Inleiding

Op 15 maart 1993 kraakte een groep van twaalf kunstenaars een groot schoolgebouw aan de Haagweg 4 in Leiden.1 De groep wilde het gebouw omvormen tot ateliers en expositieruimtes en drong er bij de gemeente op aan het gebouw te kopen en te legaliseren. In een terugblik vertelde een van de betrokkenen: ‘Wij wilden niet als krakers gezien worden, maar als kunstenaars.’2 De krakers/kunstenaars distantieerden zich in het bijzonder van een specifieke groep krakers in Leiden: Engelse krakers. Kort na de kraakactie vertelde een van de kunstenaars-bezetters: ‘Als wij deze school niet hadden gekraakt was de groep Engelsen uit het [met ontruiming bedreigde kraakpand] Parmentiercomplex hier neergestreken. En dan wordt het uitgewoond.’3 Deze tactiek leek te werken. Zo’n twee jaar na de kraakactie wees de Leidse burgemeester Cees Goekoop naar Haagweg 4 als een voorbeeld van ‘hoe een pand dat al is opgegeven, toch nog een zinnige bestemming krijgt’.4 Als tegenvoorbeeld noemde Goekoop twee panden van Engelse krakers waar ‘zeer onhygiënische toestanden heersten’. Haagweg 4 werd uiteindelijk aangekocht door de gemeente, gerenoveerd en in 2010 overgedragen aan de Stichting Werk en Onderneming.5

Deze korte anekdote toont enerzijds hoe belangrijk beeldvorming was voor krakers – de kunstenaars van Haagweg 4 wilden niet gezien worden als krakers – en anderzijds dat van alle krakers in Leiden de Engelse krakers het slechtste imago hadden. Deze Engelse krakers – beter is het te spreken over Britse krakers, omdat de groep een bont geheel vormde van Engelsen, Schotten, Welshmen en Ieren – vormden begin jaren negentig van de vorige eeuw een omvangrijke en zichtbare groep in Leiden en omgeving. In die tijd trokken enkele honderden Britse jongeren als seizoenarbeiders naar Leiden om te werken in de Bollenstreek.6 Omdat het moeilijk was om aan huisvesting te komen, vestigden velen van hen zich op campings, in vakantiehuisjes of in gekraakte panden. De kraakpanden vormden al snel de basis voor een levendige subcultuur van raves en housefeesten. Niet alle Britse jongeren kraakten echter, en niet alle Britse krakers waren actief in de rave-scene.

Britse krakers waren zich terdege bewust van de negatieve beeldvorming en deden verschillende pogingen om zich daartegen teweer te stellen. Omdat ze echter geen media-apparaat hadden, waren ze daarvoor vooral afhankelijk van de lokale media, via welke zij een breed publiek probeerden te bereiken. De Engelse krakers waren lang niet altijd succesvol in hun pogingen om de beeldvorming naar hun hand te zetten. Andere groepen, zoals buurtbewoners, huiseigenaren, wethouders, politie en brandweer, zochten namelijk ook contact met de media. Daarnaast hadden media zelf ook een visie op krakers en kraakconflicten, die doorspeelde in de berichtgeving.

Deze bijdrage reconstrueert de strijd om het beeld van ‘de’ Britse kraker in de Leidse media en analyseert daartoe de berichtgeving in het Leidsch Dagblad en het actiemaandblad De Peueraar, evenals zes interviews met betrokkenen uit die tijd.7 Het onderzoek poogt niet om berichtgeving en beeldvorming te spiegelen aan ‘wat er écht gebeurde’, maar richt zich op de vraag welke groepen berichtgeving en beeldvorming in lokale media probeerden te beïnvloeden. Berichtgeving, beeldvorming en besluitvorming zijn weliswaar niet hetzelfde, maar zijn wel nauw met elkaar verbonden.8 Door de strijd om de beeldvorming nader in kaart te brengen ontstaat een beter beeld van de samenstelling van de Britse krakerspopulatie en de reacties die haar acties opriepen.

De edities van het Leidsch Dagblad en De Peueraar zijn beiden volledig digitaal toegankelijk.9 Voor dit onderzoek zijn uit het Leidsch Dagblad eerst alle 588 artikelen verzameld over Leidse kraakacties in de jaren negentig, door te zoeken op de termen ‘kraken’, ‘krakers’ en ‘gekraakt’. Van deze artikelen gaan er 80 over Britse krakers, die vooral stammen uit de vroege jaren negentig, toen deze groep gastarbeiders

  

 

het omvangrijkst was. Vervolgens zijn deze krantenberichten gegroepeerd naar de kraakacties waar ze bij betrokken waren; zodat per pand geanalyseerd kon worden hoe de berichtgeving zich ontwikkelde. Daarbij zijn ook de 52 edities van De Peueraar systematisch doorgenomen op berichten over Britse krakers. Bij de analyse van de berichtgeving is vooral onderzocht wie er in de berichten aan het woord komt of komen (krakers, buurtbewoners, de eigenaar, stedelijke autoriteiten, de journalist zelf), hoe deze actoren gepresenteerd worden (sympathiek of niet, geloofwaardig of niet) en welke kenmerken zij krijgen toegedicht (wanneer krakers aan het woord komen, wordt regelmatig hun kleding en haardracht besproken, bij andere actoren niet). Deze analyses zijn verwerkt in korte ‘kronieken’, waarin de geschiedenis van en berichtgeving over de belangrijkste Leidse kraakpanden zijn gereconstrueerd.10 Op basis van de analyse en de kronieken concluderen we dat de strijd om beeldvorming vooral draaide om: 1.) de wil en het vermogen van Britse krakers om woningen op te knappen en buurten te verbeteren en 2.) het karakter en de frequentie van housefeesten die de krakers organiseerden en de vermeende risico’s daarvan voor de openbare orde. De inhoud en dynamiek van deze twee discussies staan centraal in onze analyse van de strijd om beeldvorming.

Interviews met Britse en Leidse oud-krakers vullen onze analyse aan. De interviewpartners zijn gevonden door contacten met Doorbraak, de opvolger van de uitgever van De Peueraar, en met de Vrijplaats Leiden. De interviews namen de vorm aan van semi-gestructureerde gesprekken, waarbij we geïnterviewden vroegen om hun ervaringen in de Leidse kraakscene in de context van hun leven te plaatsen. Telkens hebben we gevraagd naar de ervaringen van, of omgang met, Britse krakers, beeldvorming en de rol van de media daarin.11

Tabel 1 Aantal berichten in het Leidsch Dagblad over Britse krakers, 1990-2001

Jaar Aantal berichten over krakers in het Leidsch Dagblad Aantal in de berichten vermelde kraakpanden in Leiden Aantal in de berichten vermelde ‘Britse’ kraakpanden
1990 18 5 1
1991 53 12 2
1992 84 11 2
1993 175 16 2
1994 82 8 1
1995 32 5 1
1996 23 3 1
1997 19 1 0
1998 12 1 0
1999 35 8 1
2000 11 1 0
2001 44 6 0
totaal 588 77 11

Bron: samengesteld op basis van de digitale collectie ‘Historische kranten, erfgoed Leiden en omstreken’ (leiden.courant.nu) en de digitale kaart van Leidse kraakacties (https://maps.squat.net/en/cities/leiden/squats).

Deze bijdrage reageert op recente ontwikkelingen in onderzoek naar kraken, migratie en beeldvorming. Onderzoek naar krakers heeft zich van oudsher gericht op krakers in specifieke steden.12 Krakers waren echter zeer mobiel en trokken regelmatig van stad naar stad. Reizende krakers zijn pas sinds kort onderwerp geworden van historisch onderzoek. De nadruk ligt daarbij vooral op de reisnetwerken van politieke krakers en de transnationale uitwisseling van actievormen, ideologieën en politieke culturen.13 Recentelijk is de rol van pers en beeldvorming meer centraal komen te staan in het onderzoek naar krakende migranten zonder papieren, in Amsterdam, Calais en Hamburg.14 Dit onderzoek bouwt daar op voort, maar richt zich niet op hedendaagse illegale of ongedocumenteerde migranten-krakers, maar op een groep legale migranten die in de jaren negentig kraakten in en om een middelgrote stad.

Het ‘probleem’ van de Britse krakers in Leiden

In de jaren tachtig verslechterde door de-industrialisatie de economische situatie in delen van Groot-Brittannië en Ierland: hoge werkloosheid leidde tot armoede, vooral onder de arbeidersbevolking. In dezelfde periode trokken bedrijven in de Nederlandse bollensector aan de bel vanwege een tekort aan (seizoen)arbeiders. Werkgevers uit de Bollenstreek gingen in het buitenland op zoek naar seizoenarbeiders en plaatsten onder andere advertenties in Britse kranten. Tientallen Britten reageerden op de advertenties en kwamen naar Nederland. Niet alleen zij, maar ook kleinere aantallen migranten uit Spanje en Italië vonden hun weg naar Leiden en omstreken. Omdat al deze landen lid waren van de Europese (Economische) Gemeenschap, de voorganger van de Europese Unie, hadden de Britse, Spaanse en Italiaanse migranten geen werkvergunning nodig om te werken in Nederland.15

De Britten kwamen enerzijds naar Leiden voor werk en anderzijds om een vrijer bestaan te kunnen leiden. Pieter van der Geest, een café-eigenaar in Noordwijkerhout waar destijds veel Britten kwamen, verklaart de komst van de Britten vooral door de slechte economische situatie thuis: ‘[D]at was gewoon bittere armoede […] Die mensen gingen op de loop voor thuis. En toen kwamen ze hier en hier was werk en een goed sociaal stelsel.’16 Het Leidsch Dagblad noemde de groep Britse jongeren een mix van ‘economische vluchtelingen’ en ‘new age-travellers’.17De Peueraar vatte de situatie als volgt samen: ‘Hier verdienen ze tenminste nog geld. In Ierland en Engeland is dat welhaast onmogelijk. Ook het relaxter drugsbeleid spreekt veel mensen aan.’18 De groep Britten groeide in het begin van de jaren negentig uit tot enige honderden seizoenarbeiders. De bollensector was de belangrijkste werkgever, maar een aantal vond ook werk in andere sectoren, zoals de visafslag in Katwijk. Het was voor veel arbeidsmigranten lastig om aan woonruimte te komen. De werkvergunning waarvan de seizoenarbeiders waren vrijgesteld, bleek namelijk wél gewenst wanneer zij op zoek gingen naar woonruimte of voor langere tijd in Nederland wilden blijven. Een groot deel van de Britten vestigde zich daarom op, al dan niet zelf gecreëerde, campings in dorpen als Hillegom en Sassenheim. Een ander deel van de Britten besloot in en rondom Leiden te gaan kraken. Het kraken van huizen en gebouwen was in de jaren negentig toegestaan wanneer de krakers konden aantonen dat een pand langer dan een jaar had leeggestaan.19 In maart 1993 schatte een politiewoordvoerder de Britse aanwezigheid in Leiden op een aantal van 350 krakers.20

De krakende en kamperende Britten werden al snel een onderwerp van discussie in de stad. De discussie draaide om de vragen of zij een probleem hadden of een probleem vormden; en wie verantwoordelijk was voor hun huisvesting. Buurtbewoners klaagden regelmatig over geluidsoverlast, drugsgebruik en vervuiling door de krakers. Krakers verdedigden zich door te stellen dat de gemeente en werkgevers verzuimden goede woonruimte te organiseren. Een van hen stelde: ‘Het is gewoon Catch 22, we kunnen geen kant op. De bollenbedrijven willen ons graag hebben, maar wonen mogen we nergens.’21 In augustus 1993 stelden twee PvdA-gemeenteraadsleden voor om de woonsituatie van de buitenlandse seizoenarbeiders beter te regelen, omdat ze verwachtten dat de ‘toestroom van jongeren’ verder zou toenemen.22 Toch kwam het niet tot maatregelen om de woningsituatie van de Britse seizoenarbeiders te verbeteren.

Beeldvorming, lokale nieuwsmedia en framing

Dit onderzoek richt zich op lokale berichtgeving over Britse krakers in Leiden en de beeldvorming die daardoor ontstond. Het gaat er niet om of de berichtgeving correct en ‘waar’ was, maar om de beelden van krakers die in de lokale berichtgeving circuleerden en tegenover elkaar geplaatst werden. Het woord ‘kraken’ roept doorgaans beelden op van militante jongeren in leren jassen die felle confrontaties aangaan met de politie. Dit beeld beïnvloedt niet alleen populaire beschrijvingen van krakers, maar ook het onderzoek, dat zich vooral heeft gericht op de geschiedenis van militante kraakbewegingen in grote steden. Nazima Kadir heeft betoogd dat dit beeld exclusief en vervormd is; in werkelijkheid was de krakerspopulatie veel diverser. Door het onderzoek te richten op militante krakers verdwijnen andere krakers, zoals migranten, vrouwen en geweldloze demonstranten, uit beeld. Kadir roept daarom op tot een meer inclusieve onderzoeksmethode, die recht doet aan de diversiteit van de krakers.23

In recent onderzoek heeft de diversiteit van krakerspopulaties meer aandacht gekregen en is er ook meer aandacht voor de verbinding tussen migratie en kraken. Migranten die van het platteland naar steden trokken, of van voormalige koloniën naar West-Europa reisden, maakten dikwijls gebruik van kraakacties om woonruimte te verwerven.24 Mudu en Chattopadhyay hebben een eerste inventarisatie gemaakt van de hedendaagse kraakervaringen van uitgeprocedeerde vluchtelingen en migranten zonder papieren. Hun bundel daagt onderzoekers uit om migrantenkrakers te beschouwen als onderdeel van stedelijke kraakbewegingen.25 Deze bijdrage bouwt daarop voort, maar richt zich op een groep ‘witte’ migrantenkrakers, die over paspoorten beschikten en zich bewogen in een kleinstedelijke context. Het gaat dus om een ander soort migrantenkrakers, die als zodanig nog niet eerder onderzocht is.

Om de beeldvorming over Britse krakers te analyseren zijn twee lokale publicaties systematisch onderzocht middels een framing-analyse. Gamson en Wolfsfeld definiëren een frame als ‘a central organizing idea, suggesting what is at issue’.26 Wanneer een situatie ‘geframed’ wordt, worden bepaalde feiten uitgelicht, met elkaar verbonden en van een specifieke betekenis voorzien.27 Krakers wijzen bijvoorbeeld op woningnood en leegstand – en stellen voor om het eerste probleem op te lossen door het tweede probleem eigenhandig aan te pakken. Uitermarke heeft al eerder onderzocht welke frames Amsterdamse krakers door de jaren heen hebben gebruikt.28 Hij onderzocht echter niet hoe deze frames gecommuniceerd werden, of hoe ze werden ontvangen. Voor de laatste twee zaken zijn krakers afhankelijk van media, maar hun invloed daarop is beperkt.29 Dit onderzoek analyseert daarom hoe verschillende frames over Britse krakers door lokale media tegenover elkaar werden geplaatst en op elkaar reageerden en hoe uit die interactie een of meer beelden ontstonden van de Britse krakers.

De twee bronnen die centraal staan in dit onderzoek zijn het Leidsch Dagblad en De Peueraar. Het Leidsch Dagblad speelde een belangrijke rol in de beeldvorming rondom Britse krakers. Het was het enige lokale dagblad in de regio en had een oplage van ongeveer 40.000 stuks.30 Het Leidsch Dagblad was onderdeel van het Telegraaf-concern. Maar hoewel De Telegraaf een conservatieve signatuur had, voerde het Leidsch Dagblad een eigen koers in de lokale berichtgeving, die niet expliciet politiek gekleurd was. Desalniettemin klaagden veel krakers over de in hun ogen vooringenomen houding van de krant, die zich tegen de krakers zou keren. Voor journalisten van het Leidsch Dagblad vormden Britse krakers slechts een stem in een groter geheel, naast buurtbewoners, stedelijke autoriteiten, en huiseigenaren. De meningen van journalisten en de redactie beïnvloedden eveneens de manier waarop krakers en kraakconflicten in de krant omschreven werden. Toch waren de krakers niet geheel machteloos; zij konden hun eigen media produceren, actievoeren om media-aandacht te genereren en middels interviews en brieven reageren op berichtgeving in de krant. De krant werd daardoor een plaats waar verschillende frames, dat wil zeggen verschillende interpretaties, van kraakconflicten werden uitgewisseld.

De Peueraar was in de jaren negentig een lokaal actiemaandblad met een oplage van ongeveer 250 stuks.31 In De Peueraar kregen de Britse krakers meer ruimte om hun eigen geluid te laten horen, en de redactie van het maandblad reageerde dikwijls op berichtgeving in het Leidsch Dagblad. De berichtgeving in het Leidsch Dagblad was voor de redacteuren van het blad een belangrijke reden om een eigen tijdschrift te beginnen. Piet, een van de redacteuren, herinnert zich:

Voor ons was het Leidsch Dagblad een dochter van de Telegraaf. Wij plaatsten het Leidsch Dagblad altijd wel aan de rechterkant van de journalistiek. Ze hadden wel wat meer hun best kunnen doen om meer met de krakers zelf te praten. En [het huis-aan-huis-blad] Het op Zondag, de Hetze op Zondag werd het ook wel genoemd, was eigenlijk gewoon een soort Story; zo’n roddelblad. Die linkte de Ierse krakers in Leiden gewoon aan de IRA! […] Wij vonden het dan ook belangrijk om onze eigen media te creëren.32

Wie waren de Britse krakers?

Door systematisch krantenonderzoek kan bij benadering vastgesteld worden hoeveel Britse krakers zich in en om Leiden vestigden. Zoals al aangegeven kon een database samengesteld worden van 588 krantenberichten in het Leidsch Dagblad over kraken in Leiden tussen 1990 en 2001, waaronder 80 krantenberichten waarin Britten genoemd worden. De informatie uit deze berichten is verwerkt in een digitale kaart van Leiden, die voor de genoemde periode 77 kraakpanden toont, waarvan 11 ook Britse krakers huisvestten. Het is maar zeer de vraag of daarmee alle Britse krakers in Leiden in kaart zijn gebracht. Zoals eerder gesteld, schatte de politie het totale aantal Britse krakers in Leiden in 1992 op 350.33 Vier factoren spelen hierbij een rol. Ten eerste is het goed mogelijk dat de politieschatting wat aan de hoge kant was. Ten tweede kraakten Britten soms grote panden. Een politiewoordvoerder schatte het aantal Britse krakers in het Parmentiercomplex aan de Lammermarkt in maart 1993 op vijftig.34 Volgens het Leidsch Dagblad leefden zo’n 100 krakers in en om de gekraakte PTT-centrale, deels in caravans en campers.35 Ten derde is het belangrijk op te merken dat kraakacties in de omgeving van Leiden wel zijn opgenomen in de krantenselectie, maar niet in de digitale kaart, die alleen Leiden bestrijkt. Ten slotte wilden lang niet alle Britse krakers hun acties met de pers delen.

Hoewel de Britse krakers dikwijls onder de radar van de politie en de krant bleven is het toch relevant om de beelden die de krant neerzette van de krakers te onderzoeken als een eerste stap om meer over deze Britse krakers te weten te komen. Het Leidsch Dagblad besteedde relatief veel aandacht aan deze groep, maar was niet altijd precies geïnformeerd. In veel gevallen werden kraakacties kort vermeld, en bleek pas maanden later, wanneer een conflict ontstond, dat een pand bewoond werd door Britten. Enkele Britten kozen ervoor om anoniem te blijven. Hun kraakacties zijn veelal niet opgenomen in de krant. Wanneer het Leidsch Dagblad er wel van op de hoogte was dat een kraakpand door Britten bewoond werd, volgde vaak een ietwat stereotyperende beschrijving van de krakers. Sommige beschrijvingen van hun leefsituatie kwamen sterk overeen met die van ‘gewone’ krakers. Een Leidsch Dagblad-journalist beschreef de situatie in een voormalig fabriekspand in Leiderdorp, dat door Britten was gekraakt, als volgt: ‘Het negental woont in een gezellige chaos. Een paar kleine kamertjes zijn ingericht als slaapkamer, in het grootste vertrek sleutelt Chelsea aan een oude, beschilderde Volvo. De grond ligt bezaaid met stukken hout en gereedschap. Water – alleen koud – stroomt door een provisorische leiding naar een fris ruikende wc.’36 Deze beschrijving week niet sterk af van de beschrijving van andere krakers en is nog een relatief ‘neutrale’ framing van hoe de krakers leefden.

Wanneer ‘Britse’ kraakpanden echter de inzet werden van conflicten over stedelijke ontwikkeling, trad er dikwijls polarisatie op en maakten verschillende actoren gebruik van de media om hun eigen interpretatie algemeen geaccepteerd te krijgen. Als gevolg hiervan ontstonden er conflicten over de vermeende identiteit en doelen van de krakers. Verschillende frames werden dan tegenover elkaar geplaatst. In twee secties wordt dit conflict geanalyseerd. Het eerste deel analyseert de strijd om beeldvorming die ontstond wanneer Britse krakers zichzelf opwierpen als buurtverbeteraars die stedelijk verval tegengingen. Hoewel deze krakers aanvankelijk welwillende media-aandacht kregen, lukte het hen niet om hun visie algemeen ingang te doen vinden. Het tweede deel van de analyse bespreekt de beeldvorming rond een groep krakers die weinig tot geen moeite deed om de media te beïnvloeden en daardoor vooral onderwerp werd van beeldvorming.

Stedelijk verval vs regeneratie van de buurt

Het kraken van woningen kan deel uitmaken van een individuele strategie om huisvesting te verwerven, maar ook van een collectieve poging om de leefbaarheid van een buurt te verbeteren – door het tegengaan van leegstand, speculatie en verval van een buurt. Het argument van krakers in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt in de jaren zeventig was dat zij de wijk nieuw leven inbliezen, door leegstaande huizen in gebruik te nemen, op te knappen en tegelijkertijd verbeteringen in de wijk door te voeren.37 Vaak was de inzet van de krakers oprecht, maar het argument kon ook deel zijn van een strategie om legitimiteit te verwerven. Tegenstanders stelden daarentegen dat de krakers stadsvernieuwingsplannen vertraagden met hun acties, doordat de sloop en bouw van nieuwe huizen hierdoor vertraagd werd, en dat de krakers verantwoordelijk waren voor geluidsoverlast en rondslingerend vuil. De frames van krakers als buurtverbeteraars of -verloederaars kwamen dikwijls tegenover elkaar te staan, zowel in Amsterdam als daarbuiten. Doorgaans kregen de tegenstanders van de krakers meer gehoor van de media, en meer sympathie van het publiek, maar onder bepaalde omstandigheden konden krakers een belangrijke stem verwerven in het debat over stedelijke ontwikkeling: wanneer de stad een buurt duidelijk verwaarloosde en de krakers hier media-aandacht voor genereerden met goede organisatie, inventiviteit en doorzettingsvermogen.38 In zulke gevallen polariseerde de situatie en werden ook de tegenstemmen feller, zoals blijkt uit drie Leidse situaties. De stad ging zich steeds sterker bemoeien met de buurt waarin door Britse krakers gekraakt werd.

In het eerste geval werden zowel de buurtbewoners als de krakers door de gemeente aan hun lot overgelaten, maar lukte het de krakers desondanks niet om een prominente positie in het debat te veroveren. Tussen 1990 en 1994 bezetten verschillende groepen krakers een aantal huizen aan het einde van de Morsweg, ook bekend als Mors IV. De gemeente wilde alle huizen aan dit gedeelte van de Morsweg slopen om plaats te maken voor een bedrijventerrein. Een aantal krakers en de laatste officiële bewoner van Mors IV protesteerden tevergeefs tegen deze plannen. De eerste groep krakers stelde in juni 1991 dat zij van plan was de buurt nieuw leven in te blazen: ‘We hebben de weg opgeknapt en willen dat de panden blijven bestaan, daarom gaan we nu ook een stichting oprichten.’39 Toch lukte het de krakers niet om een hechte gemeenschap te vormen met een duidelijke stem. In oktober 1991 citeerde het Leidsch Dagblad een politiewoordvoerder die stelde dat het ‘niet boterde’ tussen ‘een groep Nederlandse jongelui en een groep Engelsen’.40 De Britten zouden de woningen meer gebruiken als tijdelijk onderdak, terwijl de Nederlandse groep juist een langetermijnvisie wilde ontwikkelen.

Vooral de opstelling van de gemeente maakte het moeilijk om de buurt te verbeteren. Volgens de laatste legale bewoner werd het afval niet meer opgehaald, terwijl de krakers klaagden dat de politie toestond dat een drugsdealer zich in een van de leegstaande panden had gevestigd.41 De gemeente werd hier door het Leidsch Dagblad vrijwel niet op aangesproken en werd slechts eenmaal om een reactie gevraagd. Een conflict tussen de dealer en een groep mannen leidde vervolgens in juni 1994 tot brand bij twee gekraakte woningen.42 De advocaat van de krakers vroeg daarop waarom de politie niet ingreep en waarom de brandweer geen hulp had gegeven bij het brandveilig maken van de woningen. Het op Zondag daarentegen gaf Britse krakers de schuld voor de verloedering van de buurt. Zij waren volgens het weekblad slechts op zoek naar drugs, avontuur en houseparty’s. Het Kraakspreekuur Leiden reageerde daarop met een ingezonden brief, waarin ze de beschuldigingen afdeed als overdreven en onwaar.43 De panden werden in 1995 uiteindelijk allemaal gesloopt volgens het plan van de gemeente. Ook al zetten Nederlandse en Britse krakers zich in dit geval samen in voor het behoud van deze panden, het lukte hen niet om hun visie algemeen ingang te doen vinden in het Leidsch Dagblad of Het op Zondag. Doordat de gemeente de laatste buurtbewoner, de dealer en krakers tegen elkaar uit speelde ontstond er een negatief beeld van de buurt en de krakers. De onderlinge verdeeldheid zorgde ervoor dat de krakers niet in staat waren om hier energiek en eensgezind tegen op te treden.

In een tweede geval raakten stedelijke autoriteiten al meer betrokken bij een krakersconflict. In september 1992 kraakte een groep Britten de voormalige PTT-centrale aan de Koningsstraat. Een jaar later bedroeg het aantal bewoners, in het pand en de campers eromheen, bijna honderd.44 Na een kort bericht in het Leidsch Dagblad over de aanvankelijke kraakactie, bleef het in de krant ruim negen maanden stil over de krakers. In juli 1993 richtte het buurtcomité zich echter tot de gemeente met klachten: ‘De krakers lopen vaak midden in de nacht te schreeuwen, rijden met winkelwagentjes rond en zetten hun muziek voluit.’45 Nadat de politie desgevraagd liet weten geen klachten te hebben ontvangen, reageerden de krakers in een interview waarin zij zichzelf voorstelden. De krakers vertelden het Leidsch Dagblad dat zij juist rekening hielden met de buurt, zo hadden ze zelf afvalcontainers gekocht. De buurt beoordeelde de krakers echter niet op hun acties, maar op hun uiterlijk: ‘Zodra wij ergens staan, komen de roddels op gang.’46

Eind augustus organiseerden de twee PvdA-raadsleden een gesprek tussen de krakers en de buurtbewoners.47 Volgens de raadsleden en buurtcomité liep het gesprek ‘boven verwachting goed’. De krakers beloofden dat zij aan de slag zouden gaan met de klachten van de buurtbewoners en het buurtcomité drukte flyers met de tekst ‘Make friends in the neighbourhood’. Comitévoorzitter Bram de Pater liet het Leidsch Dagblad weten dat het gesprek effect had: