Inleiding: gender en androcentrisme

De introductie van het concept gender geldt als een van de belangrijkste vernieuwingen in de wetenschapsbeoefening van de afgelopen decennia. Binnen de geschiedschrijving heeft vooral Joan W. Scott met haar invloedrijke artikel ‘Gender: A Useful Category of Analysis’ een belangrijke bijdrage geleverd aan deze vernieuwing.1 Scott en andere theoretici met haar, betoogden dat het begrip gender een analytische en relationele categorie is, zoals de begrippen klasse en ras. Gender heeft niet exclusief betrekking op vrouwen, het zegt iets over vrouwen én mannen. Het begrip stelt bovendien machtsrelaties centraal; constructies van gender en macht zijn zelfs sterk verweven met elkaar.2 De toepassing van gender als analytische categorie zou er derhalve ook toe moeten leiden dat de geschiedenis, zoals we die kenden, herschreven zou moeten worden. In ieder geval zou de toepassing van dit analytische begrip er voor moeten zorgen dat vrouwen als sociale groep zichtbaar zouden worden gemaakt in de geschiedenis, evenals in processen van marginalisering. Zoals wetenschappelijke geschiedschrijving niet meer mogelijk is zonder analytische categorieën zoals sociale klasse, zo zou dat ook moeten gebeuren met het begrip gender.

Nu, zoveel jaren later, rijst de vraag of een dergelijke gender mainstreaming heeft plaats gevonden in de geschiedwetenschap, en zo ja, tot welke veranderingen dat heeft geleid. In deze bijdrage ga ik na in hoeverre gender als analytisch begrip wordt toegepast in de recente onderzoekspraktijk van de historische demografie, en op welke wijze dat gebeurt. In de historische demografie is het geheel vanzelfsprekend om onderscheid te maken naar sekse. Bij de kernonderwerpen van dit vakgebied – huwelijk, fertiliteit en sterfte – worden de onderzoeksresultaten al snel betekenisloos als vrouwen worden buiten gesloten of wanneer niet wordt gedifferentieerd naar sekse. Dit kan eenvoudig geïllustreerd worden aan de hand van de revolutionaire veranderingen die zich hebben voorgedaan in de levensverwachting in de afgelopen 150 jaar in Nederland en elders. Als daarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen dan valt de dramatische val in de gezondheid van mannen na de Tweede Wereldoorlog weg terwijl de levensverwachting van vrouwen te pessimistisch zou worden ingeschat. De ontwikkeling in de levensverwachting van mannen en vrouwen loopt dus uiteen, maar dat niet alleen: het verloop in die van vrouwen krijgt een extra betekenis in de vergelijking met die van mannen, en vice versa. Historisch-demografen weten dus heel goed dat ze vrouwen als onderzoeksobject niet kunnen negeren. Het is onmogelijk een zogenaamde ‘neutrale’ en algemene geschiedenis te schrijven die in de praktijk eigenlijk vooral stoelt op de ervaringen van mannen. Maar betekent dat ook dat de historische demografie gevrijwaard is van enige vorm van androcentrisme?

Androcentrisme verwijst naar een sociale organisatie maar ook naar een denkwijze gebaseerd op en georganiseerd rondom mannen, hetgeen resulteert in individuele vooroordelen en bijbehorend institutioneel beleid. Een belangrijk gevolg van een dergelijke denkwijze is dat vrouwen gezien worden als ‘de ander’ en tevens ook eerder gemarkeerd worden als ge-genderde wezens dan mannen.3 Androcentrisme betekent nadrukkelijk niet dat mannen worden gezien als ‘superieur’ en vrouwen als ‘inferieur’. Het betekent echter wel dat mannen eerder gezien worden als vertegenwoordigers van een neutrale norm en vrouwen als speciale, bijzondere gevallen. Hierdoor ondersteunt androcentrisme genderongelijkheid door het vermogen het mannelijke van de macht van mannen te verbergen achter een zogenaamde neutrale standaard. Androcentrische tendenties in de wetenschappelijke beoefening van de geschiedenis dragen daardoor eveneens bij aan de continuering van de sociale en politieke macht van mannen. Bovendien wordt daarmee tevens bepaald aan welke normen ‘neutrale’ wetenschap moet voldoen en welk soort geschiedenis behoort tot ‘de’ geschiedenis. Derhalve is reflectie op de aanwezigheid van vormen van androcentrisme van meer dan marginaal belang voor iedere historicus.

Ik heb mij eerder bezig gehouden met het vraagstuk van androcentristische perspectieven in de historische demografie, en wel in een artikel in The History of the Family van 2007.4 In dat stuk kwam de vraag aan bod in hoeverre vrouwen wel echt aanwezig waren in de geschiedschrijving van de demografische transitie, en zo ja op welke wijze zij ‘aanwezig’ waren bij dit belangrijke en revolutionaire historische proces. Het concept van de demografische transitie verwijst naar het complex van vragen rondom de verschuivingen die zich tussen de achttiende en de twintigste eeuw overal in de westerse wereld hebben voorgedaan van hoge niveaus van sterfte en geboorte naar lage niveaus. Het behoort tot één van de kernvraagstukken van de historische demografie. Vrouwen zijn daar zeker bij aanwezig geweest: er zijn doorgaans vrouwen nodig om geboorten te laten plaats vinden.

Mijn conclusie was toen dat vrouwen wel aanwezig waren in deze geschiedschrijving, maar dan vooral als lichamen. Het onderzoek naar de demografische transitie wordt gedomineerd door vooral kwantitatief onderzoek; vrouwen kwamen daarin voor in de vorm van variabelen zoals ‘leeftijd bij huwelijk’ of ‘leeftijd bij geboorte’. Dat betreft in beide gevallen variabelen die werden meegenomen als zogenaamde controlevariabelen, met andere woorden, deze variabelen verwezen naar zaken waar het eigenlijk niet om ging in dat onderzoek. Dat lag anders bij mannen, die werden opgevoerd in de vorm van sociaaleconomische variabelen. Mannen kwamen voor als houders van beroepen of sociale klasse, als deelnemers aan bepaalde economische sectoren, en daarbij ging het steeds om zogenaamde ‘variables of interest’. Dat waren de variabelen die gerelateerd waren aan de onderzoeksvragen en de erbij behorende hypothesen. Zo konden variabelen zoals ‘percentages werkzame mannen in de landbouw’ voorkomen die gebruikt werden als indicatoren of proxies voor de graad van modernisering van een samenleving. Het gevolg was dat in het narratief dat gebaseerd werd op dergelijke analyses, deze mannelijke indicatoren verbonden werden met het potentieel van die onderzochte samenleving tot modernisering van de vruchtbaarheid. Mijn conclusie was dat dit type onderzoek de associatie versterkt van mannen met cultuur, en met de rol van ‘agents of change’, terwijl voor vrouwen een hoofdzakelijke passieve rol is gereserveerd in maatschappelijke verandering en een relatie wordt gelegd met natuur. Vrouwen werden op die manier geportretteerd als marginaal aan het historisch proces. Wetenschap ondersteunt op deze wijze traditionele genderperspectieven en vormt een belangrijke fundering voor traditionele maatschappelijke structuren.

De bovenstaande overwegingen wijzen er dus op dat het niet enkel van belang is of vrouwen wel aanwezig zijn, maar ook hoe ze aanwezig zijn. Gender moet dus ook gebruikt worden als een analytische

  

 

categorie, een categorie van verschil, of nog anders, als een relationele categorie die op zowel mannen als vrouwen wordt toegepast. Het gaat er dus om op te letten hoe het begrip gender ingevuld wordt. Voor deze bijdrage heb ik de recente stand van zaken in het vakgebied van de historische demografie onderzocht, en wel aan de hand van artikelen die zijn verschenen in het internationale tijdschrift The History of the Family. An International Quarterly. Dit tijdschrift vormt een uitstekende ingang voor een dergelijk onderzoek vanwege de brede scope die het tijdschrift heeft, zowel in termen van de onderwerpen die aan bod komen, als de landen van herkomst van de auteurs en hun disciplinaire achtergrond. Het tijdschrift streeft er expliciet naar zowel kwantitatieve als kwalitatieve bijdragen te publiceren, en is nadrukkelijk interdisciplinair. Hoewel de invalshoek steeds historisch is, worden veel bijdragen geschreven vanuit andere sociaalwetenschappelijke disciplines zoals demografie, antropologie, sociologie of psychologie. In het hiernavolgende stel ik de vraag of het analytische begrip gender wordt toegepast in de recente onderzoekpraktijk van The History of the Family, en zo ja op welke wijze dat gebeurt. Dit gebeurt via een indeling in verschillende sub-thema’s: 1) artikelen die een genderanalytische benadering kiezen, 2) een groep studies waarin gender een substituut is voor ‘sekse’, 3) studies waarin vooral ‘vrouwen in de marge’ centraal staan, en als laatste 4) die studies waarin het gender concept expliciet verbonden wordt met mannen. In de conclusie wordt ingegaan op de waarde die de toepassing van het gender concept heeft voor de historische demografie.

The History of the Family: gender als analytische categorie

Het tijdschrift The History of the Family. An International Quarterly bestaat sinds 1996.5 Dit tijdschrift richt zich op zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek in de geschiedenis van het gezin in brede zin, het hanteert een brede geografische scope en publiceert bij voorkeur comparatief werk. De focus op een brede definitie van de geschiedenis van het gezin betekent dat de topics die in het tijdschrift worden behandeld kunnen uitwaaieren van vraagstukken van meer demografische aard, zoals de daling van de vruchtbaarheid in het verleden, tot vraagstukken van meer sociologische aard, zoals de mate van sociale openheid van de huwelijksmarkt in het verleden, tot meer historisch-epidemiologische vraagstukken rondom de daling van de sterfte in de afgelopen 200 jaar, of meer sociaal-culturele topics uit de geschiedenis van het gezin, zoals weeskinderen, briefwisselingen tussen migranten en hun achtergebleven families, of het voorkomen van huiselijk geweld. De disciplinaire achtergrond van de auteurs is eveneens breed, maar het gepubliceerde onderzoek is steeds stevig verankerd in de geschiedenis van het gezin en de levensloop van individuen. Veel nummers van The History of the Family worden opgezet als special issues, gewijd aan een specifiek thema. Iedere jaargang bestaat uit vier nummers die meestal zo’n acht tot negen artikelen tellen. Het beleid van de redactie is erop gericht ook auteurs toe te laten uit landen en regio’s in de wereld die wat minder gemakkelijk toegang hebben tot Engelstalige publicatiekanalen.6

Dit onderzoek richt zich op de periode 2008 tot en met 2016 waaruit vijf jaargangen zijn geselecteerd, te weten de jaren 2008, 2010, 2012, 2014 en 2016. Alle empirische artikelen uit de vier issues van die jaren vormen de basis van dit onderzoek. De zogenaamde Research Notes, waarin vaak databestanden of bijzondere projecten voor het voetlicht worden gebracht, maken geen deel uit van de analyse. Die selectie resulteerde in een set van 137 artikelen, waarvan in een kleine meerderheid de auteurs een kwantitatieve analyse hanteerden (47 procent). In iets meer dan één-derde van de artikelen werd er een kwalitatieve analyse uitgevoerd (39 procent), en een kleine groep van auteurs koos voor een echt gemengde aanpak (14 procent). Vrouwelijke auteurs zijn goed vertegenwoordigd: 55 procent van de artikelen werd geschreven door een vrouw als eerste auteur. Om te beginnen is nagegaan of op tekstueel niveau het woord gender wordt gebruikt in de geselecteerde artikelen, waarbij een onderscheid is gemaakt naar gebruik in de titel, de samenvatting en de hoofdtekst. Ik ga ervan uit dat wanneer het begrip gender in de titel gebruikt wordt, de auteur er expliciete analytische doelstellingen mee heeft. Dat hoeven uiteraard niet altijd doelstellingen te zijn die volledig in de lijn liggen van wat boven is geschreven over gender als analytische categorie, maar het gaat wel verder dan het gebruik van gen­der als ‘slechts’ een verwijzing naar geslacht. Dat laatste kan zeker het geval zijn als het begrip gender alleen wordt gebruikt in de hoofdtekst. Dat is ook niet zo verwonderlijk omdat gender in de Engelse taal eenvoudigweg een synoniem is voor geslacht of sekse.

Tabel 1 Gebruik begrip gender in geselecteerde artikelen in The History of the Fam­ily, op verschillende tekstuele niveaus

Gebruik ‘gender’ in N %
Titel, samenvatting en hoofdtekst 6 4,4
Samenvatting en hoofdtekst 14 10,2
Alleen hoofdtekst 77 56,2
Geen 40 29,2
Totaal 137  100

Bron: The History of the Family. An International Quarterly, jaargangen 2008/2010/2012/2014/2016.

Tabel 1 laat zien dat het begrip gender veel voorkomt. In slechts een kleine minderheid (minder dan één-derde) van alle artikelen wordt er helemaal geen gebruik gemaakt van het begrip gender. Echter, in het grootste deel van de gevallen gaat het om artikelen waarin het begrip gen­der alleen in de hoofdtekst gebezigd wordt. Slechts in een kleine groep van twintig artikelen, dat wil zeggen 14 procent procent van het totaal, speelt het een belangrijke rol, want het wordt gebruikt in de volgende combinaties: zowel titel, abstract als hoofdtekst, of abstract en hoofdtekst. Van de zes artikelen waarin het op alle tekstniveaus voorkomt, mag men er vanuit gaan dat die het sterkst gekenmerkt worden door een genderanalyse.

Het is de moeite waard allereerst de zes artikelen waarin gender voorkomt op alle tekstniveaus onder de loep te nemen; dit gaat om zogenaamde ‘full gender artikelen’. Wat zijn het voor een studies? Het zijn in alle gevallen artikelen waarin gender inderdaad gehanteerd wordt als een analytische categorie zoals beschreven in de inleiding. De zes artikelen handelen over de volgende brede topics: arbeid en arbeidsomstandigheden, de constructie van welvaartstaten, sterfte en fertiliteit.7 Het Zweedse artikel uit 2016 over gender en fertiliteit betreft een analyse van de wijze waarop genderspecifieke opvattingen binnen religieuze denominaties gedrag inzake vruchtbaarheid beïnvloed hebben. De auteurs laten zien hoe in de Zweedse Free Churches (‘vrij’ betekent hier: los van staatsinvloeden) op gender gebaseerde religieuze identiteiten ontstaan in de laatste decennia van de negentiende eeuw, voor zowel mannen als vrouwen. De Free Churches herdefiniëren de tot dan heersende dominante mannelijke identiteit als een die gebaseerd hoort te zijn op zelfbeheersing, met name ook inzake seksueel gedrag. Voor vrouwen zien de Free Churches vooral een rol weggelegd als hoeders van een hoog christelijk niveau van morele zuiverheid, in zowel kerk als samenleving. De auteurs beargumenteren dat deze herdefinities beslissend waren voor de machtsbalans tussen mannen en vrouwen in gezinnen, en bovendien mannen een duidelijke opdracht meegaven in het terugdringen van het hoge kindertal. De kwantitatieve analyse in dit artikel toont dan ook aan dat de leden van de Free Churches een geringer kindertal hadden in vergelijking met andere denominaties. Dit is een mooi voorbeeld van hoe gender toegepast zou moeten worden in historisch demografisch onderzoek: als een analytische categorie van verschil, die (mede) macht construeert en die niet alleen gereserveerd is voor vrouwen.

Het artikel over gender en de constructie van de Ierse welvaartstaat in de periode 1922-1944 laat zien hoe in het sociaalpolitieke discours de wens om grote gezinnen te redden uit uitzichtloze armoede op een ongemakkelijke manier botste met traditionele genderopvattingen, vooral met opvattingen ten aanzien van mannelijk kostwinnerschap. Het artikel over sterfte handelt over genderongelijkheid in sterfte, meer precies over de verschillen in overlevingskansen tussen jongens en meisjes in Nederland tussen 1860 en 1900. De auteurs laten zien dat deze genderongelijkheid in overlevingskansen inderdaad bestaan heeft en dan vooral op het platteland, en dat deze niet geweten kon worden aan de achterstandsituatie van het gezin. De overige drie artikelen in de categorie ‘full gender’, betreffen allemaal onderzoekingen die ingaan op arbeidspatronen en arbeidsrelaties, al dan niet in de context van een family economy, en de wijze waarop die werden geschraagd door al dan niet veranderende opvattingen over gender.

The History of the Family: gender als sekse

In 91 artikelen komt het begrip gender vooral of enkel voor in de hoofdtekst. In deze groep wordt gender veelvuldig gebruikt als een equivalent voor geslacht. Het gaat vooral om artikelen die handelen over hardcore demografische topics, namelijk huwelijk en fertiliteit. Die groep van dertien studies zijn ook bijna allemaal sterk kwantitatief van opzet. Zij lijden bijna zonder uitzondering aan de euvels zoals in het begin geschetst. Deze onderzoekers maken in het geheel geen gebruik van het inzicht dat genderposities relevant zijn voor zoiets als de huwelijksmarkt; of het idee dat de machtsbalans tussen mannen en vrouwen een rol speelt bij fertiliteituitkomsten. Er is bij auteurs soms wel een bepaalde mate van bewustzijn aanwezig dat gender ‘er toe doet’; dat wordt evenwel niet ingezet in het onderzoek zelf. Dat is bijvoorbeeld het geval in het artikel over huwelijk en fertiliteit in Bulgarije aan het begin van de éénentwintigste eeuw.8 De auteur maakt expliciet melding van het feit dat ‘there is a gendered way of thinking about family forma­tion’, maar dat blijkt niet uit de analyses of de conclusies. In dit laatste geval kan deze omissie niet te wijten zijn aan het ontbreken van relevante data; die zijn volop beschikbaar uit allerlei EU statistieken, panel studies en monitoren. Toch zijn er ook in deze groep enkele lichtpuntjes te ontwaren. Zo worden in één studie vrouwen getooid met attributen zoals geletterdheid en een beroep, omdat de auteurs aandacht wilden hebben voor mogelijke egalitaire opvattingen bij de vrouwen van de onderzochte koppels.9 Het andere artikel tracht iets mee te nemen van de machtsbalans tussen man en vrouw door te kijken naar het leeftijdsverschil tussen de echtelieden en de huishoudelijke status van de vrouw in kwestie.10 Vrouwen worden daardoor niet enkel en alleen gereduceerd tot slechts passieve lichamen; toch is er vervolgens verrassend weinig aandacht voor dit type gendervraagstukken in de bespreking van de onderzoeksresultaten en de conclusies.

In de groep van studies waarin gender vooral in de hoofdtekst voorkomt blijven er vervolgens nog 77 andere studies over. Voor wat betreft de toepassing van genderperspectieven komt daar een gemengd beeld uit naar voren. Enkele belangrijke thematieken komen in deze bespreking aan bod. Allereerst is daar de groep van vier artikelen die rapporteren over onderzoek naar geboorteregulatie in het verleden; daarvan zijn er drie studies die het concept gender analytisch toepassen. In een van die artikelen wordt onderzoek gedaan naar geboortebeperking in Engeland in de periode 1930-1960, waarbij wordt beargumenteerd hoe de constructie van genderidentiteiten gedrag inzake seksualiteit en geboorteregulatie stuurt en vorm geeft.11 Een sterk vergelijkbare type analyse wordt doorgevoerd in een artikel over geboorteregulering in Zweden.12 Voor zowel het Engelse als het Zweedse artikel geldt bovendien dat niet alleen vrouwen worden gezien door een gender lens, maar ook mannen worden gezien als ge-genderde wezens. De bereidheid van mannen om zich in te zetten voor beperking van het kindertal kwam pas tot stand nadat respectabiliteit en een beperkt kindertal de basis werden van mannelijkheid. In een derde artikel wordt duidelijk welke vergaande invloed genderconstructies hebben op overheidsbeleid op het terrein van geboortebeperking. In het naoorlogse socialistische Joegoslavië werden moderne anticonceptiemiddelen verboden om ervoor te zorgen dat bestaande hiërarchische genderverhoudingen intact bleven.13 Alle drie de genoemde studies zijn niet toevallig vooral kwalitatieve studies. De enige kwantitatieve studie over geboortebeperking (in het recente China) gebruikt het begrip gender overwegend als ‘stand-in’ voor sekse.14 Toch komen de sterk hiërarchische genderverhoudingen in dit land wel in beeld, maar alleen op de achtergrond. Ze worden in ieder geval door de auteurs niet als zodanig benoemd. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de auteurs melden dat het Chinese één-kind beleid vooral ten koste is gegaan van vrouwen, met grote nadelige effecten voor hun fysieke en mentale gezondheid.

Een tweede groep van artikelen betreft studies naar migratie in de context van familierelaties en familieverhoudingen. In alle onderzochte jaargangen handelen twaalf artikelen over deze thematiek. In deze groep is de geografische reikwijdte zeer breed: migratie in of naar Australië, Nieuw Zeeland, Zuid-Afrika, Mexico, Spanje, Frankrijk, Portugal, Rusland en de Verenigde Staten. In de helft van de gevallen in deze groep, dus zes artikelen, wordt gender niet op een echt analytische manier gehanteerd maar enkel als vervangende term voor sekse. In één geval zelfs worden vrouwen geheel genegeerd, namelijk in een studie die zich exclusief concentreert op gezinsstrategieën en migratienetwerken van broers binnen gezinnen.15 Deze aanpak komt voort uit het feit dat de onderzoeker gebruik maakt van dienstplichtigenregisters. De auteur verontschuldigt zich echter wel voor deze eenzijdige aanpak en geeft er blijk van te beseffen dat de studie te maken heeft met een gender bias ten gevolge van het gebruikte bronnenmateriaal.

In zes artikelen op het terrein van migratie wordt gender wel degelijk op een analytische manier gehanteerd. In de vijf artikelen uit deze groep die zijn opgenomen in het special issue van 2016 (nummer 3) zien we duidelijk hoe aanpalende velden van onderzoek een rol kunnen spelen in het centraal stellen van gender.16 Het gaat hier om studies die beïnvloed zijn door de geschiedenis van emoties en andere specialisaties binnen de cultuurgeschiedenis. Deze vijf artikelen onderzoeken allen brieven en de activiteit van brieven schrijven door migranten aan het thuisfront. In deze artikelen staan zaken centraal zoals de specifieke kwetsbaarheid van vrouwelijke migranten ten gevolge van traditionele genderpatronen, of hoe migratie juist de traditionele machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen veranderde. Daarnaast maakt één van deze studies gebruik van het begrip intersectionaliteit, waardoor duidelijk wordt dat deze studie sterk geïnformeerd is door theorievorming in gender studies.17 Het begrip intersectionaliteit wordt gebruikt om aan te geven dat categorieën van verschil en overheersing, zoals klasse, ras, etniciteit en gender, gezamenlijk en in onderling verband moeten worden bestudeerd. Genderverschillen bestaan niet in een sociaal vacuüm maar vormen onderdeel van complexe interacties en worden bovendien gezamenlijk geconstrueerd. Zo is de categorie ras in verregaande mate een ge-gendered begrip.18 In het artikel, waarin het begrip intersectionaliteit opduikt, wordt het toegepast in onderzoek naar identiteitsconstructies in brieven geschreven door Britse migranten naar de Verenigde Staten.19 De brieven laten zien dat identiteiten geconstrueerd worden op een veelheid aan intersecties, van ras, gender en klasse tot religie, etniciteit, leeftijd en opleiding. De introductie van het begrip intersectionaliteit kwam tegemoet aan de ernstige kritiek die in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw werd geuit op vrouwengeschiedenis, namelijk dat verschillen tussen vrouwen werden genegeerd.20

The History of the Family: vrouwen in de marge

In de groep van 77 artikelen waarin gender alleen in de hoofdtekst voorkomt, bevindt zich een subset van studies die ‘vrouwen in de marge’ centraal stellen. Met dit label vat ik gemakshalve studies samen die weduwen als onderzoeksobject hebben (dat zijn er negen in totaal) of die vrouwen op de arbeidsmarkt bestuderen (dat zijn er in totaal twaalf). In de traditionele historiografie werden weduwen veelal gepercipieerd als slachtoffer, of als historische personages met weinig of geen ‘agency’. Vrouwen op de arbeidsmarkt werden traditioneel eveneens gezien als van marginaal belang: ze hadden een zwakke connectie met de formele arbeidsmarkt, waren gering in aantal, slecht betaald en actief in een zeer beperkt aantal sectoren en beroepen. Traditioneel zagen historici deze beide groepen als irrelevant voor de geschiedschrijving, zodat ze volledig genegeerd konden worden als historische actoren.

Het doel van de eerste generaties vrouwen-historici was juist deze vergeten en verborgen groepen van vrouwelijke actoren uit de historische coulissen tevoorschijn te halen. In de 77 artikelen die het begrip gender gebruiken in de hoofdtekst, handelen negen artikelen over ‘vrouwen in de marge’ omdat zij weduwen in het verleden als onderzoeksobject hebben. Dit is bij uitstek een sociale groep die traditioneel gezien werd als zeer arm, als sociaal gemarginaliseerd en met weinig handelingsruimte. Deze artikelen verkennen die handelingsruimte, maar ze zetten de weduwen toch vooral neer als handelende actoren die trachtten iets van hun leven te maken, ook al werden ze soms tegengewerkt door hiërarchische genderverhoudingen.21 Dat laatste varieert overigens naar tijd en plaats. Weduwen in het zeventiende-eeuwse Holland hadden een vergelijkbare positie als weduwnaars in overervingspraktijken, zodat zij ook na de dood van de echtgenoot hun huishouden konden voortzetten.22 De positie van Zweedse weduwen op vrijgevestigde boerenbedrijven was eveneens sterk; zij konden na de dood van hun echtgenoot het bedrijf onafhankelijk voortzetten in de achttiende en negentiende eeuw.23 Qua economische prestatie deden zij dat ook heel succesvol. Daar staat tegenover dat weduwen van horige boeren het recht ontzegd werd de boerderij voort te zetten.

Onder het label ‘vrouwen in de marge’ kunnen ook studies geplaatst worden die vrouwen op de arbeidsmarkt onderzoeken. Ook dat vraagstuk is vanaf het begin een belangrijke onderzoekslijn geweest binnen het vak vrouwengeschiedenis omdat vrouwen traditioneel genegeerd werden als historische actoren in studies over arbeid en de arbeidsmarkt. Sociaal historici hadden vooral mannelijke arbeid op het netvlies als zij dachten aan ‘arbeiders’, en dan ook in de eerste plaats witte mannen uit de Europese en Noord-Amerikaanse geschiedenis. Dankzij de niet aflatende aandacht van veel genderhistorici heeft het begrip gender zich prominent genesteld in studies naar allerlei vormen van arbeid, zowel op de formele als de informele arbeidsmarkt. Vooral vrouwelijke historici in de Verenigde Staten hebben hier het voortouw genomen.24 In de groep van 77 studies die het begrip gender alleen in de hoofdtekst gebruiken, zijn er maar liefst twaalf artikelen die gewijd zijn aan vrouwenarbeid.25 Die vertegenwoordigen een brede waaier aan invalshoeken en aandachtspunten, van gender-hiërarchische verhoudingen in domestic economies en de consequenties daarvan voor bezit en financiële transfers, tot het voorkomen van een penalty op moederschap op de industriële arbeidsmarkt, en de onbetaalde arbeid van vrouwen binnen of buiten de context van het gezin. In een special issue uit 2014 over vrouwenarbeid behandelen daarnaast vier artikelen het vraagstuk van de onder-registratie van vrouwenarbeid in de negentiende en twintigste eeuw.

In al deze artikelen over vrouwenarbeid doen de auteurs pogingen arbeid door vrouwen allereerst zichtbaar te maken. Dat is heel duide-

  

 

lijk het geval bij de artikelen die handelen over onder-registratie in het verleden in bijvoorbeeld de nationale volkstellingen. Daardoor dreigen de omissies van voorgaande generaties te worden herhaald door historici in latere generaties. Om de arbeid verricht door vrouwen toch in het vizier te krijgen is alternatief bronnenmateriaal nodig, en nieuwe, creatieve methoden die het toestaan goede schattingen te maken om de cijfers uit het verleden te kunnen corrigeren.26 Andere artikelen laten zien dat wat vaak gezien wordt als een ‘algemene’ historische ontwikkeling zeer uiteenlopende effecten heeft op ‘mannen in arbeid’ en ‘vrouwen in arbeid’. Dat is bijvoorbeeld het geval in de studie door Schulz et al. die laten zien dat modernisering heel anders uitpakt voor vrouwen en mannen, en dat ook de bepalende indicatoren voor modernisering aanmerkelijk verschillen.27 Een laatste artikel in deze groep dat ik graag naar voren wil halen, is de studie van Burnette en Stanfors over de moederschapspenalty.28 Dit begrip verwijst naar het verschijnsel dat in sommige moderne westerse samenlevingen vrouwen een flinke loonachterstand oplopen als gevolg van het krijgen van kinderen. Dat kan tevens een obstakel vormen bij de terugkeer op de arbeidsmarkt van jonge moeders. Er is zeer weinig bekend over die effecten op vrouwen in het verleden, in een tijd waarin het ogenschijnlijk nog moeilijker moet zijn geweest voor vrouwen om werk en kinderen te combineren gezien de afwezigheid van regelingen zoals zwangerschapsverlof en goede kinderopvang. Dat is eigenlijk heel vreemd gezien de urgentie van de ‘gen­der wage gap’. Dit artikel laat zien dat vrouwen met kinderen in de Zweedse sigarenindustrie eind negentiende eeuw niet getroffen werden door een moederschapspenalty, althans niet degenen die op stuk­loon werkten. In die categorie verdienden vrouwen met kinderen zelfs meer dan mannen, hetgeen verklaard kan worden door een verhoogde arbeidsinzet door deze groep vrouwen. Er zijn meer artikelen die het thema vrouwenarbeid behandelden; die vallen echter buiten de groep besproken studies omdat die auteurs nergens in de tekst het begrip gen­der hanteren.

The History of the Family: mannen en gender

Zoals in de inleiding is uiteengezet, is een centraal element van androcentrisme dat vooral vrouwen gezien worden als ge-genderde wezens, en dat een dergelijk label of perspectief zelden gebruikt wordt voor mannen. Deze kwestie is zeer relevant, ook omdat onder vakgenoten de gedachte nog altijd courant is dat er gekeken moet worden naar vrouwen als er een gendercomponent gezocht wordt, zowel wat betreft subject als object van onderzoek. Echter, ook mannen hebben ‘gender’, en inmiddels is er een respectabele hoeveelheid onderzoek en theorievorming beschikbaar op het terrein van wat masculinity studies is gaan heten. Hier wordt onder andere onderzocht welke de dominante beelden van mannelijkheid zijn in bepaalde sociale groepen, of in bepaalde tijden en culturen; of welke obstakels mannen ondervinden om aan die waarden en normen te voldoen. Masculinity studies zijn een belangrijke toevoeging aan het historisch onderzoek omdat het ons met de neus op de feiten drukt dat de mannen die traditioneel gepercipieerd zijn als de ‘agents of change’, de mannen in machtsposities op een groot aantal terreinen, vooral mannen ‘zonder lichaam’ bleken te zijn. Deze wijze van zien is de belangrijkste fundering van het perspectief dat mannen ‘het universele’ representeren, en vrouwen ‘de ander’ zijn.29 De structurerende invloed van een dergelijk perspectief op allerlei aspecten van het wetenschappelijk bedrijf kan onmogelijk overschat worden.

In hoeverre komen mannen als mannen, en mannelijkheid als tijd- en plaatsgebonden sociale constructie aan bod in The History of the Family? Om die vraag goed in het vizier te krijgen, heb ik die artikelen geselecteerd in de onderzochte jaargangen die expliciet mannen als onderwerp van onderzoek hebben, ongeacht of het begrip gender werd gebruikt in titel, abstract of hoofdtekst. Dat zijn er welgeteld dertien, dus dat is 9,5 procent van alle onderzochte artikelen.30 In zeven van de dertien artikelen komt het begrip gender helemaal niet voor, maar de overige zes artikelen laten zien dat hier de geschiedenis van mannelijkheid duidelijk doorklinkt. De dertien artikelen behandelen een grote verscheidenheid aan topics. Als gender als begrip niet gehanteerd wordt door de auteur, dan zijn het artikelen die gaan over negentiende-eeuwse migratiepatronen van broers in Frankrijk, het optreden van priesters inzake geboortebeperking in Nederland, briefwisselingen tussen een vader en zijn zoons in een zestiende-eeuwse Nurembergse familie, ongehuwde Chinese mannen en bruidsprijzen eind twintigste eeuw, de vergaande macht van vaders in het oude Rome, het verdriet van een achttiende-eeuwse Amerikaanse dominee die weduwnaar werd, en de vader-zoon opvolging in het Romeinse keizerrijk. Wanneer de auteurs zich hadden verdiept in de grote hoeveelheid literatuur over masculinities dan had dat sommige van deze studies in theoretische zin sterker gemaakt. Toch zijn ook deze artikelen waardevol omdat ze bijvoorbeeld de ongelijke genderverhoudingen laten zien, of mannen als onderzoeksobject centraal stellen in rollen en sociale posities die niet zo gebruikelijk zijn in de mainstream geschiedschrijving. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval in het artikel over de Amerikaanse dominee. Historisch demografen doen regelmatig onderzoek naar hertrouw gedrag van mannen en vrouwen, maar de aandacht gaat dan toch veelal uit naar de vraag waarom vrouwen zo weinig hertrouwen terwijl van mannen vooral benadrukt wordt dat ze snel een nieuwe huwelijkspartner nodig hadden om voor de kinderen te zorgen. Deze Amerikaanse dominee wordt echter in een veel kwetsbaardere context geplaatst, een context van verdriet en eenzaamheid; dat is een context die niet vaak gehanteerd wordt voor mannelijke onderzoeksobjecten.

In de artikelen waarin het begrip gender wel gecombineerd voorkomt met mannen als onderzoeksobject, het zijn er zes in totaal, wordt duidelijk terug gegrepen op onderzoek naar en theorievorming over mannelijkheid. Dat zien we bijvoorbeeld helder terug in het artikel over de wisselwerking tussen constructies van mannelijkheid enerzijds en arbeidspatronen van vaders en zoons in negentiende-eeuwse Noorse visserijbedrijfjes.31 Het succes van deze bedrijfjes werd sterk bevorderd door een krachtige profilering van een specifiek type mannelijkheid van deze visserijarbeid; daardoor werden banden tussen generaties veilig gesteld alsmede de noodzakelijke transfer van kennis. Een ander voorbeeld vormt het artikel over de spanningen in het achttiende-eeuwse vaderschapsmodel in Engeland tussen enerzijds toegeeflijkheid en tederheid, en anderzijds autoriteit en gestrengheid. Vaders moesten deze tegenstrijdige kwalificaties zorgvuldig in balans houden om hun mannelijke identiteit niet te beschadigen. In dit artikel wordt inderdaad geput uit het grote arsenaal aan masculinity studies waaruit onder andere duidelijk is geworden hoe kwetsbaar mannelijkheid kan zijn en welke onmogelijke of tegenstrijdige eisen er in verschillende tijden en plaatsen aan worden gesteld.32

Tot besluit van dit onderdeel verdient nog een belangrijk aspect aandacht, en dat betreft de sekse van de auteurs van de artikelen over mannen of mannelijkheid. Alle artikelen waarin geen gebruik wordt gemaakt van het begrip gender zijn geschreven door mannen; de andere artikelen hebben allemaal vrouwelijke auteurs. Het is kennelijk toch nog steeds zo dat mannelijke auteurs in dit domein van de geschiedschrijving zich op afstand houden van het bevragen van mannelijkheid. Dat valt te betreuren. Het lijkt me van belang voor de ontwikkeling van het vak en de rijkdom van het denken over deze onderwerpen dat er een grotere diversiteit aan auteurs komt.

Conclusie

In dit artikel heb ik getracht een beeld te geven van de mate waarin het terrein van de historische demografie beïnvloed is door gendergeschiedenis. De claim van genderhistorici is nadrukkelijk dat men niet gemarginaliseerd wil blijven in eigen wetenschappelijk getto’s, en dat het begrip gender ook heel geschikt is om de noodzakelijke gender mainstreaming te realiseren. Heeft zich iets dergelijks inderdaad afgespeeld in het afgelopen decennium? Heeft het begrip gender zijn weg gevonden in het onderzoek van historisch demografen, althans in het onderzoek zoals dat werd gepubliceerd in The History of the Family. An International Quarterly? Daartoe werden vijf jaargangen (2008, 2010, 2012, 2014, 2016) volledig onderzocht. Dit tijdschrift is een belangrijk publicatiekanaal voor een grote verscheidenheid aan onderwerpen en invalshoeken op een breed terrein van historisch demografisch onderzoek en van de gezinsgeschiedenis. De auteurs variëren van senior onderzoekers met gevestigde namen tot aanstormende talenten die aan het begin van een academische carrière staan. Dat maakt dat we ook een rijk geschakeerd patroon zien als resultaat van dit onderzoek.

Het begrip gender als zodanig komt veelvuldig voor in de onderzochte jaargangen. Echter, het begrip wordt ook veelvuldig gebruikt als een eenvoudig equivalent voor sekse. Dat wordt door veel gendertheoretici betreurd, en dat is terecht, omdat het terugbrengt naar een biologisch perspectief op verschillen tussen mannen en vrouwen: naar het idee dat die verschillen terug te voeren zijn op lichamen, die op hun beurt buiten het terrein van geschiedenis en cultuur vallen.33 Op dat vlak valt er dus nog het nodige bij te leren voor historisch demografen en gezinshistorici. Toch bevat The History of the Family ook een flink aantal studies waarin inzichten, begrippen en vraagstukken worden toegepast uit gender studies en gendergeschiedenis. Daarbij valt verder op dat veel van dat onderzoek buiten de zogenaamde ‘hardcore’ demografische onderwerpen valt, waarin tevens veelvuldig een niet-kwantitatieve aanpak wordt gehanteerd. Ook daar valt een wereld te winnen: het moet normaler worden om in kwantitatief onderzoek inzichten en begrippen toe te passen uit aanpalende gender studies.

Bij mijn pleidooi voor ‘meer gender’ in historisch-demografisch onderzoek gaat het er nadrukkelijk niet om dat onderzoekers altijd vrouwen moeten onderzoeken in hun studies en de focus nooit uitsluitend op mannen mogen richten. Allereerst is dat in sommige studies erg moeilijk uitvoerbaar. Een goed voorbeeld daarvan is het onderzoek naar de historische ontwikkeling van lengte. Het is uiteraard belangrijk dat al het beschikbare materiaal wordt gebruikt, en dan zijn de lotelingenregisters en andere bronnen over dienstplichtige soldaten buitengewoon nuttig en informatief. De aard van de bron brengt met zich mee dat ze alleen data bevat over mannen. Bronnenmateriaal met lengte gegevens voor vrouwen is veel moeilijker te vinden, en dan betreft het veelal informatie over een selecte subgroep van vrouwen, bijvoorbeeld gevangenen en veroordeelden, wat resulteert in een sterke bias in de gegevens. Het zou niet wetenschappelijk zijn om dan van een dergelijk onderzoek gericht op uitsluitend mannen af te zien.

Ten tweede, en dat is veel belangrijker, gaat het er niet eens zo zeer om of onderzoek gedaan wordt naar mannen of vrouwen. Het gaat er meer om welke analytische lens wordt gebruikt, of met andere woorden, welke vragen onderzoekers zich stellen en voor welke aspecten van de werkelijkheid zij sensitiviteit aan de dag leggen. Gendergeschiedenis is weliswaar ooit begonnen als vrouwengeschiedenis, een tak van sport waarbij alleen vrouwen werden bestudeerd, maar die fase ligt al lang achter ons. Gendergeschiedenis behelst een pleidooi mensen te zien als ge-genderde wezens, zowel vrouwen als mannen. Een dergelijke positie brengt met zich mee dat wanneer alleen mannen aan bod kunnen komen in de bronnen zij ook als zodanig worden gezien, als wezens die functioneren in een wereld waarin gender een belangrijke structurerende rol kan spelen met grote consequenties voor macht, status en handelingsruimte. De onderzoeker zou op zijn minst enige sensitiviteit kunnen ontwikkelen voor een dergelijke manier van kijken. Dit laatste argument onderstreept het grote belang van een genderperspectief in historisch onderzoek in het algemeen, en de historische demografie en de gezinsgeschiedenis in het bijzonder.

Welke betekenis heeft de toepassing van een genderperspectief gehad voor de gezinsgeschiedenis en de historische demografie zoals blijkt uit de publicaties in The History of the Family? In de eerste plaats heeft de introductie van gender een belangrijke rol gespeeld in het doorbreken van eenzijdige functionalistische en uitsluitend economische perspectieven op vraagstukken zoals de demografische transitie. Het is immers niet genoeg om slechts in statistische zin na te gaan of wijzigingen in religieuze of economische structuren effect hebben op de daling van het kindertal. Dat levert geen begrip op van wat er gebeurt in de wereld van de mensen die deze grote veranderingen hebben meegemaakt, laat staan dat we weten wat zich in hun slaapkamers heeft afgespeeld. Als onderzoek aantoont dat wijzigingen in de religieuze context verschuivingen met zich meebrachten in de handelingsruimten van echtelieden en de normatieve context waarin zij moesten opereren, dan ontstaat een beter begrip van de grote veranderingen in de geschiedenis. Het levert een rijker perspectief op waarbij economische en sociale structuren verbonden worden met sociale en culturele normen en waarden. Daarmee wordt de verklaringskracht van onderzoek in belangrijke mate vergroot en verbreed; het gaat er niet alleen omdat religie invloed heeft, maar ook hoe dat gebeurt. Tevens verhoogt op die wijze het belang en de mogelijke impact van dergelijk onderzoek. Het toont immers aan welke factoren cruciaal zijn om een daling van het kindertal te realiseren, en levert zo een bijdrage aan urgente maatschappelijke vraagstukken.

Deze argumentatie heb ik nu geïllustreerd aan de hand van onderzoek naar de fertiliteitsdaling, maar de bovenstaande argumentatie geldt voor veel andere voorbeelden zoals het onderzoek naar de invloed van moderniseringsprocessen of het functioneren van de arbeidsmarkt en de moederschapspenalty. Steeds handelt het om belangrijke en complexe processen van sociale verandering. Een goed begrip daarvan vraagt om een complexe benadering van de onderzoeker.

Aan de hand van dit onderzoek in The History of the Family blijkt dat gendertheorie ook langs andere weg gezorgd heeft voor een beter zicht op een complexe werkelijkheid, namelijk door een verbreding van het theoretisch instrumentarium. Dat gebeurt, bijvoorbeeld, bij de toepassing van het begrip intersectionaliteit, dat gebruikt wordt om aan te geven dat allerlei categorieën van verschil – klasse, ras, etniciteit en gender – gezamenlijk en in onderling verband moeten worden bestudeerd. Het gebruik van dat concept maakte het mogelijk te laten zien hoe complex dat proces, bijvoorbeeld, verloopt bij identiteitsvorming van migranten in de nieuwe samenleving, opnieuw een kwestie van grote maatschappelijke urgentie.

Tot slot, naast een beter, dat wil zeggen complexer, begrip van de historische werkelijkheid, heeft de introductie van een genderperspectief gezorgd voor een aanzienlijke verbreding van het veld van onderzoek in termen van het gebruikte bronnenmateriaal en de vraagstukken die worden bestudeerd. In plaats van een smalle focus op kwantitatief onderzoek heeft de introductie van het genderperspectief onderzoekers ertoe aangezet meer kwalitatief materiaal te zoeken en dat optimaal te benutten. Daarbij worden nieuwe vraagstukken aangeboord en de geschiedenis geschreven van sociale groepen die anders verscholen zouden blijven in de plooien van de geschiedenis. Een mooi voorbeeld daarvan is de geschiedenis van weduwen en andere vrouwen in de marge. Ook het voorbeeld van de kwetsbare emotionaliteit van de verweduwde Amerikaanse dominee kan genoemd worden. Die studie nuanceert het beeld van weduwnaars dat voortkomt uit andere studies, als mannen die de overleden echtgenote zo snel mogelijk vervangen en verder kennelijk weinig hinder ondervinden van deze gebeurtenis in hun levensloop.

Tot besluit: door de wijze waarop de artikelen zijn geselecteerd op het gebruik van het woord gender zijn mogelijk waardevolle artikelen aan mijn aandacht ontsnapt. Dat kunnen artikelen zijn die op een bijzonder waardevolle manier aandacht hebben voor één van de hier besproken invalshoeken, of waarmee de geschiedenis van vrouwen zeer gediend is, maar die toch niet het begrip gender hebben gebruikt. Het kan dus zijn dat de invloed van het vak gendergeschiedenis toch nog verder reikt dan hier is besproken.

Over de auteur

Angélique Janssens is bijzonder hoogleraar Historische Demografie, met speciale aandacht voor Gender en Arbeid aan de Universiteit van Maastricht, en als universitair docent verbonden aan de Radboud Group for Historical Demography and Family History, van de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij is co-editor in chief van The History of the Family. An International Quarterly. Zij publiceerde over vrouwenarbeid, huwelijk en fertiliteit in het verleden, alsmede doodsoorzaken, sterfte en langlevendheid. Daarnaast publiceerde zij Labouring Lives. Women, work and the demographic transition in the Netherlands, 1880-1960 (Peter Lang, 2014) en Family and social change. The household as a process in an industrializing community (Cambridge University Press, 1993, reprint 2002). Zij is projectleider van het NWO-project Lifting the burden of disease. The modernisation of health in the Netherlands, Amsterdam 1854-1926, en van het NWO-project Constructing SHiP: towards a comparative history of health and disease in European port cities, 1850-1950. Zij is tevens wetenschappelijk directeur van het N.W. Posthumus Instituut.

E-mail: a.janssens@let.ru.nl