrouwen bepaalde vleesbereidingen verkopen die andere ambachten ook verkochten. Het ambacht vermeed zo dat vrouwen zouden toetreden tot die andere corporaties en zo het vleeshouwersambacht zouden beconcurreren. In het licht van de decline-thesis is het echter cruciaal het chronologische verloop van de ordonnanties te verduidelijken. Ik zal hierbij voornamelijk de veranderende positie van de weduwen van beenhouwers analyseren, aangezien de bronnen de beste invalshoek hiertoe bieden.

Het oudst bewaarde document met betrekking tot de Leuvense beenhouwers is een ambachtsrol daterend uit de tweede helft van de veertiende eeuw.78 De rol bevat voornamelijk beslissingen over de vleeshandel en niet zozeer over de organisatie van het ambacht. Het gebrek aan enige verwijzing naar vrouwelijke activiteiten binnen het vleeshouwers­ambacht valt echter op. De eerste ordonnantie met een dergelijke verwijzing ontstond een eeuw later, in 1458.79 De groeiende zichtbaarheid van vrouwen binnen het ambacht in de vijftiende eeuw wijst echter niet per se op een toenemende vrouwelijke aanwezigheid of belemmering ervan. De meerderheid van de ordonnanties over het vleeshouwersambacht stamt namelijk van na deze datum, aangezien de toenemende verschriftelijking in die periode resulteerde in meer geschreven statuten voor de ambachten.80 Toch doet de afwezigheid van vrouwen in de veertiende-eeuwse ambachtsrol vermoeden dat ze in de vijftiende eeuw zelfstandiger in het ambacht opereerden. Een ordonnantie betreffende de vleesverkoop in de Pensstraat luidt: ‘Item, dat negheen vleeschouwere noch ander man […] met alselken vleessche sal elkermale staen in de strate achter tfleeschhuus.’81 In latere ordonnanties lijkt deze verwoording te zijn vervangen door: ‘Item, dat gheen vleeschouwers, sijn wijff, noch boden, noch anderen van zijn weghen […].’82 Vrouwen hadden door de teloorgang van de erfelijkheid van het ambacht in de vijftiende eeuw meer toegang dan voordien. De casus van het Leuvense vleeshouwersambacht bevestigt dat de ontwikkeling van dit ambacht de vrouwelijke agency inderdaad sterk beïnvloedde. Doordat de corporatie haar gesloten karakter in de vijftiende eeuw minder kon behouden, vergrootten vrouwen hun mogelijkheden. Het blijft echter een open vraag of we deze evolutie in verband kunnen brengen met de economische teloorgang van Leuven. De beenhouwers verloren, net als verschillende ambachten in de stad, immers aan slagkracht door de crises vanaf de vijftiende eeuw. Wellicht konden ze zich hierdoor minder beroepen op het gesloten karakter dat het ambacht in de veertiende eeuw wel nog had gekend. De stadsordonnanties laten echter niet toe deze hypothese verder te bekrachtigen.

Het ambacht veroorzaakte in de zestiende eeuw wel beweging inzake de mogelijkheden van vrouwen. Op 20 oktober 1566 verscheen de weduwe Liesbet Van Keerbeke voor de stadsraad om een uitzondering te vragen op een ordonnantie die de stadsraad twee weken eerder had afgekondigd. De raad had, op vraag van de beenhouwers, weduwen verboden om nog langer in de vleeshal vlees te verkopen: ‘[…] van vercopen doen noch late vercoopen, coopmaken, in de banck staen off yemand van eens ander banck roepen.’83 Weduwen stonden hierdoor op gelijke voet met andere vrouwen ten opzichte van het vleeshouwersambacht. De jongere ambachtsgezellen wensten deze regeling aan te passen uit angst dat er te veel weduwen in de hal zouden staan, ten koste van henzelf. Bovendien bestond de vrees dat weduwen hun zonen het werk niet zouden laten overnemen op meerderjarige leeftijd. De stadsraad hield dus ook rekening met de klachten van de nieuwe gezellen in het ambacht, ten koste van de vrouwen uit de traditionele beenhouwersfamilies.84 De raad was er zich echter van bewust dat hiermee een oude gewoonte werd aangepast.85 Liesbet kreeg uiteindelijk de uitzonderlijke toestemming om de verkoop in de vleeshal voort te zetten. Minder dan een jaar later verkreeg Margriet Schrijvers, eveneens weduwe, dit voorrecht ook.86 De verhindering van het weduwenrecht was dan ook niet duurzaam. In 1570 stelde de raad reeds een nieuwe ordonnantie op waarin werd besloten dat weduwen wel vlees in de vleeshal mochten verkopen, maar dat ze beperkt zouden worden in het type vlees.

[…] de huysvrouwe oft weduwe van deselven afflijvighen van wat qualiteyt oft conditie sij ware. Ende weder sij hadde kint off kinderen oft meer, het voirscreven ambacht en soude mogen doen oft operaerde voirder dan maer pensen ende gesoden ende gebraden vleesch ende diergelijcke te vercoopen gelijck die pensvrouwen gewoon sijn te doene sonder mannen in den vleeschuyse oft elders te mogen voirts staen of van hueren wegen doen […].87

De raad beperkte de vrijheid van weduwen dus nog steeds, maar versoepelde de ordonnantie uit 1566 opnieuw. Toch toont de regeling die de ambachtslieden aanvroegen hun belemmerende rol in de mogelijkheden van vrouwen in het vleeshouwersambacht, of toch van de machtigere weduwen. De beenhouwers handelden vermoedelijk slechts vanuit bekommernis om hun eigen welvaart en die van hun verwanten. De weduwen werden hierdoor benadeeld, maar verkregen hun traditionele mogelijkheden terug toen de crises voorbij waren. In 1655 vaardigde de stadsraad een nieuwe ordonnantie uit die weduwen toeliet opnieuw volledig binnen het ambacht te mogen werken.88 Nadat Filips iv in 1649 hun erfelijke karakter bestendigd had, zagen de beenhouwers klaarblijkelijk geen dreiging meer in de aanwezigheid van de weduwen van beenhouwers.89 In de achttiende eeuw, toen de vleeshal in onbruik geraakte ten voordele van werkruimten en winkels in de woning, voerden mannen en vrouwen het beenhouwersambacht zelfs gelijkwaardig uit.90

Conclusie

In dit artikel analyseerde ik de mogelijkheden van vrouwen in het vijftiende- en zestiende-eeuwse Leuvense beenhouwersambacht. Eerder onderzoek ontkende veelal de aanwezigheid van vrouwen in deze beroeps­tak. Niettemin geven de stadsordonnanties blijk van de aanwezigheid van vrouwen van elke familiale status in de prestigieuze vleeshandel. De schaarse praktijkbronnen tonen tevens dat die vrouwen zich bewust waren van hun mogelijkheden en een weg om de alomtegenwoordige gendering heen vonden. De Leuvense situatie in de vijftiende en zestiende eeuw verschilde dus van die in andere steden in diezelfde periode. In tegenstelling tot in Gent, bijvoorbeeld, was het lidmaatschap van het beenhouwersambacht in Leuven vanaf de vijftiende eeuw niet meer louter te verkrijgen door vererving in de mannelijke lijn. De beenhouwers probeerden hun ambacht af te sluiten voor buitenstaanders, maar slaagden hier niet helemaal in. Die concurrentie van buitenaf zorgde ervoor dat de beenhouwers plaats lieten voor vrouwelijke verwanten. Het ambacht stelde dan wel paal en perk aan een te grote inmenging van vrouwen van buitenaf, vrouwen van de gevestigde families behielden vermoedelijk een grote agency ten opzichte van beenhouwersvrouwen in andere steden.

De ‘decline-thesis’ die het onderzoek naar vrouwen in de late middeleeuwen en vroegmoderne periode steeds overschaduwt, lijkt dan ook niet op te gaan voor het Leuvense beenhouwersambacht. Vanaf 1458 is er in de stadsordonnanties sprake van vrouwelijke aanwezigheid in het ambacht. Deze aanwezigheid hangt samen met het verdwijnen van het lidmaatschap door vererving. De beenhouwers lieten vrouwen weliswaar niet toe om alle taken uit te voeren, maar ze namen zowel de positie van zelfstandig lid in als die van assisterende echtgenote. Regelingen die de agency van vrouwen in het ambacht beperkten hielden niet lang stand en Meulemans stelde dat de mogelijkheden van vrouwen in het ambacht juist toenamen.91 Ordonnanties die een zekere gendering oplegden, waren wellicht dus niet het resultaat van een algemene afname van het belang van vrouwen in de stedelijke samenleving, maar van de veranderende toegangsvoorwaarden tot het ambacht. Vooral de positie van beenhouwersweduwen in het ambacht lijkt deze veranderingen gevolgd te hebben. Toch blijft de algemene lijn in de vijftiende en zestiende eeuw vrij stabiel en geraakte de positie van vrouwen verankerd in de Leuvense vleeshandel. De term ‘pensvrouwen’, die de stadsraad zeker vanaf 1570 in gebruik nam, stond dus niet op zich. De raad verwees hiermee naar een activiteit van vrouwen in het beenhouwersambacht die reeds in de vijftiende eeuw gangbaar was.

Over de auteur

Nena Vandeweerdt studeerde in 2016 af als Master in de Geschiedenis, afstudeerrichting middeleeuwen, aan de ku Leuven. Ze schreef haar masterproef over de positie van vrouwen in de Leuvense ambachten in de vijftiende eeuw. Tijdens het academiejaar 2016-2017 werkte Vandeweerdt als wetenschappelijk medewerker aan de Onderzoekseenheid Middeleeuwen van de ku Leuven, waar ze aansluitend in oktober 2017 als aspirant van het fwo begon aan een doctoraat. Ze verricht een vergelijkende studie naar de posities van vrouwen in ambachten en in het marktwezen in Brabant en Biskaje in de vijftiende en zestiende eeuw.

E-mail: nena.vandeweerdt@kuleuven.be

Bijlage 1 Overzicht van de gebruikte bronnen

Vind-plaats Inv.nr.* Folio Jaar Titel of aanvang Brontype
sal 1523 53r-53v / Dese ambachten gelijc hiernae volght hebben X gesworne in der statraede jaerlix te sine Ordonnantie
sal 1523 67v-68v 1420 Van den vleeschouwers Ordonnantie
sal 1524 201v 1439 Van den ambachte van den vleeschouwers Ordonnantie
sal 1524 202r-202v 1458 Item dat gheen vrouwe persoen pensen vercoepen en mach […] Ordonnantie
sal 1524 220r 1484 Van den vleeschouwersambacht Ordonnantie
sal 1527 / 1554 Ordinantien in de statuten bij den raide der stadt van Loevene, gemaict ende gesloten ter gemeynde woenaert van alle geestelijcken ende weerlijcke persoonen zoewel ingesetenen als andere […] Ordonnantie
sal 1527 / 1593 Concept van zeker (?) den ambachte van den vleeschuyse te verleenen Ordonnantie
sal 1528 37v 1424 Van den vissche Ordonnantie
sal 1528 123v 1461 Van Hendrik Mychiels, vleeschouwer Vonnis van de stadsraad
sal 4647 / / Statuts des marchands de gibier, bouchers, poissonniers, boulangers, vignerons et brasseurs Ordonnantie
sal 4648 168r-172v 1467 Om te verhueden stoot ende geschil die in den vleeschuyse ende daerbuyten onder deghene die vleesch ende des daer aencleeft vercoopen […] Ordonnantie
sal 4648 174r-174v 1477 Op de questie die voer den raide van der stadt quam tusschen Thijsen Machiels, sone Hendrik Machiels […] Vonnis van de stadsraad
sal 4652 204r-205v 1570 Van den weduwen van den beenhouwers Ordonnantie
sal 4659 1r-9r 1453 Dit sijn de poenten dienende toter veschmerckt ende visschers, toter goedduncken van der stad den vesschers verleent Ordonnantie
sal 4748 / 1566 Dat die weduwen van den beenhouwers nyet en moghen slaen, vercoopen oft lonen int vleeshuys Vonnis van de stadsraad
sal 4748 / 1567 Margriet Schrijvers opzette ende ghedaeghde tegen Jacop van Vossen, Willem Claes, Franchoys Van den Kerckhoven ende Merten van den Vorst […] Vonnis van de stadsraad
* Voor een gedetailleerde referentie van het betreffende invoernummer, zie: Joseph Cuvelier, Inventaire des archives de la ville de Louvain (Leuven 1929-1938).

---

*