Inleiding

In dit artikel presenteren we de eerste systematische analyse van het aandeel van op Atlantische slavernij gebaseerde activiteiten in het laat achttiende-eeuwse Bruto Binnenlands Product (bbp) van de Nederlandse Republiek.1 Het debat over het profijt dat Europese samenlevingen trokken van de slavernij kent een lange voorgeschiedenis en gaat er in Nederland en internationaal vaak heftig aan toe, niet alleen in wetenschappelijke tijdschriften maar ook in krantenkolommen. De debatten over de Nederlandse Republiek delen enkele kenmerkende aspecten met discussies over de mogelijke bijdrage van slavernij aan kapitalisme in het algemeen of specifiek aan de Industriële Revolutie in Groot-Brittannië, discussies die vaak teruggrijpen op Eric Williams’ bekende werk Capitalism and Slavery.2 Dat geldt in het bijzonder voor de vraag of de in de slavenhandel behaalde winsten van een dusdanige omvang waren dat ze een cruciale rol speelden in de opkomst van Groot-Brittannië als industriële macht. Hoewel Nederland niet tot de vroegste industriële naties behoorde, was het een welvarend land met een sterk ontwikkelde maritieme, handels- en dienstensector. Nederland was bovendien gedurende meer dan tweeënhalve eeuw betrokken bij zowel de slavenhandel als de Atlantische plantage-economie, een economische sector die in de loop van de achttiende eeuw lange perioden van opmerkelijke groei vertoonden.3

Tegen de achtergrond van de uitgebreide en gedegen wetenschappelijke debatten rondom de Williams These, is de afwezigheid van een systematische, methodologisch onderbouwde benadering van de Nederlandse casus opvallend.4 Een gedeeltelijke uitzondering is het debat over de winstgevendheid en de economische impact van de Nederlandse slavenhandel, dat onlangs een nieuwe impuls kreeg nadat het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis een invloedrijk artikel publiceerde van de hand van Karwan Fatah-Black en Matthias van Rossum.5 Zoals we hieronder zullen aantonen, was de slavenhandelweliswaar van cruciaal belang voor de plantages in de Atlantische wereld, maar was ze slechts verantwoordelijk voor een klein deel van de totale opbrengsten voor de Nederlandse economie. Eltis, Emmer en Lewis schatten de bijdrage van de slavenhandel aan het Nederlandse nationale inkomen op niet meer dan 0,5 procent.6 Dit vormt echter geen indicatie van het totale belang van op slavernij gebaseerde activiteiten voor de Nederlandse economie. Pogingen om vergaande conclusies over de Nederlandse economie te trekken op basis van de winstgevendheid of zelfs de totale omvang van de door Nederlandse schepen gedreven slavenhandel zijn daarom onvolledig of zelfs misleidend. Om het ware belang van de op slavernij gebaseerde activiteiten voor de Nederlandse economie te schatten is een veel bredere benadering van dit onderwerp noodzakelijk.

Een dergelijke meer complete schatting van het totale inkomen uit op slavernij gebaseerde activiteiten, zij het alleen voor de stad Amsterdam, is interessant genoeg al in de jaren dertig van de achttiende eeuw gemaakt in een anonieme memorie die zich bevindt in het burgemeestersarchief van Amsterdam. De auteur schatte de totale bijdrage van de kolonie Suriname aan het inkomen van de stad op 2.238.755 gulden per jaar, waarbij hij rekening hield met de inkomsten van de handel in suiker, koffie en cacao, de stedelijke verwerkingsindustrie, en een grote variëteit aan toeleveranciers voor de overzeese kolonie en de koopvaardijvloot.7 Dit document had uitsluitend betrekking op de betekenis van één enkele kolonie voor één enkele stad. De cijfers dienen tevens met een korreltje zout genomen te worden, aangezien de berekening was opgesteld met het doel om het stadsbestuur te overtuigen van het belang van de sector. Toch maakt de in het document gevolgde methode duidelijk dat tijdgenoten terdege beseften dat het belang van op slavernij gebaseerde activiteiten breder was dan alleen de slavenhandel, of zelfs de slavenhandel plus de handel in plantagegoederen. De conclusie van de memorie luidde ‘dat geen werkman (…) in Amsterdam gevonden werd, off hij verdient mede al een stuck brood by deese Colonie’.8 Deze boude stelling is ook van belang voor het onderzoek dat wij hier presenteren. Hoewel de meerderheid van de Nederlandse bevolking nooit direct in aanraking kwam met plantageslavernij, draaiden veel takken van de Nederlandse economie geheel of gedeeltelijk om producten die slaven in de Atlantische wereld produceerden, dan wel om de productie van goederen voor de overzeese plantages of de slavenhandel. Door een nauwkeurige schatting van de omvang van het transport, de verwerking en de handel van goederen die door slaven waren geproduceerd alsmede de sectoren die deze handel mogelijk maakten kunnen we beter zien hoe de economische opbrengsten van slavernij door de Nederlandse economie sijpelden.9 Door onze resultaten te relateren aan eerdere schattingen van het Nederlandse bbp in deze perio­de, verkrijgen we een beter beeld van het economische gewicht dat de op slavernij gebaseerde inkomens representeerden, en van de verdeling van de opbrengsten binnen de Nederlandse samenleving. Voor een aanzienlijk aantal loonarbeiders gold dat het ‘stuck brood’ dat zij verdienden hen al dan niet bewust verbond met de levens van de tot slaaf gemaakten in Suriname, maar ook in niet-Nederlandse koloniën zoals Saint-­Domingue, dat eind achttiende eeuw de belangrijkste Caraïbische kolonie was totdat een algemene slavenopstand daar een einde maakte aan de slavernij. Voor een kleiner segment van de bevolking was Atlantische slavernij niet de bron van een stuk brood, maar van grote rijkdom. Een belangrijk deel van de achttiende-eeuwse Nederlandse elite hield zich actief bezig met het financieren, verzekeren, organiseren en mogelijk maken van het slavernijsysteem.

Dit artikel biedt een berekening van het gewicht van op slavernij gebaseerde activiteiten in het Nederlandse bbp voor het jaar 1770. Daarvoor is gebruik gemaakt van de schattingen van het bbp van Holland in de vroegmoderne periode die Jan Luiten van Zanden en Bas van Leeuwen in 2011 publiceerden.10 De belangrijkste bijdrage van ons artikel is een toetsbare hypothese over het economische gewicht van de Atlantische slavernij binnen de Nederlandse economie. De conclusie is dat op slavernij gebaseerde activiteiten in 1770 maar liefst 5,2 procent van het Nederlandse bbp uitmaakten en zelfs 10,36 procent van het bbp van Holland, meer dan tot nu toe werd verondersteld. Dit zijn geen marginale of kleine percentages. Twee hedendaagse voorbeelden kunnen helpen onze cijfers in perspectief te plaatsen. Een recent onderzoeksrapport van de Erasmus Universiteit Rotterdam concludeert dat het aandeel van de haven van Rotterdam in de Nederlandse economie, inclusief alle daarvan afhankelijke logistiek, industrie en zakelijke dienstverlening, in 2017 6,2 procent van het Nederlandse bbp bedroeg.11 Economen van een Amerikaanse overheidsinstelling schatten recent dat de digitale economie in 2016 6,5 procent bijdroeg aan het bbp van de Verenigde Staten en concludeerden dat het daarmee ging om een ‘notable contributor to the overall economy’.12 Het grote aandeel van de op slavernij gebaseerde activiteiten in het Nederlandse bbp is minder verrassend wanneer we ons realiseren dat, in waarde uitgedrukt, maar liefst 19 procent van alle Nederlandse handel in 1770 bestond uit handel in door slaven geproduceerde goederen als suiker, koffie en indigo. Het gaat dan zowel om ruwe producten als de heruitvoer van in Nederland bewerkte producten. Een uitgebreide Engelstalige bijlage biedt de onderliggende gegevens, zoals de hiervoor genoemde handelsschattingen, en de gebruikte methodologie om deze gegevens te relateren aan het bbp. In het vervolg van dit artikel plaatsen we onze benadering allereerst binnen internationale debatten. Vervolgens schetsen we de belangrijkste verschillen tussen onze benadering en eerdere, meer speculatieve pogingen om het gewicht van slavernij in de Nederlandse economie te schatten. Daarna volgen enkele korte methodologische opmerkingen en een uitsplitsing van de resultaten per economische sector. Tot slot onderzoeken we wat onze berekeningen voor het jaar 1770 ons kunnen vertellen over de rol van slavernij in de dynamiek van de Nederlandse economie in de tweede helft van de achttiende eeuw.

Het internationale debat

Onder de brede noemer van ‘de economische betekenis van Atlantische slavernij’ hebben historici de degens gekruist over uiteenlopende onderwerpen als de betekenis van de handel in koloniale goederen voor binnenlandse economische groei,13 de relatie tussen investeringen in het plantagesysteem enerzijds en industrieel kapitaal en kapitaalvorming anderzijds,14 de impact van slavernij op technologische ontwikkeling, instituties, geopolitiek, internationale geldstromen en boekhoudmethoden,15 en de lange-termijn gevolgen van slavernij voor de ontwikkeling van de kapitalistische wereldeconomie.16 Al deze debatten zijn gevoed door publieke belangstelling voor de manier waarop hedendaagse samenlevingen zijn beïnvloed door hun historische deelname aan Atlantische slavernij.17 Een basisvoorwaarde voor een zinvolle discussie over deze kwesties is uiteraard een betrouwbare analyse van het gewicht van de op slavernij gebaseerde activiteiten binnen de totale economie. Daarom richten wij ons hier primair op dit vraagstuk: de bijdrage van Atlantische slavernij aan het Nederlandse bbp.

Het debat over het belang van de slavenhandel en de plantagesector voor de binnenlandse economie van Europese staten is omvangrijk. Op slavernij gebaseerde activiteiten vormden wereldwijde commodity chains en hadden een blijvende sociale en economische invloed op maatschappijen in Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en Europa.18 Een groot deel van de opbrengsten van de genoemde commodity chains kwam terecht in Europa. Het hele bouwwerk van de trans-Atlantische slavenhandel en de Amerikaanse slavenmaatschappijen was immers bovenal opgezet ten behoeve van de economische belangen van kooplieden en investeerders in de leidende koloniale mogendheden van die tijd. Bijna 250 jaar geleden gaf Edward Long al een rudimentaire warenketenanalyse van de voordelen van Engelse bezittingen in de Caraïben voor de Britse economie in de jaren zeventig van de achttiende eeuw. Hiertoe maakte hij een ruwe reconstructie van zowel het inkomen uit kapitaaloverdracht, als dat uit verschillende onderdelen van de warenketen, waaronder de slavenhandel, transport van door slaven geproduceerde goederen, verzekeringen en makelaardij. Op basis van zijn schattingen concludeerde Long dat het netto-inkomen gerelateerd aan de Jamaicaanse plantage-economie in Groot-Brittannië in 1773 niet minder dan 1.249.164 pond bedroeg.19 Bijna twee eeuwen later gebruikte Richard Sheridan deze berekeningen voor zijn artikel over ‘The wealth of Jamaica in the eighteenth century’, een artikel dat aanleiding gaf tot een polemiek met Robert Paul Thomas, die de stelling bestreed dat Groot-Brittannië fors profiteerde van zijn Caraïbische koloniën.20

De polemiek tussen Sheridan en Thomas eindigde onbeslist, mede doordat er geen overeenstemming was of men ook rekening moest houden met de forse belastingopbrengsten, accijnzen, subsidies en militaire uitgaven om de waardevolle koloniën te beschermen. Of dat het geval is, hangt uiteraard af van de gehanteerde definitie van ‘nationaal inkomen’. Al vóór Sheridan, beargumenteerde Ralph Davis dat de toename van de Britse industriële productie nauw samenhing met Engelands koloniale expansie. Davis wees erop dat de Britse exporten naar het Europese vasteland stagneerden, terwijl het aandeel van Afrika en Noord- en Zuid-Amerika in de exportstatistieken meer dan verdubbelde in de eerste zeventig jaar van de achttiende eeuw.21 Sheridan voegde daaraan toe dat: ‘(…) the redirection of trade from continental Europe to the American colonies (…) gave access to new sources of primary products, new markets, new fields of investment – in sum, the innovations (…) were both cause and effect of the fundamental locational shift in the world’s economy’.22 Sheridan berekende een netto private Britse winst van 2.578.300 pond, een bedrag dat volgens de meeste toenmalige economisch-historici overeenkwam met ongeveer 4 procent van het Britse nationale inkomen in de jaren zeventig van de achttiende eeuw.23 Dat dit percentage een significante economische bijdrage vormde, werd een jaar na Sheridan’s artikel bevestigd door Davis zelf. Die stelde dat het welig tierende protectionisme in de achttiende eeuw samenhing met de grote belangen in de Atlantische circulatie van goederen en kapitaal.24

Het debat tussen Sheridan en Thomas toonde al aan hoe moeilijk het was om overeenstemming te bereiken over wat er wel en niet moest worden meegeteld in de nationale economie. Stanley Engerman beperkte zich daarom tot een bescheidener aanpak en richtte zich alleen op de winstgevendheid van de slavenhandel. Dat deed hij met het oog op de Williams These, hoewel hij direct toegaf dat Williams zelf een breder perspectief voor ogen had, waarin de slavenhandel slechts één onmisbaar element vormde binnen een breder, op slavernij gebaseerd Atlantisch systeem.25 Engerman stelde zichzelf tot taak om de bijdrage van de winsten uit de slavenhandel aan het Britse nationale inkomen vast te stellen en te bepalen of deze winsten vanuit macro-economisch perspectief bijdroegen aan de Britse industriële ontwikkeling. Hij concludeerde dat slavenhandelswinsten nooit meer dan 0,5 procent van het Britse nationale inkomen vormden, hoewel ze op hun hoogtepunt in 1770 wel 10,8 procent van de jaarlijkse spaarquote bedroegen.26 William Darity merkte in 1990 op dat Engerman het debat over de impact van slavernij had vernauwd tot de impact van de slavenhandel, een blikvernauwing met blijvende gevolgen.27 De ‘methode Engerman’ kreeg niet alleen veel navolging onder historici van het Britse Atlantische rijk, maar ook onder historici van andere Atlantische rijken, waaronder het Nederlandse.28

In 1983 plaatste Barbara Solow enkele kanttekeningen bij lage schattingen door zowel Engerman als Thomas van de voordelen die Groot-Brittannië door zijn Caraïbische koloniën genoot. Volgens Engerman waren de winsten van de slavenhandel betekenisloos voor de bredere economie, zelfs al waren ze twee keer zo groot geweest als in zijn berekening, dus 1 procent. Solow stelde daar tegenover dat deze 1 procent gelijk was aan maar liefst 39 procent van de totale commerciële en industriële investeringen.29 Ze verwierp ook Thomas’ beroep op alternatieve investeringsmogelijkheden door voor te rekenen dat in het hypothetische geval dat het in de Caraïbische plantages geïnvesteerde kapitaal, een geschatte 30 of 37 miljoen pond, in Engeland zelf zou zijn geïnvesteerd, dit hooguit 15 procent zou hebben opgeleverd van het rendement in het Atlantische slavernijcomplex.30 Maar eigenlijk, vervolgde Solow, ging het om een veel bredere kwestie, namelijk dat ‘slavery made more profits for investment, a larger national income for the Empire, and a pattern of trade which strengthened the comparative advantage of the home country in industrial commodities’.31 Hierop voortbouwend toonde Joseph Inikori aan dat de volledige groei van de Britse exporten aan de vooravond van de Industriële Revolutie viel toe te rekenen aan trans-Atlantische exporten, een groei die zelfs de afnemende exporten naar Europese markten goedmaakte. Kortom, volgens Inikori zou de Britse industriesector zijn gekrompen zonder de Atlantische wereld.32 Inikori wees ook op het feit dat de relatie tussen Atlantische slavernij en de Britse sociaaleconomische ontwikkeling twee kanten op werkte. De verdriedubbeling van de Caraïbische importen in Groot-Brittannië tussen 1740 en 1776 viel samen met snelle veranderingen in de Britse samenleving. In hetzelfde jaar als Inikori’s artikel, poneerde Richardson dat de groeiende Carïbische plantage-economie mogelijk verantwoordelijk was voor bijna de helft van de groei van de Britse binnenlands geproduceerde exporten in de periode. Het ging daarbij in het bijzonder om industrieel geproduceerde goederen.33

De bijdragen van Inikori en Richardson vielen samen met een wending van het debat, waarin opnieuw de oude vraag centraal kwam te staan of handel met de periferie überhaupt van betekenis was voor de ontwikkeling van de Britse economie. In een baanbrekend artikel uit 1982 concludeerde Patrick O’Brien van niet, op basis van het kleine aandeel van de oceaanhandel binnen het totaal aan economische activiteiten in Groot-Brittannië.34 In zijn latere werk nam O’Brien echter een ander standpunt in en suggereerde hij dat imperialisme en mercantilisme wel degelijk fors konden hebben bijgedragen aan de Britse economie, omdat de grootte van de handelssector op zich haar nog niet ‘perifeer’ maakte.35 Deze conclusie kreeg recent bijval van historici die wezen op de spectaculaire groei van de Atlantische handel in de vroegmoderne tijd en de ongelijke distributie van de daaraan gerelateerde directe inkomsten en institutionele effecten over Europese samenlevingen. Acemoglu, Johnson en Robinson concludeerden dat

between 1500 and 1850, the growth of nations with access to the Atlantic, and the growth of Atlantic ports, account for most of the differential growth of Western Europe relative to Eastern Europe. It therefore appears that the rise of Europe between 1500 and 1850 was largely the rise of Atlantic Europe and the rise of Atlantic ports.36

Nuala Zahedieh kwam via een meer kwalitatieve benadering tot soortgelijke bevindingen omtrent de langetermijn effecten van de slavernij op Britse instituties.37 Anderen, onder wie Klas Rönnbäck, heropenden het debat over de bijdrage van slavernij aan het Britse bbp met een gelijksoortige aanpak als de onze door alle schakels in de op slavernij gebaseerde warenketens te analyseren.38 Positief neveneffect van deze benadering is dat zij de verkokerde discussie over de relatie tussen Groot-Brittannië en zijn Atlantische rijk verbreedt naar andere Europese landen die eveneens profiteerden van Atlantische slavernijactiviteiten. Door breder te kijken dan de relatie tussen slavernij en de Industriële Revolutie zien we beter op welke andere manieren Europese naties konden profiteren van Atlantische slavernij. In het geval van Nederland ontketende de Atlantische handel bijvoorbeeld geen industriële revolutie, maar voorkwam zij wel een economische stagnatie en de neergang als handelsnatie. Daarnaast zullen we aantonen dat de Nederlandse Atlantische handel ervoor zorgde dat de traditioneel sterke commerciële sector kon profiteren van nieuwe internationale kansen. De Nederlandse casus bouwt zo voort op het hiervoor besproken internationale debat, maar voegt er ook nieuwe elementen aan toe.

Slavernij en de Nederlandse economie: slavenhandel of Atlantische handel?

Er is in Nederland veel gepubliceerd over de slavenhandel en de Nederlandse Atlantische handel in het algemeen in de late achttiende eeuw.39 Wat echter ontbreekt is een definitie welke activiteiten meegerekend moeten worden als op slavernij gebaseerd, en een expliciete methode om te bepalen hoe deze activiteiten onderling en ten opzichte van de economie als geheel gewogen moeten worden. Bovendien ontbreekt het in het huidige debat aan expliciete methodologische parameters die nodig zijn om te bepalen wat met wat vergeleken kan worden, op welke manier, en welke conclusies uit die vergelijking getrokken kunnen worden. Tot slot werd het Engelstalige debat over de Williams These door sommige auteurs bij voorbaat al als niet relevant bestempeld. Er was immers geen vroege industriële revolutie in Nederland.

Waarin het Nederlandse debat wel leek op de Britse discussie, is dat het vraagstuk van de economische betekenis van de slavernij vooral is benaderd vanuit de opbrengsten voor Nederland van de slavenhandel. De trans-Atlantische slavenhandel speelde weliswaar een cruciale rol in het functioneren van de plantage-economieën in de Nieuwe Wereld, maar deze rol vormde slechts één aspect van een veel breder economisch stelsel: de slavenhandel leverde gedwongen arbeidskracht voor de productie van tropische goederen.40 Hoewel de slavenhandel met zijn in het oog springende wreedheid de meeste publieke aandacht heeft gekregen in Europa, werd het grootste profijt uit de op slavernij gebaseerde activiteiten in werkelijkheid getrokken uit de gedwongen arbeid die de tot slaaf gemaakte arbeidskrachten jaar in jaar uit leverden, niet uit hun onvrijwillige transport naar de Nieuwe Wereld. Meer dan in de slavenhandel bleef het menselijk leed in die bredere sector echter verborgen achter complexe financiële constructies en onpersoonlijke prijsfluctuaties van tropische landbouwproducten. Zoals de cijfers in de volgende secties zullen aantonen, was de handel in door slaven geproduceerde suiker, koffie en andere producten niettemin de belangrijkste weg waarlangs de Nederlandse economie profiteerde van slavernij.

Op zichzelf beschouwd zijn noch slavenhandelswinsten, noch inkomsten uit de brutomarge op slavenverkopen of zelfs de totale omzet van de slavenhandel goede maatstaven voor de ontwikkeling van het aandeel van de op slavernij gebaseerde activiteiten in de totale economie. In het Nederlandse geval laat zich dat gemakkelijk aantonen, doordat de grootte van de slavenhandelssector in de achttiende eeuw relatief stabiel was, terwijl de waarde van de handel in door slaven geproduceerde goederen snel groeide (zie grafiek 1). Iedere poging om de economische betekenis van de slavernij te schatten op basis van cijfers die voornamelijk afkomstig zijn van de slavenhandel, levert daarom op zijn best een sterk onvolledig beeld op. Fatah-Black en Van Rossum leverden een welkome verbreding van het debat over de impact van de slavenhandel op de Nederlandse economie door zich te richten op de brutomarges in

  

Grafiek 1 Ontwikkeling Nederlandse slavenhandel (aantallen), opbrengsten slavenhandel en de waarde van importen uit de Nederlandse Atlantische koloniën in de achttiende eeuw (indexcijfers, 1701-1710 = 1) Bronnen: Index slavenhandel gebaseerd op http://www.slavevoyages.org/ (laatst geraadpleegd op 21-02-2019); Index ‘bruto marge’ gebaseerd op K. Fatah-Black en M. van Rossum, ‘Beyond profitability. The Dutch transatlantic slave trade and its economic impact’, Slavery & Abolition, 36:1 (2015) 63-83; Index waarde importen uit de Nederlandse Atlantische koloniën op W. Klooster, Illicit riches. Dutch trade in the Caribbean, 1648-1795 (Leiden1998) 176. 

plaats van de zeer beperkte maatstaf van de nettowinsten van slavenhandelaren. Ook zij concluderen echter dat de opbrengsten van de slavenhandel zelfs met deze rekenmethode niet meer bedroegen dan  63 tot 79 miljoen gulden over de hele periode tussen 1595 en 1829.41 Eltis, Emmer en Lewis stelden in hun repliek op dit artikel dan ook dat deze bevinding het beeld van de geringe betekenis van slavenhandel an sich voor de Nederlandse economie niet veranderde. Ten onrechte gingen ze er echter vanuit dat om deze reden de totale bijdrage van slavernij eveneens marginaal moest zijn geweest.42 Met behulp van een eenvoudige statistische test kan worden aangetoond dat er geen correlatie bestaat tussen de ontwikkeling van de brutomarge van de slavenhandel zoals berekend door Fatah-Black en Van Rossum en de ontwikkeling van de belangrijkste bron van slavernij gerelateerd inkomen: de directe import
  

Grafiek 2 Aantallen tot slaaf gemaakten die vervoerd werden naar Suriname, Berbice, Essequibo en Demarara en de waarde van importen uit de Nederlandse Atlantische koloniën vergeleken (indexcijfers, 1701-1710 = 1) Bronnen: Index slavenhandel gebaseerd op http://www.slavevoyages.org/ (laatst geraadpleegd op 21-02-2019); Index waarde importen uit de Nederlandse Atlantische koloniën op Klooster, Illicit riches, 176. 

van door slaven geproduceerde landbouwproducten vanuit de Nederlandse koloniën (zie tabel 1). Eenzelfde test bevestigt echter de stelling van Fatah-Black en Van Rossum dat de internationale slavenhandel een strategische rol speelde binnen het Atlantische systeem, een argument dat Eltis, Emmer en Lewis in hun antwoord wegwuiven. Er bestaat namelijk wel een sterke correlatie tussen het aantal Afrikanen dat als menselijk handelswaar in de Nederlandse koloniën Suriname, Berbice, Essequibo en Demerara aankwam en de waarde van importen uit de Nederlandse Atlantische koloniën, in het bijzonder als rekening wordt gehouden met een vertragingseffect doordat het enkele jaren duurde voordat de aanvoer van nieuwe gedwongen werkkrachten zich vertaalde in productiegroei (zie grafiek 2 en tabel 1).

De drie critici van Fatah-Black en Van Rossum ondermijnen hun eigen argumentatie nog verder met een serie speculaties, culminerend in de conclusie dat ‘neither the slave trade nor the whole Atlantic slave system’ van grote betekenis geweest konden zijn voor de Nederlandse economie.43

Tabel 1 Correlatie tussen slavenhandel en West-Indische goederenhandel
95 procent kritische waarden, Pearson test
Slavenhandel en West-Indische handel, 1701-1780 0,54 N-2=6; 0,707Geen significante correlatie
‘Bruto marge’ in de slavenhandel en waarde West-Indische handel, 1701-1780 0,65 N-2=6; 0,707Geen significante correlatie
Omvang slavenhandel naar Nederlands Guyana en waarde West-Indische handel, 1701-1780 0,80 N-2=6; 0,707Significante correlatie
Omvang slavenhandel naar Nederlands Guyana en waarde West-Indische handel, 1711-1780, inclusief vertragingsfactor van tien jaar 0,94 N-2=5; 0,754Significante correlatie

Er is echter een groeiende literatuur die wijst op het toenemende belang van de Atlantische handel voor de Nederlandse economie in de achttiende eeuw. Die omvatte niet alleen de slavenhandel, maar ook de veel omvangrijkere handel in door slaven geproduceerde goederen. De beschikbare cijfers voor importen en exporten verzameld voor fiscale doeleinden en de contemporaine schattingen van de totale buitenlandse handel door Cornelis van der Oudermeulen zijn weliswaar niet zonder vraagtekens, maar ze geven wel een overtuigend beeld van het grote belang van Atlantische handelsroutes voor de Nederlandse Republiek in de tweede helft van de achttiende eeuw.44 Tabel 2 geeft een samenvatting van beschikbare schattingen van de waarde van importen en exporten via de verschillende zeeroutes op verschillende momenten tussen 1770 en 1785.45 Zowel Van der Oudermeulen als De Vries en Van der Woude schatten dat de directe Atlantische handel destijds ongeveer 10 procent van de totale waarde van de Nederlandse handel omvatte. Volgens die laatsten overtrof de Atlantische handel in de tweede helft van de achttiende eeuw in grootte de handel van de voc. In totaal schatten ze de waarde van de directe Atlantische handel op 24 miljoen gulden, een bedrag dat De Vries in een later artikel nog opwaarts corrigeerde naar 28,4 miljoen.46 Wellings reconstructie van de handel aan de hand van het paalgeld liet verder zien, dat het aandeel van de Atlantische handel in de Amsterdamse importen nog aanzienlijk groter was. Bijna een kwart van alle importen in deze stad waren in 1771 direct uit het Atlantisch gebied afkomstig.47

Hierbij dient in het bijzonder te worden vermeld dat het groeiende belang van de Atlantische handel binnen de totale Nederlandse handel niet alleen afhing van een stijging van de productie in de Nederlands-Atlantische slavenkoloniën. Rond 1770 importeerden Nederlandse handelaren jaarlijks meer dan 8 miljoen gulden aan suiker en koffie uit Franse havens. Daarnaast bereikten grote hoeveelheden Franse plantageproducten de Republiek via de Caraïbische eilanden Sint Eustatius en Curaçao. Deze twee routes samen verbonden de Republiek aan de snelgroeiende plantageslavernij op Saint-Domingue (later Haïti), totdat de slavenopstand van 1791 daar een einde aan maakte. In de decennia voor de revolutie verwerkten Nederlandse suikerraffinaderijen miljoenen ponden suiker afkomstig van de Franse eilanden, die vervolgens werden geëxporteerd via de Rijn en de Sont en daarmee het Duitse en verdere achterland aan de slavernij koppelden.48 Koffie en indigo stroomden via

Tabel 2 Verschillende schattingen omvang Nederlandse handel, ca. 1770
Regio Van der Ouder­meulen De Vries en Van der Woude Enthoven
ca. 1780 Jaren 1770 ca. 1780
Waarde(f mln) % Waarde(f mln) % Waarde(f mln) %
Europa: Sont
Import 27 22
Export 17 17
Totaal 44 15,4 39 15,7
Europa: Rest
Import 73
Export 55
Totaal 143,3 50,1 128 51,7 135,0b 44,2
Rivierhandel
Import 10
Export 20
Totaal 34 11,9 30 12,1 62,7c 20,5
Azië
Import 20,5 20
Export 14,5 2
Totaal 35 12,2 22 8,9 37,9 12,4
Atlantisch
Import 22 22,4
Export 7,5 6
Totaal 29,5 10,3 28,4a 11,4 70d 22,9
Totaal alle handel 285,8 100 247,4a 100 305,6 100
a De Vries heeft zijn eerdere schattingen naar boven bijgesteld. Deze correctie is hier meegenomen. b Inclusief Sont.c Niet gespecificeerd. d Een reden waarom Victor Enthovens cijfers zo sterk afwijken, is dat hij Europese importen en her-exporten van koloniale goederen meerekent onder Aziatische en Atlantische handel.Bronnen: C. van der Oudermeulen, ‘Iets dat tot voordeel der deelgenooten van de Oost-Indische Compagnie en tot nut van ieder ingezeten van dit gemeenebest kan strekken’, in: G.K. van Hogendorp, Stukken raakende den tegenwoordigen toestand der Bataafsche bezittingen in Oost-Indië (Den Haag/Delft 1801); J. de Vries en A. van der Woude, The first modern economy. Success, failure, and perseverance of the Dutch economy, 1500-1815 (Cambridge 1997) 499; J. de Vries, ‘The Dutch Atlantic economies’, in: P.A. Coclanis (red.), The Atlantic economy during the seventeenth and eighteenth centuries. Organization, operation, practice, and personnel (Columbia 2005) 1-29, 28n63; V. Enthoven, ‘An assessment of Dutch Transatlantic commerce, 1585-1817’, in: J. Postma and V. Enthoven (red.), Riches from Atlantic commerce. Dutch transatlantic trade and shipping, 1585-1817 (Leiden/Boston 2003) 385-445, 444.

dezelfde routes door de Republiek, terwijl Nederlandse handelaren ook door slaven geproduceerde tabak uit de Britse koloniën importeerden, net als Braziliaans goud en tabak en kleine hoeveelheden goederen afkomstig uit de Deense Caraïbische koloniën. Tegelijkertijd exporteerde de Republiek levensmiddelen, jenever en scheepsbenodigdheden voor slavenhandelaren in andere Europese naties. De gecombineerde waarde van de verschillende op slavernij gebaseerde handelsstromen bedroeg in de jaren zeventig van de achttiende eeuw 57,3 miljoen gulden, ruim 23 procent van alle Nederlandse handel in die periode. Het grootste deel daarvan, ruim 19 procent van het totaal van de Nederlandse handel, bestond uit de import en her-export van suiker, koffie, tabak en andere door slaven geproduceerde goederen. Nederlandse handelaren verdienden via al deze verschillende routes niet alleen aan de productie door slaven in de Nederlandse koloniën, maar aan op slavernij gebaseerde activiteiten in het hele Atlantisch gebied. Handelsstatistieken geven echter nog geen informatie over het gewicht van deze sector binnen de economie. Daarvoor is het noodzakelijk om de toegevoegde waarde uit de op slavernij gebaseerde activiteiten te relateren aan de grootte van de economie als geheel. We hebben ervoor gekozen om dat te doen aan de hand van het bbp in lopende prijzen. De volgende sectie beschrijft deze procedure en presenteert onze uitkomsten.

Methodologie: op slavernij gebaseerde activiteiten en het Nederlandse bbp

bbp en bbp-groei zijn veelgebruikte maatstaven voor economische activiteit. Bruto Binnenlands Product verwijst naar de ‘de totale toegevoegde waarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en diensten’.49 bbp verschilt van het Bruto Nationaal Inkomen, een andere veelgebruikte indicator voor de grootte van een nationale economie, doordat het geen rekening houdt met primaire inkomens die inwoners van een land uit het buitenland ontvangen. In het geval van slavernij is dit duidelijk van belang, aangezien plantage-eigenaren in Nederland soms zeer grote dividenden incasseerden over hun investeringen, naast rentebetalingen voor verstrekte leningen. Over de jaarlijkse opbreng-

  

Illustratie 1 Twee tot slaaf gemaakte mannen graven een trens (afwateringskanaal) op een Surinaamse plantage (ca. 1850) (bron: Collectie Rijksmuseum Amsterdam, NG-2013-22-19). 

sten van plantage-investeringen voor plantage-eigenaren en investeer-

ders in Nederland is echter nog te weinig bekend. Evenmin is bekend hoeveel kapitaal moest worden afgeschreven door de financiële crisis in de vroege jaren zeventig van de achttiende eeuw. Het belangrijkste gegeven dat ten slotte ontbreekt, is een betrouwbare schatting van het nettoresultaat van Nederlandse buitenlandse investeringen buiten de plantagesector, bijvoorbeeld in Britse industriële ondernemingen. Om deze redenen lijkt het bni op dit moment geen geschikte maatstaf.50

Geen enkele economische indicator is perfect en vrijwel niemand die bekend is met de technische problemen en ideologisch beladen keuzes die komen kijken bij het construeren van moderne bbp-cijfers (laat staan historische bbp-cijfers) ziet deze indicator als de heilige graal van de nationale rekeningen.51 Toch relateren we in dit artikel op slavernij gebaseerde activiteiten aan het bbp, omdat we hierdoor een betekenisvolle schatting kunnen geven van de toegevoegde waarde uit op slavernij gebaseerde activiteiten die direct terecht kwam in de Nederlandse economie. Een van de grootste nadelen die kleven aan de keuze van het bbp als indicator is dat ze de winsten en andere inkomsten op de plantages zelf buiten beschouwing laat. De meeste berekeningen van het bbp rekenen de koloniën namelijk niet tot het binnenland.52 Dit is gedeeltelijk een methodologisch probleem (verschillende economische indicatoren meten nu eenmaal verschillende zaken), maar het is duidelijk dat dit nadeel voor onze doeleinden relevant is. De directe uitbuiting van de tot slaaf gemaakte bevolking door de plantage-eigenaren wordt met deze maatstaf gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door te kijken naar onpersoonlijke handelsstromen. We kunnen ons echter wel een beeld vormen van de immense massa gedwongen arbeid die nodig was voor de productie van plantagegoederen uit de Atlantische wereld aan de hand van het volume van de in 1770 in Nederland geïmporteerde suiker, koffie en tabak. Verscholen onder de Atlantische importcijfers liggen ongeveer 120.000 mensjaren slavenarbeid op plantages.53 Het relatieve belang van deze hoeveelheid werk wordt duidelijk, als we bedenken dat de Republiek destijds 1,9 miljoen inwoners telde, van wie hooguit een miljoen betaald werk hadden.

De wegen waarlangs de Nederlandse economie profiteerde van deze ontzagwekkende hoeveelheid slavenarbeid kunnen op veel verschillende manieren worden onderzocht. De hier gepresenteerde bbp-reconstructie geeft primair een beter beeld van het belang van economische sectoren die binnen Nederland weliswaar met loonarbeiders werkten, maar die door slavenarbeid geproduceerde producten verwerkten of anderszins afhankelijk waren van Atlantische slavenplantages. Gebruikmaken van bbp als indicator geeft ons bovendien de mogelijkheid om onze schattingen te relateren aan de meest complete reconstructie van de grootte van de pre-industriële Hollandse economie die op dit moment beschikbaar is: de bbp-reconstructie van Jan Luiten van Zanden en Bas van Leeuwen.54 Met enkele aanpassingen kan deze reconstructie ook gebruikt worden voor een bbp-schatting voor de gehele Nederlandse Republiek. Van Zanden en Van Leeuwen hebben de nationale rekeningen via de productiekant gereconstrueerd, waarbij de grootte van het bbp bepaald wordt door de netto-output (of toegevoegde waarde) van elke individuele tak van de economie bij elkaar op te tellen. Ze baseren hun bbp-schattingen op interpolatie van gegevens uit twee momenten waarvoor relatief volledige nationale rekeningen konden worden gereconstrueerd (1510/1514 en 1807), die ze vervolgens hebben bijgesteld aan de hand van geschatte benchmarks van 27 individuele sectoren van de economie waarvoor tijdreeksen opgesteld konden worden, verdeeld over de drie hoofdsectoren landbouw/visserij, industrie en dienstverlening.

De output-benadering van het bbp kent een methodologische valkuil (zelfs bij de berekening van hedendaagse bbp-cijfers), doordat in een geïntegreerde economie de output van de ene sector als input functioneert voor de andere. Dat leidt gemakkelijk tot dubbeltellingen, waarbij de toegevoegde waarde van grondstoffen en halffabricaten wederom is inbegrepen in de toegevoegde waarde van de eindproducten.55 Om deze reden is het noodzakelijk om de bijdrage van iedere sector afzonderlijk nauwkeurig te specificeren. Deze exercitie vereist in het bijzonder voorzichtigheid bij aaneengesloten handelsactiviteiten. Om een relevant voorbeeld te noemen; via de Sont geïmporteerde handelsgoederen, zoals ijzer en linnen, werden gebruikt om op de West-Afrikaanse kust slaven te kopen, waarvan de verkoopomzet in Suriname werd aangewend om ruwe suiker in te kopen, die in de Republiek werd geraffineerd en vervolgens via de Rijn opnieuw werd uitgevoerd naar het Duitse achterland. Een extra complicatie bij het scheiden van inputs en outputs is het gebrek aan prijsgegevens voor de verschillende stappen in deze handelsketen. Vaak kunnen we ons uitsluitend baseren op goederenprijzen op de Amsterdamse beurs, die slechts één punt in deze keten representeren. In werkelijkheid profiteerden kooplieden juist van prijsverschillen tussen verschillende markten in een complex web van internationale handelsbewegingen.56 Van Zanden en Van Leeuwen presenteren hun methodologie in een uitgebreide bijlage, waar ze een toelichting geven op de vele noodzakelijke gissingen en beredeneerde schattingen die komen kijken bij het reconstrueren van de netto toegevoegde waarde per sector.57 Onze bijlage bij dit artikel biedt details over de manier waarop wij deze methodologie op onze gegevens hebben toegepast. Daarnaast bevat de bijlage een controle van de gehanteerde veronderstellingen in het reconstrueren van de toegevoegde waarde in de handel en scheepvaart op basis van de financiële gegevens van meer dan honderd reizen van de Middelburgse Commercie Compagnie (mcc), die de betrouwbaarheid van onze rekenmethode bevestigt voor de belangrijkste handelstak die we in dit artikel analyseren: de directe Atlantische handel.

Onze resultaten

Op basis van de hierboven beschreven methode, concluderen we dat de op slavernij gebaseerde activiteiten in 1770 10,36 procent vormden van het bbp van Nederlands rijkste provincie, Holland. Tabel 3 toont een uitsplitsing per sector. De op slavernij gebaseerde bijdrage aan het Nederlandse bbp is relatief eenvoudig uit dit percentage af te leiden, aangezien wij een groot deel van onze cijfers voor Holland hebben afgeleid uit totaalcijfers voor de Nederlandse Republiek. Zoals we in de bijlage verder uiteenzetten, schatten we deze bijdrage voor de Republiek als geheel op 5,2 procent. Onze berekeningen tonen de connecties tussen de binnenlandse economie van Nederland en Atlantische slavernij in de volle breedte. Het is in één oogopslag duidelijk dat de bijdrage van de op slavernij gebaseerde activiteiten overwegend geconcentreerd

Tabel 3 Bijdrage van op slavernij gebaseerde activiteiten aan het BBP van Holland, 1770 (x f 1000)
Sector Sector totaal Activiteit Activiteit totaal Op slavernij gebaseerd totaal Percentage op slavernij gebaseerd Percentage op slavernij gebaseerd als aandeel van het bbp
Landbouw en visserij 19.919,6
Industrie 48.404,1
Waarvan: Scheepsbouw 3.071,15 974 31,74 0,55
Waarvan: Suikerraffinage 696,39 682 98,00 0,39
Diensten 108.746
Waarvan: internationale handel 42.629,6 10.620 24,91 6,00
Waarvan: scheepvaart 8.537,94 2.710 31,74 1,53
Waarvan: Banken en financiële diensten 910,78 296 32,51 0,17
Waarvan: Notarissen 1.777,95 222 12,50 0,13
Waarvan: Leger en vloot 6.393,76 334 5,23 0,19
Sector overstijgend Binnenlandse productie, handel en transport 2.500 1,41
Totaal 177.069 18.340 10,36

was in de dienstensector van de economie, in het bijzonder internationale handel (6,0 procent van het bbp van Holland) en scheepvaart (1,5 procent). Kleinere bijdragen kwam uit de ondersteunende rol van de Hollandse financiële sector, te weten bankiersactiviteiten (0,17 procent) en notariële dienstverlening (0,13 procent). Een vrij groot deel van de dienstensector in de berekeningen van Van Zanden en Van Leeuwen wordt gerepresenteerd door de activiteiten van de overheid, het leger en de Admiraliteiten. Aangezien het binnenlandse personeelbestand van de diverse overheidsorganen die de plantagekoloniën administreerden verwaarloosbaar klein was, kennen we aan deze tak geen op slavernij gebaseerde bijdrage aan het bbp toe. Ook militaire uitgaven ten behoeve van de bescherming van slavenkoloniën hebben we niet of nauwelijks meegeteld. Weliswaar ging het ten aanzien van Suriname rond 1770 om een substantieel bedrag, maar dit was vrijwel geheel in de kolonie opgebracht, beheerd en uitgegeven. Binnen deze tak hebben we daarom slechts gekeken naar uitgaven aan marine-operaties ter bescherming van de Atlantische handel, waarvoor substantiële bedragen in de binnenlandse economie werden besteed aan lonen en bevoorrading (0,19 procent). Het gaat technisch gezien om bedragen die gedeeltelijk ook aan andere sectoren toegerekend zouden kunnen worden, zoals de landbouw (voor de victualiën) of industrie (scheepsbouw). Aangezien Van Zanden en Van Leeuwen dergelijke bedragen onder de militaire tak van de dienstensector scharen, hebben wij hen daarin gevolgd. Zoals gezegd behandelen Van Zanden en Van Leeuwen ook verzekeringsmaatschappijen niet als afzonderlijke tak, reden waarom wij ook de (waarschijnlijk aanzienlijke) winsten van verzekeraars van op slavernij gebaseerde handel zonder verdere specificatie hebben opgenomen onder de post internationale handel.63 Het uitsplitsen van het winst­aandeel van verzekeraars zou de verhouding tussen het aandeel van de dienstensector en de andere sectoren overigens niet wijzigen.

Aangezien we te maken hebben met een deel van de economie dat draaide op de vruchten van slavenarbeid ver buiten de Nederlandse landsgrenzen, is het niet verrassend dat een groot deel van het binnenlandse op slavernij gebaseerde inkomen voortkwam uit internationale handel. Niettemin blijft het overwicht van deze sector in onze berekening opmerkelijk. In Groot-Brittannië werd de Atlantische wereld een belangrijk afzetgebied voor binnenlandse producenten, terwijl de slavenplantages tegelijk de grondstof leverden voor de textielindustrie die uitgroeide tot een van de meest dynamische onderdelen van de nationale economie.64 In Nederland was de helft tot wellicht driekwart van de goederen die werden geëxporteerd naar de slavenkoloniën niet binnenlands gefabriceerd, maar geïmporteerd uit andere delen van Europa. Nederland importeerde textiel uit Azië, geweren uit de Zuidelijke Nederlanden, ijzer uit Zweden ten behoeve van de slavenhandel, bouwmaterialen voor de plantages uit Noord-Europa, wijn uit Frankrijk en linnen uit Silezië voor de handel op het Atlantisch gebied. Slechts een klein deel van de textiel, wapens, voedingswaren, jenever en kleipijpen ten behoeve van de slavenhandel en de consumptie door slaven was in Nederland geproduceerd.65

Scheepsbouw leverde een substantiële op slavernij gebaseerde bijdrage aan de binnenlandse economie (0,55 procent), mede dankzij de distributieve functie van de Hollandse economie binnen het bredere Europees-Atlantische complex. In de rekenmethode van Van Zanden en Van Leeuwen is de toegevoegde waarde van de scheepsbouwsector afgeleid uit de noodzakelijke activiteit om de handelsvloot te onderhouden en uit te bouwen. Zij wegen de verschillende onderdelen van deze handelsvloot aan de hand van het gemiddelde tonnage van schepen op verschillende routes en de afgelegde afstanden.66 Deze methode levert slechts ruwe schattingen op. Toch mogen we aannemen dat een substantieel deel van het totale tonnage van de handelsvloot werd ingezet voor directe Atlantische importen, dan wel de circulatie van door slaven geproduceerde goederen binnen Europa. De omvang van deze grote binnenlandse sector werd aan het eind van de achttiende eeuw in belangrijke mate een uitvloeisel van Nederlands prominente rol in de op slavernij gebaseerde handel. De belangrijkste verwerkingsindustrie die met door slaven geproduceerde goederen werkte, was de Nederlandse suikerindustrie (0,39 procent van het bbp). Naar schatting huisvestte Amsterdam rond 1770 maar liefst 110 raffinaderijen, van de 150 raffinaderijen in heel Holland. Deze verwerkten ongeveer 50 miljoen pond ruwe suiker per jaar en boden werk aan meer dan 4.000 arbeiders.67 Deze aan de Atlantische expansie gekoppelde sector was de grote uitzondering in het algemene beeld van stagnatie in de industriële sector van Holland en ‘loomed large in the eighteenth-centry Republic’s economic ­life’.68 Anders dan de Britse textielindustrie had deze sector echter niet de potentie om uit te groeien tot een aanjager van een binnenlandse industriële revolutie.

Sommige ondersteunende activiteiten voor de uitvoerhandel naar de slavenplantages die duidelijk bijdroegen aan de binnenlandse economie, zoals de bevoorrading van slavenschepen, zijn lastig onder te brengen in een enkele sector. Binnen de beperkingen van de gekozen methode, is het bijvoorbeeld vrijwel onmogelijk om te bepalen welk deel van de toevoegde waarde tot de agrarische sector behoorde, welk deel

  

 

tot de voedselverwerkende industrie en welk deel tot de binnenlandse transport en handel. Aan het andere uiteinde van de keten bevatte de koffiehandel elementen van verwerking, zoals roosteren en malen, die niet door een afzonderlijke industrie uitgevoerd werden. We hebben de vrijheid genomen om dergelijke lastig te categoriseren activiteiten samen te voegen tot één enkele restpost (1,41 procent), waarbij we in de bijlage aangeven wat hier onder valt. De bestanddelen in deze restpost zijn meer dan in andere posten afhankelijk van gissingen en beredeneerde schattingen. Tevens hebben wij een aantal kleinere posten waarvoor geen goede cijfers aanwezig zijn buiten beschouwing moeten laten, zoals de verwerkingsindustrie voor indigo en de leveranties aan de Europese handelsvloot ten behoeve van de heruitvoer van door slaven geproduceerde goederen. Ondanks dat liggen onze resultaten aanzienlijk hoger dan eerdere schattingen. De mcc-gegevens in bijlage 1 tonen de betrouwbaarheid van onze rekenmethode voor de grootste op slavernij gebaseerde tak, namelijk de internationale handel en scheepvaart, die samen verantwoordelijk waren voor 72,7 procent van alle op slavernij gebaseerde activiteiten binnen de Hollandse economie. Elke beredeneerde schatting is op zijn best het beginpunt van een nieuwe discussie, maar onze resultaten geven op zijn minst een goede indicatie van de grootte van deze sector binnen de Nederlandse economie in de late achttiende eeuw.

Van een statische observatie naar een dynamisch beeld

Tot dusver hebben we ons gericht op een reconstructie van het belang van de op slavernij gebaseerde activiteiten voor de Nederlandse economie in het enkele jaar 1770. Onze berekeningen laten zien dat 5,2 procent van het Nederlandse bbp, en zelfs 10,36 procent van het bbp van de rijkste provincie Holland, waren gebaseerd op de Atlantische slavernij. We hebben bovendien vastgesteld dat veruit het grootste deel van deze bijdrage geconcentreerd was in de internationale handel en scheepvaart van goederen geproduceerd door slavenarbeid, zowel op plantages in de Nederlandse West-Indische koloniën als binnen de Atlantische plantagesector van andere Europese machten. In deze paragraaf zullen we deze statische observatie gebruiken als uitgangspunt om het belang van slavernij voor de ontwikkeling van de achttiende-eeuwse Nederlandse economie te onderzoeken. Daarvoor is het allereerst van belang om vast te stellen dat 1770 geen uitzonderlijk jaar was. We hebben eerder in het artikel al onze overwegingen gegeven om hiervan uit te gaan, maar we kunnen dit verder aantonen door op basis van de resultaten een tijdserie van enkele decennia rond 1770 te reconstrueren. Dit hebben we gedaan aan de hand van een relatief eenvoudig te begrijpen model.69 In dit model zijn we ervan uitgegaan dat de op slavernij gebaseerde activiteiten in een aantal sectoren (notarisdiensten, leger en vloot, en de suikerraffinage, omdat die laatste activiteit vrijwel volledig afhankelijk was van Atlantische slavernij) zich ontwikkelden in directe verhouding tot de ontwikkeling van de bredere tak waar ze onderdeel van uitmaakten. Voor bankiersdiensten hebben we deze veronderstelling niet gevolgd, en zijn we in plaats daarvan uitgegaan van de extreme aanname dat de toegevoegde waarde vóór 1761 en na 1772 minimaal of zelfs nihil was, om rekenschap te geven van de snelle opkomst en gedeeltelijke instorting van het stelsel van negotiatieleningen.70 Voor de toegevoegde waarde in de grootste op slavernij gebaseerde takken – namelijk die takken van de economie die verbonden waren aan de invoer en uitvoer van en naar het Atlantische slavernij complex – stelden we twee afzonderlijke gewogen indices op voor respectievelijk de handel en de scheepvaart, gebaseerd op de totale waarde van de suiker- en koffie-invoer. Gezien het grote belang van deze twee producten binnen het totaal, beschouwen we deze indices als een goede graadmeter voor de fluctuaties in de op slavernij gebaseerde internationale handel en scheepvaart en de takken van de binnenlandse economie die daarmee verbonden waren.

Grafiek 3 toont de groei van slavernijgerelateerde activiteiten rond het midden van de achttiende eeuw, van een aandeel van ongeveer 4,5 tot 6 procent van het bbp van Holland tot meer dan 10 procent in alle jaren na 1770. Van de 24 jaar waarvoor we over voldoende importgegevens beschikken om onze indices op te baseren, lag het op slavernij ge-

baseerde aandeel in het Hollandse bbp vijf jaar (1761, 1762, 1777 en

  

Grafiek 1 Ontwikkeling Nederlandse slavenhandel (aantallen), opbrengsten slavenhandel en de waarde van importen uit de Nederlandse Atlantische koloniën in de achttiende eeuw (indexcijfers, 1701-1710 = 1) Bronnen: Index slavenhandel gebaseerd op http://www.slavevoyages.org/ (laatst geraadpleegd op 21-02-2019); Index ‘bruto marge’ gebaseerd op K. Fatah-Black en M. van Rossum, ‘Beyond profitability. The Dutch transatlantic slave trade and its economic impact’, Slavery Abolition, 36:1 (2015) 63-83; Index waarde importen uit de Nederlandse Atlantische koloniën op W. Klooster, Illicit riches. Dutch trade in the Caribbean, 1648-1795 (Leiden1998) 176. 

1778, en 1779) boven de 14 procent, dus nog aanzienlijk hoger dan in ons peiljaar (1779 is niet opgenomen in Grafiek 3, aangezien dit jaar te zeer een outlier naar boven toe vormt). De (minder volledige) handelsgegevens voor de periode na 1780 doen vermoeden dat de op slavernij gebaseerde bijdrage aan het bbp van Holland tijdelijk sterk afnam als gevolg van de Vierde Engelse Oorlog. Daarna steeg ze echter weer tot op een iets lager niveau dan de piek van het eind van de jaren zeventig van de achttiende eeuw, maar wel tot een niveau dat overeenkomt met het gemiddelde voor de jaren na 1761. Op slavernij gebaseerde activiteiten hadden niet alleen een groot gewicht binnen de Hollandse economie in de tweede helft van de achttiende eeuw, maar gaven ook een belangrijke impuls aan de economische groei. Terwijl de Hollandse economie als geheel met 51,9 miljoen gulden groeide in de vier decennia tussen 1738 en 1779, nam de op slavernij gebaseerde bijdrage aan het bbp toe met maar liefst 20,5 miljoen. Bijna 40 procent van de economische groei in deze periode werd dus gerealiseerd binnen deze sector.

Hoewel onze cijfers over het belang van slavernij voor de economie van de Republiek voor sommigen wellicht verrassend zullen zijn, wordt de algehele tendens die er uit spreekt bevestigd door de literatuur. Klooster en anderen hebben aangetoond dat de Nederlandse economie in de meeste jaren na 1750 volop profiteerde van het beleid van neutraliteit te midden van veelvuldige internationale conflicten. Dat gold niet in de laatste plaats voor Curaçao en Sint Eustatius als entrepots voor door slaven geproduceerde producten.71 Aan de andere kant bewees de ineenstorting van de Nederlandse Atlantische handel tijdens de Vierde Engelse Oorlog en na de Franse invasie van 1795 de kwetsbaarheid van dit systeem. Toch is het belangrijk om te benadrukken dat de tweede helft van de achttiende eeuw veel meer jaren kende waarin de Nederlandse economie profiteerde van internationale conflicten, dan jaren waarin oorlog de handel belemmerde. Het is zeker ongegrond om de periode na de Vierde Engelse Oorlog als startpunt voor de terminale crisis of teruggang van de Nederlandse Atlantische commercie te beschouwen.72 Zoals tabellen 4 en 5 laten zien, bleef de hoeveelheid door slaven geproduceerde goederen die naar Nederland werden geëxporteerd ook na 1784 onverminderd groot.

Het is onmogelijk te ontkennen dat door slaven geproduceerde Atlantische importen een belangrijk onderdeel van de Nederlandse handel waren in de tweede helft van de achttiende eeuw. Dit is een argument tegen een redenatie op basis van een zogenaamde counterfactual, die erop neer komt dat er voor de investeringen in op slavernij gebaseerde activiteiten gemakkelijk alternatieve bestemmingen gevonden hadden kunnen worden. Eltis, Emmer en Lewis presenteerden zo een redenering in hun kritiek op Fatah-Black en Van Rossum:

In a market economy where prices adjust, ships and crews would have found employment, and guns, textiles, and other cargo would have been put to ­other uses. And investments in the Dutch Atlantic were almost never exclusively linked to the slave trade or to slavery. Without much difficulty, investors could transfer their money to other sectors of the economy.73

De vraag is echter in welke alternatieve takken van de destijds zwaar onder druk staande industriële en handelssector van Nederland de in op slavernij gebaseerde activiteiten gebruikte productiefactoren ‘zonder veel moeite’ ingezet hadden kunnen worden. Voor de internationale handel en de scheepvaart gaat het volgens onze schatting om tussen twintig en vijfentwintig procent van alle economische activiteit. Het feit dat kapitaal in de Nederlandse Republiek inderdaad relatief vrij kon bewegen, resulteert volgens ons in een veel waarschijnlijker counterfactual

scenario. In specifieke delen van Nederland, vooral in de handelssteden Amsterdam, Rotterdam, Middelburg en Vlissingen, zou de afwezigheid van de op slavernij gebaseerde activiteiten hebben geleid tot een diepe economische crisis.74 In Holland waren tot op zekere hoogte economische alternatieve aanwezig en zou de aanvankelijke schok waarschijnlijk langzaam gedeeltelijk geabsorbeerd zijn door de inzet van handelskapitaal, schepen en zeelieden op andere, over het algemeen minder winstgevende korte handelsroutes. De Nederlandse afhankelijkheid van de Franse, Engelse en Iberische heruitvoer naar Noord-Europa zou zijn gegroeid. De kwetsbaarheid van de Nederlandse handelssector voor Europese concurrentie, waar vooral Holland van afhankelijk was, zou daarmee sterk zijn toegenomen. Intussen zou de groei van de Rijn tot belangrijke handelsroute met het Europese achterland pas veel later op gang zijn gekomen, omdat die route vóór de industriële revolutie in het Roergebied sterk afhankelijk was van de handel in koloniale goederen. Dat had zowel Amsterdam als Rotterdam een grote slag toegebracht.75 Een deel van het kapitaal dat productief geïnvesteerd was in de op slavernij gebaseerde verwerkingsindustrie of in de productie van exportgoederen naar Atlantische slavenkoloniën had tot slot mogelijk een ander investeringsdoel gevonden in de Republiek. Het is echter waarschijnlijker dat een nog groter deel de algemene trend in de kapitaalmarkten na 1740 had gevolgd en in het buitenland was geïnvesteerd, bijvoorbeeld in buitenlandse staatsobligaties of in de Britse industrie.76 Een dergelijke kapitaalvlucht zou zeker sterk nadelige gevolgen hebben opgeleverd voor het Nederlandse bbp.77

Beter te beantwoorden dan de vraag wat er gebeurd zou zijn als de Nederlandse elites op een mooie zomerdag in 1750 hadden besloten alle op slavernij gebaseerde activiteiten links te laten liggen, is de vraag naar de distributieve effecten van hun daadwerkelijk groeiende betrokkenheid erbij. Het belangrijkste verdelingseffect was uiteraard dat het profijt van de slavenarbeid in de Nederlandse, maar ook de Engelse, Franse, Spaanse, Portugese en Deense overzeese koloniën grotendeels terechtkwam in de Nederlandse economie. Onze berekeningen laten daarnaast echter ook duidelijk zien dat de vruchten van hun gedwongen arbeid niet evenredig verdeeld werden binnen die Nederlandse economie. Zoals Gerhard de Kok heeft aangetoond door de voorwaartse en achterwaartse connecties van deze handel met de stedelijke en rurale economie van Walcheren te reconstrueren, had de slavenhandel grote lokale effecten op de economie van Zeeland, de belangrijkste slavenhandelsprovincie in de achttiende eeuw.78 Het merendeel van de slavernijwinsten kwam echter niet daar terecht. Ons onderzoek naar het gewicht van alle op slavernij gebaseerde activiteiten bevestigt dat het vooral Nederlands rijkste provincie Holland was die profiteerde van het Atlantische slavernijcomplex. Het zelfs voor Holland grote aandeel van op slavernij gebaseerde importen in Amsterdam, de meer dan honderd suikerraffinaderijen in die stad, en de explosieve groei van de Rijnhandel suggereren dat binnen Holland Amsterdam en Rotterdam de grootste profijten trokken. De mate waarop deze voordelen afkomstig waren uit internationale handel onderstreept de centrale rol van slavernij voor de grote koopmansfamilies die de Nederlandse economie en politiek in de vroegmoderne tijd domineerden. Veel op slavernij gebaseerde activiteiten leverden een inkomen op voor leden van de stedelijke middenklasse buiten deze rijke elite.79 Maar nog meer dan tot dusver is aangenomen, onderstreept onze reconstructie dat slavernij eind achttiende eeuw vooral een kurk was onder de activiteiten van de koopmansfamilies in de grachtenpanden van Amsterdam en andere Hollandse handelssteden.80

Conclusies

De vraag naar het belang van slavernij voor de Europese economieën die het meest betrokken waren bij het Atlantische plantagecomplex bezielt al decennialang academische en publieke debatten. Vooral de invloedrijke these uit Eric Williams’ Capitalism and Slavery dat de betrokkenheid bij slavenhandel en plantageslavernij de Engelse Industriële Revolutie een significante impuls gaf, heeft al verschillende generaties historici beziggehouden. Als onderdeel van de bredere problematiek rond dit thema onderzochten economisch historici uiteenlopende vraagstukken als de betekenis van de op slavernij gebaseerde Atlantische handel voor nationale industrieën, kapitaalvorming, financiële systemen, economische instituties, en de kapitalistische wereldeconomie, daarbij gebruikmakend van een grote diversiteit aan indicatoren. Voor zover historici deze vraagstukken voor de Nederlandse casus niet negeerden wegens de afwezigheid van vroege industrialisatie, draaiden speculaties over het economische belang van slavernij voor Nederland tot dusver vooral om de winsten uit de slavenhandel. Andere historici bestudeerden de groei van de Atlantische handel, maar vaak zonder uit te werken wat die betekende voor het gewicht van op slavernij gebaseerde activiteiten in de Nederlandse economie. Dit artikel is de eerste systematische poging om de bijdrage van alle op slavernij gebaseerde takken van de economie aan het Nederlandse bbp in de tweede helft van de achttiende eeuw te berekenen, waarbij we gebruikmaken van een controleerbare rekenmethode. Deze werkwijze stelt ons in staat om conclusies te trekken die zowel voor Nederlandse als internationale debatten belangwekkend zijn.

1. Op slavernij gebaseerde activiteiten vormden 5,2 procent van het Nederlandse bbp in het jaar 1770 en zelfs 10,36 procent van het bbp van de rijkste provincie Holland. We komen tot deze conclusie door gebruik te maken van de outputmethode van nationale rekeningen die Jan Luiten van Zanden en Bas van Leeuwen toepasten op de vroegmoderne Hollandse economie, waarbij wij consequent zijn uitgegaan van voorzichtige schattingen. Het hoge aandeel van de op slavernij gebaseerde activiteiten in het bbp reflecteert de grote rol van Nederland – en in het bijzonder van Holland – in internationale op slavernij gebaseerde commodity chains of distributieketens. Deze ketens liepen van de exporterende producenten die overzeese koloniën bevoorraadden, tot de slavenhandelaren die de plantages voorzagen van onvrijwillige arbeidskrachten, tot de dwangarbeid op plantages onder dreiging van zweepslagen, en vandaar uit naar de Europese moederlanden en achterlanden die in de achttiende eeuw op enorme schaal door slaven geproduceerde producten als suiker en koffie consumeerden. Deze ketens verbonden de Nederlandse economie niet alleen met de op slavernij gebaseerde productie in Suriname en andere Nederlandse koloniën, maar ook aan de plantagecomplexen van andere Europese machten. Vooral de Franse kolonie Saint-Domingue was hierbij van grote betekenis, aangezien Nederlandse handelaren in deze periode belangrijke importeurs en verwerkers van Franse koffie en suiker werden, die ze her-exporteerden naar Noord- en Centraal-Europa.

2. Het jaar 1770, waarvoor we gedetailleerde berekeningen hebben gemaakt, was representatief voor de economische trend in de tweede helft van de achttiende eeuw. De explosieve groei van de productie op slavenplantages in Suriname en de andere Nederlandse koloniën in Zuid-Amerika, gecombineerd met de internationale boom in koffie- en suikerconsumptie, garandeerde een consistent hoog aandeel (in ons peiljaar 1770 19 procent) van door slaven geproduceerde goederen in de totale Nederlandse buitenlandse handel. De Nederlandse economie profiteerde hiervan zowel als directe leverancier van door slaven geproduceerde goederen, als ook als tussenschakel tussen de Atlantische slavencomplexen van andere Europese landen en het Noord- en Centraal-Europese achterland. Gebaseerd op een gewogen index, maakten we de projectie dat het aandeel van op slavernij gebaseerde activiteiten in het Hollandse bbp groeide van 4,5 tot 6 procent in de jaren veertig van de achttiende eeuw tot meer dan 14 procent in de late jaren zeventig. Maar liefst veertig procent van de totale economische groei van de provincie Holland in deze periode was te danken aan de groei van op slavernij gebaseerde activiteiten. De speculatiedrift in negotiatieleningen die eindigde in de financiële crisis van 1771/1772 levert geen fundamentele vertekening op, aangezien rentebetalingen op plantageleningen en dividenden op investeringen in de koloniën nauwelijks zijn meegewogen in onze berekening van het bbp.

3. Onze uitsplitsing van de toegevoegde waarde in verschillende onderdelen van de op slavernij gebaseerde commodity chain laat zien welke onderdelen van de Nederlandse economie het meest profiteerden. Niet de slavenhandel, maar de handel in door slaven geproduceerde goederen was de belangrijkste manier waarop de Nederlandse economie profijt trok uit de Atlantische slavernij. Extrapolaties op basis van de slavenhandel, op welke manier ook berekend, zullen altijd leiden tot een forse onderschatting van het belang van de op slavernij gebaseerde sector. De groei van de handel in door slaven geproduceerde suiker en koffie ondersteunde de internationale handel van Holland in de economisch moeilijke tweede helft van de achttiende eeuw en opende de Rijnhandel met het Duitse achterland. Daarnaast bood deze groei, zij het in mindere mate, kansen aan de onder druk staande industriesector, dankzij de verwerking van ruwe suiker en de productie van exportgoederen, schepen en benodigdheden voor de Atlantische handel.

4. Aangezien de toegevoegde waarde van de op slavernij gebaseerde activiteiten vooral geconcentreerd was in de internationale handel en scheepvaart, is het niet verrassend dat de belangrijkste groep die profiteerde van slavernij bestond uit internationale kooplieden en bankiers in Holland, vooral in Amsterdam. De slavenhandel vormde een belangrijke economische sector in de Zeeuwse steden Middelburg en Vlissingen, maar het aandeel ervan in het Nederlandse bbp was klein vergeleken met de totale op slavernij gebaseerde inkomsten in de rijkste en invloedrijkste provincie van Nederland. Zoals de in de inleiding genoemde achttiende-eeuwse memorie over het belang van Suriname voor de Amsterdamse economie al stelde, waren de op slavernij gebaseerde activiteiten daar alomtegenwoordig.

5. De Nederlandse casus voegt een nieuw element toe aan internationale debatten over de betekenis van slavernij voor Europese economieën door een tegenwicht te bieden tegen de nauwe benadering die het economisch belang van slavernij alleen beschouwt in relatie tot de Britse industriële revolutie. De Nederlandse betrokkenheid bij Atlantische slavernij in de tweede helft van de achttiende eeuw vervulde andere, maar eveneens economisch belangrijke rollen. De Atlantische slavernij ondersteunde de economie van één van de meest commerciële samenlevingen in Europa, gaf nieuwe richtingen aan handel en investeringen en vertraagde de kapitaalvlucht. Dit is niet de plaats om te onderzoeken of de toegenomen economische afhankelijkheid van de koloniale handel, die doorzette tot diep in de negentiende eeuw, alternatieve wegen naar economische groei in de weg zat of juist hielp om er de fundamenten voor te leggen. In dit artikel hebben wij onderzocht wat het gewicht was van op Atlantische slavernij gebaseerde activiteiten binnen de Nederlandse economie in de tweede helft van de achttiende eeuw, een vraag die de afgelopen jaren aanleiding vormde voor verhit wetenschappelijk en publiek debat. Onze conclusie is dat met 5,2 procent van het bbp in 1770 en 10,36 procent van het bbp van Nederlands rijkste provincie Holland, de betekenis van de Atlantische slavernij voor de Nederlandse economie veel groter was dan tot nu toe is verondersteld, en zeker niet als marginaal beschouwd kan worden.

Voor de gedetailleerde berekeningen: zie Annex van dit artikel op www.tseg.nl.

Over de auteurs

Pepijn Brandon is ud Economische en Sociale Geschiedenis aan de Vrije Universiteit, en Senior Onderzoeker aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Hij is auteur van War, Capital, and the Dutch State (1588-1795) (Leiden/Boston 2015), ontving in 2013 een nwo-Rubicon en in 2016 een nwo-Veni voor onderzoeksprojecten over slavernij, oorlog en kapitalistische ontwikkeling in internationaal comparatief perspectief. In 2020 zal hij op uitnodiging doceren aan Harvard University als The Erasmus Lecturer on the History and ­Civilization of the Netherlands and Flanders.

E-mail: pepijn.brandon@iisg.nl

Ulbe Bosma is Senior Onderzoeker aan het Internationaal Instituut voor Socia­le Geschiedenis en bijzonder hoogleraar Internationale Comparatieve Sociale Geschiedenis aan de Vrije Universiteit. Hij publiceerde onder meer Terug uit de koloniën. Zestig jaar postkoloniale migranten en hun organisaties (Amsterdam 2009) The Sugar Plantation in India and Indonesia (New York 2013) en The ­Making of a Periphery. How Island Southeast Asia Became a Mass Exporter of ­Labor (New York 2019).

E-mail: ubo@iisg.nl

1 Dit artikel vormt de synthese van het door nwo gefinancierde project Slaves, commodities and logistics. The direct and indirect, the immediate and long-term economic impact of eighteenth-century Dutch Republic transatlantic slave-based activities, nwo -Projectnummer 360-53-170, hoofdaanvragers Marcel van der Linden, Karel Davids en Henk den Heijer. De achterliggende gegevens zijn gereconstrueerd door Pepijn Brandon, Tamira Combrink, Gerhard de Kok en Karin Lurvink, zonder wier bijdrage het schrijven van dit artikel niet mogelijk zou zijn geweest. Een eerste versie van deze synthese is doorgelicht tijdens een bijeenkomst met twintig experts uit binnen- en buitenland, die wij onze grote dank verschuldigd zijn. Onze bijzondere dank gaat uit naar degenen die ons daarnaast mondeling en schriftelijk van gedetailleerd inhoudelijk commentaar voorzagen: Cátia Antunes, Anthony Bogues, Guillaume Daudin, Karwan Fatah-Black, Dienke Hondius, Joseph Inikori, Sylvia Marzagalli, Linda Nooitmeer, Bas van Leeuwen, Ulrich Pfister, Matthias van Rossum, Peer Vries, Zach Wehrwein en Jan Luiten van Zanden, en de anonieme referenten van tseg. Zij hebben ons zeker voor veel vergissingen behoed, zonder daarmee verantwoordelijk te worden voor de inhoud van dit artikel. Gerhard de Kok danken wij voor de Nederlandse vertaling van de Engelstalige concepttekst. 

2 In dit artikel hanteren wij de term ‘op slavernij gebaseerd’ voor de combinatie van de activiteiten die voortvloeiden uit de handel in door slaven geproduceerde goederen, en de activiteiten die nodig waren om het Atlantische slavernijsysteem in stand te houden. Het alternatieve ‘aan slavernij gerelateerd’ wekt in onze ogen te zeer de suggestie dat wij via zogenaamde ‘multiplier effecten’ zouden hebben gekeken naar spin-offs van de Atlantische slavernij, maar in dit artikel is daarvan geen sprake.  

3 E. Williams, Capitalism and slavery (Chapel Hill 1944). 

4 Voor de slavenhandel, zie: J.M. Postma, The Dutch in the Atlantic slave trade, 1600-1815 (Cambridge 1990); voor een overzicht van de Nederlandse Atlantische plantage-economie, zie: W. Klooster, Illicit ­riches. Dutch trade in the Caribbean, 1648-1795 (Leiden 1998); voor een beschouwing over de groei van de Nederlands-Atlantische handelssector in de achttiende eeuw, zie: J. Postma en V. Enthoven (red.), ­Riches from Atlantic Commerce. Dutch transatlantic trade and shipping, 1585-1817 (Leiden/Boston 2003). 

5 Seymour Drescher wees hier ruim twee decennia geleden al op, in een artikel dat verder vooral de late afschaffing van de slavernij door Nederland behandelde. S. Drescher, ‘The long goodbye. Dutch cap­italism and antislavery in comparative perspective’, in: G. Oostindie (red.), Fifty years later. Antislavery, capitalism and modernity in the Dutch orbit (Pittsburgh 1996) 25-66.  

6 W.S. Unger, ‘Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel’, Economisch-Historisch Jaarboek 26 (1956) 133-174, en 28 (1961) 3-148; Postma, Dutch slave trade; K. Fatah-Black en M. van Rossum, ‘Wat is winst? De economische impact van de Nederlandse trans-Atlantische slavenhandel’, tseg 9:1 (2012) 3-29. In het Engels gepubliceerd als: ‘Beyond profitability. The Dutch transatlantic slave trade and its economic impact’, Slavery Abolition 36:1 (2015) 63-83; D. Eltis, P.C. Emmer en F.D. Lewis, ‘More than profits? The contribution of the slave trade to the Dutch economy: assessing Fatah-Black and Van Rossum’, Slavery Abolition 37:4 (2016) 724-735. 

7 Eltis, Emmer en Lewis, ‘More than profits?’, 731. 

8 J.G. van Dillen, ‘Memorie betreffende de kolonie Suriname’, Economisch-Historisch Jaarboek 24 (1950) 162-167. 

9Ibidem. 167. 

10 Dit is iets heel anders dan het maken van zeer ruwe schattingen over een lange periode op basis van de grootte van de Aziatische en Atlantische handel, zoals dit bijvoorbeeld gedaan is in P. Emmer, ‘The economic impact of the Dutch expansion overseas, 1570-1870’, Revista de Historia Económica/ Journal of Iberian and Latin American Economic History 16:1 (1998) 157-176. Emmer presenteert in dit artikel dan ook geen cijfers die direct betrekking hebben op de economische impact van slavernij.  

11 J.L. van Zanden en B. van Leeuwen, ‘Persistent but not consistent. The growth of national income in Holland 1347-1807’, Explorations in Economic History 49 (2012) 119-130, en online bijlagen; Dit artikel bouwt voort op de resultaten van een eerder project, die zijn samengevat in E. Horlings, J.P. Smits en J.L. van Zanden, Dutch gnp and its components, 1800-1913 (Groningen 2000). 

12 B. Kuipers, Het Rotterdam effect. De impact van mainport Rotterdam op de Nederlandse economie, Erasmus upt, 6-11-2018, 24.  

13 K. Barefood et al., ‘Defining and measuring the digital economy’, https://www.bea.gov/research/papers/2018/defining-and-measuring-digital-economy, (geraadpleegd op 24-4-2019). Onder digitale economie verstaan de auteurs de complete digitale infrastructuur, alle e-commerce, digitale media en daarnaast de goederen en diensten gebruikt voor de productie van deze drie zaken. 

14 P. O’Brien, ‘European economic development. The contribution of the periphery’, The Economic History Review.New Series 35:1 (1982) 1-18; J.E. Inikori, Africans and the industrial revolution in England. A study in international trade and economic development (Cambridge 2002). 

15 S.L. Engerman, ‘The slave trade and British capital formation in the eighteenth century. A comment on the Williams thesis’, The Business History Review 46:4 (1972) 430-444; R. Blackburn, The making of New World slavery. From the Baroque to the Modern, 1492-1800 (Londen 1997), Deel twee, in het bijzonder hoofdstuk xii. 

16 D. Acemoglu, S. Johnson, en J. Robinson, ‘The rise of Europe. Atlantic trade, institutional change, and economic growth’, The American Economic Review 95:3 (2005) 546-579; S. Beckert en S. Rockman (red.), Slavery’s capitalism. A new history of American economic development (Philadelphia 2016). 

17 D. Tomich (red.), Slavery and historical capitalism during the nineteenth century (Lanham 2017). 

18 In het bijzonder in de context van schadeclaims en publieke debatten over herstelbetalingen. A.L. Araujo, Reparations for slavery and the slave trade. A transnational and comparative history (Londen/ New York 2017); en A. Zunder, Herstelbetalingen. De ‘Wiedergutmachung’ voor de schade die Suriname en haar bevolking hebben geleden onder het Nederlands kolonialisme (Den Haag 2010). 

19 Hetzelfde kan uiteraard gezegd worden over de Europese betrokkenheid bij slavernij in Azië. Dit is in het Nederlandse geval zeker van belang, aangezien de Verenigde Oost-Indische Compagnie lange tijd de belangrijkste Europese macht in de regio van de Indische Oceaan was en zich veelvuldig bezighield met zowel slavenhandel als (plantage-)slavernij. Aangezien de kennis over omzetstromen in de Aziatische slavernij nog slechts zeer rudimentair is en ons onderzoek zich expliciet richtte op Atlantische slavernij, zullen we dit vraagstuk hier niet verder behandelen. Voor de Nederlandse rol in slavernij in Azië, zie: M. van Rossum en L. Mbeki, ‘Private slave trade in the Dutch Indian Ocean world. A study into the networks and backgrounds of slavers and enslaved in South Asia and South-Africa’, Slavery Abolition 38:1 (2016) 95-116. 

20 E. Long, The history of Jamaica or general survey of the antient and modern state of that island with reflections on its situation, settlements, inhabitants, climate, products, commerce, laws, and government. (Londen 1774) vol.1, 507-508. 

21 Zie voor Sheridan’s citaat van Long ‘The wealth of Jamaica in the eighteenth century’, The Economic History Review.New Series 18:2 (1965) 292-311, aldaar 305. Voor andere artikelen in de polemiek tussen Sheridan en Thomas, zie: R.P. Thomas, ‘The sugar colonies of the Old Empire. Profit or loss for Great ­Britain?’, The Economic History Review.New Series 21:1 (1968) 30-45; R.B. Sheridan, ‘The wealth of Jamaica in the eighteenth century. A rejoinder’, Idem, 46-61. 

22 R. Davis, ‘English foreign trade, 1700-1774’, The Economic History Review. New Series 15:2 (1962) 285-303, aldaar 292. 

23 Sheridan, ‘The Wealth of Jamaica’, 292. 

24 Sheridan, ‘The wealth of Jamaica. A rejoinder’, 56. Voor de conclusie dat 2.578.300 pond gelijk stond aan 4 procent van het Britse bbp, zie: Engerman, ‘The slave trade and British capital formation’, 430-443, aldaar 442. 

25 Zie: R. Davis, ‘The rise of protection in England, 1689-1786’, The Economic History Review. New Series 19:2 (1966) 306-317. 

26 Engerman, ‘The slave trade and British capital formation’, 432. 

27Ibidem, 440. 

28 W. Darity Jr., ‘British industry and the West Indies plantations’, Social Science History 14:1 (1990) 117-149. 

29 P.C. Emmer, ‘The Dutch and the Atlantic challenge, 1600-1800’, in: P.C. Emmer, O. Pétré-Grenouilleau en J.V. Roitman (red.), A deus ex machinarevisited. Atlantic colonial trade and European economic development (Leiden/Boston 2006) 151-177. 

30 Solow, ‘Caribbean slavery and British growth. The Eric Williams hypothesis’, Journal of Development Economics 17 (1985) 99-115, aldaar 105-106. 

31Ibidem, 111. 

32Ibidem, 113. 

33 J.E. Inikori, ‘Slavery and the development of industrial capitalism in England’, The Journal of Interdisciplinary History 17:4 (1987) 771-793, aldaar 778-781, 788-789; Davis, ‘English foreign trade’, 291-292. 

34 D. Richardson, ‘The slave trade, sugar, and British economic growth, 1748-1776’, The Journal of Interdisciplinary History 17:4 (1987) 739-769, aldaar 750, 752 en 767. 

35 O’Brien, ‘European Economic Development’, 18. 

36 P. O’Brien, ‘A critical review of a tradition of meta-narratives from Adam Smith to Karl Pomeranz’, in: Emmer, Pétré-Grenouilleau en Roitman, A deus ex machina, 5-23, 16. Zie ook: P. O’Brien, ‘Mercantilism and imperialism in the rise and decline of the Dutch and British economies 1585-1815’, De Economist 148 (2000) 469-501. 

37 Acemoglu, Johnson en Robinson, ‘Rise of Europe’, 572. 

38 N. Zahedieh, ‘Regulation, rent-seeking, and the Glorious Revolution in the English Atlantic economy’, Economic History Review 63:4 (2010) 865-890. 

39 K. Rönnbäck, ‘On the economic importance of the slave plantation complex to the British economy during the eighteenth century. A value-added approach’, Journal of Global History 13 (2018) 309-327. 

40 Voor de slavenhandel zijn de belangrijkste bijdragen: Unger, ‘Bijdragen’ i en ii; Postma, Slave trade; P.C. Emmer, Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel (Amsterdam 2019; eerste editie 2003); en het recente debat tussen Fatah-Black en Van Rossum, ‘Beyond profitability’, en Eltis, Emmer en Lewis, ‘More than profits?’ Voor twee bijdragen over de impact van Atlantische handel die ook de oudere literatuur bespreken, zie: J. de Vries en A. van der Woude, The first modern economy. Success, failure, and perseverance of the Dutch economy, 1500-1815 (Cambridge 1997); en Postma en Enthoven, Riches from Atlantic commerce. 

41 Eric Williams, die vaak ten onrechte verantwoordelijk wordt gehouden voor de eenzijdige focus op de winsten van de slavenhandel, merkte al op dat ‘Negro slavery[’s] … origin can be expressed in three words: in the Caribbean, Sugar; on the mainland, Tobacco and Cotton’. Williams, Capitalism and slavery, 23 (geciteerd uit de tweede druk, New York 1966). 

42 Fatah-Black en Van Rossum, ‘Beyond profitability’, 79. Om dit getal in perspectief te plaatsen, onze berekening verderop in de tekst zal aantonen dat de toegevoegde waarde uit alleende slavernij-gerelateerde Atlantische handel 10,6 miljoen gulden bedroeg in het enkele jaar 1770. 

43 Eltis, Emmer en Lewis, ‘More than profits?’, 733. 

44 Eltis, Emmer en Lewis, ‘More than profits?’. Zij baseren hun conclusie over het belang van deze sector op Robert Fogels stelling dat het bnp van de Verenigde Staten zonder de spoorwegen 5 procent lager zou zijn geweest aan het eind van de negentiende eeuw. Het argument dat de volledige slavensector voor Nederland van aanzienlijk minder belang was dan de Amerikaanse spoorwegen lijkt gebaseerd te zijn op een cijfer dat Emmer elders heeft genoemd. Die schatting gaat echter niet over de cumulatieve effecten van het verdwijnen van deze economische sector, maar over het gewicht ervan op een specifiek moment. In zijn Geschiedenis van de slavenhandel, 199, gaat Emmer ervan uit dat de totale toegevoegde waarde van de Nederlandse handel met West-Indië 10 miljoen gulden was, een getal dat verder niet wordt onderbouwd. Dit bedrag relateert hij vervolgens aan de berekening van het Nederlandse Bruto Nationaal Inkomen van De Vries en Van der Woude om te concluderen dat alle op slavernij gebaseerde activiteiten samen ruim 3 procent van het nationale inkomen, of 5 van de 162 gulden hoofdelijk inkomen aan het eind van de achttiende eeuw vormden. 

45 C. van der Oudermeulen, ‘Iets dat tot voordeel der deelgenooten van de Oost-Indische Compagnie en tot nut van ieder ingezeten van dit gemeenebest kan strekken’, opgenomen in: G.K. van Hogendorp, Stukken raakende den tegenwoordigen toestand der Bataafsche bezittingen in Oost-Indië (Den Haag/Delft 1801).  

46 De belangrijkste tabellen en grafieken uit onze methodologische bijlage, zoals tabel 2, zijn ook in dit artikel opgenomen, zodat lezers de centrale argumenten kunnen volgen zonder de bijbehorende technische discussie, die zich op specialisten richt. Hier moet worden opgemerkt dat zowel deze handelsschattingen, als het door Van Zanden en Van Leeuwen gehanteerde rekenmodel voor het bbp, de zogenaamde ‘voorbijlandvaart’ (handel op Nederlandse schepen waarbij geen Nederlandse havens werden aangedaan) niet meewegen. Dit geldt dus noodzakelijkerwijs ook voor al onze schattingen van op slavernij gebaseerde handel.  

47 Het eerdere bedrag in De Vries en Van der Woude, First modern economy, 478, en de latere correctie in J. de Vries, ‘The Dutch Atlantic economies’, in: P.A. Coclanis, The Atlantic economy during the seven­teenth and eighteenth centuries. Organization, operation, practice, and personnel (Columbia 2005) 1-29, aldaar 28n63. Van der Oudermeulen schatte de waarde van de directe handel met het Atlantische gebied lager in dan de handel met Oost-Indië, maar zijn cijfers voor de voc-exporten zijn geflatteerd, wat niet zo vreemd is aangezien hij in dienst was van de voc en zijn tekst bedoeld was om het grote belang van de voc voor de Nederlandse handel aan te tonen. 

48 G.M. Welling, The prize of neutrality. Trade relations between Amsterdam and North America 1771-1817. A study in computational history (Amsterdam 1998). 

49 S. Marzagalli, ‘The French Atlantic and the Dutch, late seventeenth-late eighteenth century’, in: G. Oostindie en J.V. Roitman (red.), Dutch Atlantic connections, 1680-1800. Linking empires, bridging borders(Leiden/Boston 2014), 103-118. Zie ook: F. Brahm en E. Rosenhaft (red.), Slavery hinterland. Trans­atlantic slavery and continental Europe, 1680-1850 (Woodbridge 2016).  

50 Korte definitie van het CBS. Voor verdere definities, zie https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/met­hoden/begrippen?tab=b#id=bruto-binnenlands-product--marktprijzen----bbp-- (geraadpleegd 12-6-2019). 

51 Dit aspect van de plantage-economie wordt uitgebreid behandeld in J.P. van de Voort, De Westindische plantages van 1720 tot 1795. Financiën en handel (Eindhoven 1973); A. van Stipriaan, Surinaams contrast. Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie 1750-1863 (Leiden 1993), vooral hoofdstuk vii; A. van Stipriaan, ‘Debunking debts. Image and reality of a colonial crisis. Suriname at the end of the 18th century’, Itinerario 19:1 (1995) 69-84; en B. Hoonhout, ‘Subprime plantation mortgages in Suriname, Essequibo and Demerara, 1750-1800. On manias, Ponzi processes and illegal trade in the Dutch negotiatie system’, masterscriptie, Universiteit Leiden, 2012. 

52 Voor twee recente kritieken op de overschatting van de waarde van bbp-cijfers in hedendaagse debatten, zie: D. Philipsen, The little big number. How gdp came to rule the world and what to do about it (Princeton/Oxford 2015) en E. Cook, The pricing of progress. Economic indicators and the capitalization of American life (Cambridge (ma)/Londen 2017). 

53 Als de koloniën wel gerekend zouden worden tot binnenland, zou het noodzakelijk zijn om een gecombineerd bbp-cijfer op te stellen dat zowel de toegevoegde waarde in de Nederlandse Republiek omvat als die in alle door de Nederlandse Republiek gedomineerde gebieden, inclusief de gebieden waar de voc territoriale controle uitoefende. K. Rönnbäck, ‘The economic importance’, koos ervoor om de plantageproductie wel mee te wegen en te relateren aan uitsluitend het Britse bbp. Het probleem voor onze aanpak is echter dat een dergelijke toevoeging datgene wat gemeten wordt fundamenteel verandert. In plaats van het economische aandeel van op slavernij gebaseerde activiteiten binnen het (Britse) bbp, toont de berekening dan de grootte van het plantagecomplex in verhouding tot de grootte van de Britse economie. Wat daarmee gewonnen wordt aan veelomvattendheid van het cijfer, wordt verloren aan zeggingskracht van de economische redenatie.  

54 Dit cijfer is gebaseerd op de import van 56,9 miljoen pond suiker, 28,3 miljoen pond koffie, en 32,8 miljoen pond tabak in de Republiek in 1770 (gebaseerd op de bronnen genoemd in de bijlage). In de late achttiende eeuw was de gemiddelde koffieproductie per plantageslaaf 230 kilo in Saint Domingue en 219 in Suriname, volgens Van Stipriaan, Surinaams contrast, 133. M.-R. Trouillot, ‘Motion in the system. Coffee, color, and slavery in eighteenth-century Saint-Domingue’, Review(Fernand Braudel Center) 5:3 (1982) 331-388 geeft een gemiddelde productie per slaaf in Saint Domingue van 225 kilo. Om deze reden gaan we uit van 225 kilo als benadering. Voor de suikerproductie per slaaf kennen de gegevens ook grote verschillen, mede afhankelijk van de raffinagegraad, maar voor ruwe suiker is 420 kilo per slaaf voor de late achttiende eeuw een veilige schatting. Van Stipriaan, Surinaams contrast, 39 en S.B. ­Schwartz, ‘Introduction’, in: S.B. Schwartz, Tropical Babylons. Sugar and the making of the Atlantic World, 1450-1680 (Chapel Hill 2004) 1-26., aldaar 20. Voor tabak presenteert Menard een schatting van iets meer dan 1500 pond per slaaf in Maryland voor de late zeventiende eeuw. R. Menard, ‘Plantation empire. How sugar and tobacco planters built their industries and raised an empire’, Agricultural History 81:3 (2007) 309-332, aldaar 320.  

55 Van Zanden en Van Leeuwen, ‘Persistent’. Afzonderlijke datasets zijn gepubliceerd op de website van het Centre for Global Economic History van de Universiteit Utrecht, http://cgeh.nl/cgeh/research-projects/reconstruction-national-accounts-of-holland-1500-1800-2/ (geraadpleegd 24-2-2019). 

56 Een van de grondleggers van deze benadering wees al op dit gevaar. W.W. Leontief, The structure of the American economy, 1919-1929. An empirical application of equilibrium analysis (Cambridge (ma) 1941) 19-20. 

57 Dit is een bekend probleem in de economisch-historische literatuur. Zie in het bijzonder : M. Morineau, Pour une histoire économique vraie (Lille 1985). 

58 Merk op dat ‘netto’ hier, en elders in dit artikel en de bijlage, betekent netto van de inputs, niet van belasting. Een alternatieve methode om het bbp te schatten is de inkomsten-benadering, gebaseerd op de totale factorinkomens van alle delen van de economie. Deze methode vindt vooral toepassing bij het opstellen van hedendaagse nationale rekeningen. Het grootste bezwaar tegen de toepassing ervan voor de vroegmoderne periode is een gebrek aan betrouwbare gegevens over inkomens in een periode vóór de opkomst van universele inkomstenbelastingen. Hoewel lonen via ruwe schattingen en indicatoren benaderd kunnen worden, is een realistische inschatting van winsten en rente praktisch onmogelijk. In de praktijk moeten de meeste berekeningen van bbp voor de vroegmoderne periode beide manieren om deze indicator te reconstrueren op een creatieve wijze combineren, en daarbij potentiële conflicten tussen beide methoden vermijden. Ook wij doen dit in een aantal gevallen.  

59 De waarde van uit Suriname geïmporteerde suiker, koffie en katoen steeg van iets meer dan 4 miljoen gulden per jaar in 1740-1744 tot meer dan 8 miljoen gulden per jaar in 1765-1769, om vervolgens constant te blijven tot het decennium 1785-1794, toen de importen stegen van 9,7 miljoen tot 10,3 miljoen gulden (lopende prijzen), waarna de import instortte als gevolg van de Franse invasie. Van Stipriaan, Surinaams contrast, 437. 

60Ibidem; en Klooster, Illicit riches. Dutch trade in the Caribbean, 1648-1795 (Leiden 1998) 176; Enthoven, ‘Assessment’, 406. 

61 Patrick O’Brien beschouwt de volgende posten als ‘profits to British capitalists engaged in trade and commerce with the periphery’: 1. Importen uit de periferie; 2. Exporten naar de periferie; 3. Heruitvoer van producten uit de periferie; 4. Winsten uit importen die toekwamen aan reders, makelaars en commissionairs, en verzekeraars; 5. Winsten uit exporten die toekwamen aan reders, makelaars en commissionairs, en verzekeraars; 6. Winsten uit heruitvoer die toekwamen aan de voornoemde groepen; 7. Winsten die naar Groot-Brittannië werden geremitteerd op investeringen in de periferie; 8. Winsten uit de verkoop van diensten aan de periferie; 9. Winsten uit producten gemaakt of verbouwd voor export naar de periferie. Guillaume Daudin gebruikt dezelfde selectie voor Frankrijk in: ‘Do frontiers give or do frontiers take? The case of intercontinental trade in France at the end of the eighteenth century’, in: Emmer, Pétré-Grenouilleau en Roitman (red.), A deus ex machina, 199-224, 201. Joseph Inikori stelt terecht dat ook de Europese industrieën waarvoor door slaven verbouwde inputs een strategische waarde hadden, toegevoegd dienen te worden. J.E. Inikori, ‘Slavery and the revolution in cotton textile production in England’, in: J.E. Inikori en S.L. Engerman (red.), The Atlantic slave trade. Effects on economies, societies, and peoples in Africa, the Americas, and Europe (Durham/Londen 1992) 145-182; en Inikori, Africans and the industrial revolution, 363. 

62 Al deze binnenlandse economische sectoren draaiden uiteraard op loonarbeid, niet op slavenarbeid. Dat is de reden waarom we in dit artikel spreken van ‘op slavernij gebaseerde activiteiten’, niet over ‘de bijdrage van de tot slaaf gemaakten aan de Nederlandse economie’. Indien alleen de activiteiten van de slaven zelf in de bbp-berekening betrokken zouden worden, zou slavernij technisch gezien enkel bijdragen aan het bbp van de vroegmoderne koloniën, niet aan dat van de Nederlandse Republiek. Dit zou elke vergelijking met het bbp van Nederland per definitie zinloos maken. 

63 Het is noodzakelijk om dit te benadrukken, aangezien de bestaande literatuur soms counterfactuals gebruikt om prima facie hele takken van handel in of verwerking van door slaven geproduceerde goederen uit te sluiten van analyse. In onze optiek is het de juiste redeneervolgorde om eerst vast te stellen welk deel van de economie in werkelijkheid samenhing met slavernij, en pas daarna te bespreken of en hoe de geschiedenis anders had kunnen lopen. 

64 K. Lurvink, ‘The insurance of mass murder. The development of slave life insurance policies of Dutch private slave ships (1720-1780)’, Enterprise Society, te verschijnen. 

65 Inikori, ‘Slavery’; S. Beckert, Empire of cotton. A global history (New York 2014). 

66 G. de Kok, Walcherse ketens. De trans-Atlantische slavenhandel en de economie van Walcheren, 1755-1780. Dissertatie Universiteit Leiden 2019, met daarin een gedetailleerd beeld voor de provincie Zee­land, ondersteunt dit argument. Merk wederom op dat onze rekenmethode erop gestoeld is om de toegevoegde waarde van iedere afzonderlijke fase van de handelsbewegingen vast te stellen, om zeker te zijn dat de output van de eerste fase niet nogmaals als output bij de volgende fasen wordt meegeteld. 

67 Deze benadering is ontwikkeld door J.L. van Zanden en M. van Tielhof, ‘Roots of growth and productivity change in Dutch shipping industry, 1500-1800’, Explorations in Economic History 46 (2009) 389-403. 

68 J.J. Reesse, De suikerhandel van Amsterdam. Van het begin der 17e eeuw tot 1813 (Haarlem 1908) 58.  

69 De Vries en Van der Woude, First modern economy, 328. 

70 We hebben besloten om onze gegevens niet te gebruiken voor meer geavanceerde, cliometrische analyses. Dergelijke analyses behoren niet tot onze expertise en zouden noodzakelijkerwijs ook zeer speculatief zijn, gezien de tentatieve aard van alle schattingen van vroegmoderne economische trends. Hoewel dergelijke methoden uiteraard veelvuldig zijn ingezet in debatten over de economische impact van slavernij, blijft de waarde ervan betwist. De klassieke voorbeelden van de cliometrische benadering van de geschiedenis van slavernij zijn R.W. Fogel en S.L. Engerman, Time on the cross. The economics of American negro slavery (Boston 1974); en R.W. Fogel, Without consent or contract. The rise and fall of American slavery (New York 1989). In Nederland modelleerde de vooraanstaande econoom Jan Tinbergen ooit de impact van de twintigste-eeuwse koloniën in Oost-Indië op het Nederlandse nationale inkomen. J.B.D. Derksen en J. Tinbergen, ‘Berekeningen over de economische beteekenis van Nederlandsch-Indië voor Nederland’, Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek 40:10/12 (1945) 210-216, maar onze gegevens staan een vergelijkbare benadering niet toe. 

71 Dit is een grote onderschatting. Van de Voort schetste een zeer pessimistisch beeld van de gevolgen van de crisisjaren 1771-1772 voor financiële activiteiten, waarin de meerderheid van het geïnvesteerde kapitaal waarschijnlijk werd afgeschreven en de rentebetalingen kelderden na 1780. Van de Voort, West­indische plantages, 195. Van Stipriaan, ‘Debunking debts’ toonde echter aan dat de feitelijke kapitaalvernietiging beperkter was en rentebetalingen voor veel fondsen doorgang vonden tot 1795, zij het op een lager niveau. De financiële sector kon hiervan dus nog steeds profiteren. 

72 Klooster, Illicit riches, 202; Enthoven, ‘Assessment’, 412-413. 

73 Zoals het standpunt lijkt te zijn van G. Oostindie, ‘Dutch Atlantic decline during the ‘Age of Revolu­tions’, in: G. Oostindie en Jessica V. Roitman, Dutch Atlantic connections, 1680-1800. Linking empires, bridging borders (Leiden/Boston 2014) 309-335. 

74 Eltis, Emmer en Lewis, ‘More than profits?’, 732. 

75 Voor Zeeland is dit onderbouwd door G. de Kok, ‘Cursed capital. The economic impact of the Trans­atlantic slave trade on Walcheren around 1770’, tseg 13:3 (2016) 1-27. 

76 T. Combrink, ‘From French harbours to German rivers. European distribution of sugar by the Dutch in the 18th century’, in: M. Martin en M. Villeret (red.), La diffusion des produits ultramarins en Europe. xvi-xviii siècle (Rennes 2018) 39-56. 

77 J.C. Riley, International government finance and the Amsterdam market 1740-1785 (Cambridge 1980). 

78 Opmerkelijk genoeg is het juist Emmer die in zijn werk over de slavenhandel de in het artikel van Eltis, Emmer en Lewis geponeerde counterfactual expliciet tegenspreekt. Op basis van een argumentatie die in grote lijnen overeenkomt met de onze hier, waarschuwt hij dat noch voor de slavenhandel, noch voor de handel in door slaven geproduceerde goederen de mogelijkheid om alternatieven te vinden als ‘vanzelfsprekend’ mag worden beschouwd. Emmer, Slavenhandel, 200. De Engelse vertaling van zijn boek is op dit punt nog een stuk stelliger dan de Nederlandstalige versie. ‘There is no reason to believe that the slave ships could have been sent elsewhere if the slave trade had not existed, nor that it would have been easy to move the capital investment in the slave trade to other parts of the economy.’ P.C. Emmer, The Dutch slave trade, 1500-1850 (Londen 2006) 108. 

79 De Kok, Walcherse ketens. 

80 Dat blijkt bijvoorbeeld uit de beperkte betrokkenheid van een scheepsbouwer, een kapitein en verschillende ambachtslieden bij het verzekeren van slavenschepen, hoewel de meeste intekenaars op polissen voor slavenschepen professionele verzekeraars, rijke kooplieden en renteniers waren. K. Lurvink, ‘Underwriting slavery. Insurance and slavery in the Dutch Republic (1718-1778)’, Slavery Abolition, first view(2019) 1-22. 

81 Met naam en adres genoemd door L. Balai, Geschiedenis van de Amsterdamse slavenhandel. Over de belangen van Amsterdamse regenten bij de trans-Atlantische slavenhandel (Zutphen 2013) 109-133.