1 Inleiding

Reeds vóór de zogenaamde ‘groene revoluties’ van de recente periode kon men in de premoderne landbouw productiviteitswinsten maken, hetzij minder uitgesproken. De achttiende eeuw geldt daarbij als een toonbeeld van premoderne agrarische groei, waarbij in de literatuur over de zogenoemde ‘Agrarische Revolutie’ nieuwe technieken, veranderende teeltrotaties met een reductie van de braak en de teelt van stikstofbindende klaver, worden beklemtoond om het verschil te duiden tussen de ‘progressive agriculture’ in Engeland en de ‘backward evolution’ van de Franse landbouw.1 De meeste verklaringsmodellen schenken echter weinig aandacht aan de rol van bemesting. Dit is opmerkelijk, aangezien het herstel van bodemnutriënten na de afvoer ervan bij de gewasoogst beschouwd wordt als de ‘chronic shortcoming of agriculture’ vóór 1800.2 Naast de veelbesproken oplossingen (de reductie van braak en de opmars van klaver) was er in sommige regio’s een bijkomende optie voorhanden: het gebruik van stedelijk organisch afval (i.e. substantie waarvan de aanwezigheid in de stad ongewenst was) als meststof (i.e. elke substantie die de bodemvruchtbaarheid verhoogt) in de landbouw.3 Vanuit de ecologische geschiedenis wordt vaak gewezen op het potentiële belang van stedelijk afval als meststof in de landbouw, hoewel zelden de specifieke vraagpatronen vanuit het platteland (met grote regionale verschillen in de sociale organisatie van de landbouwproductie) in ogenschouw worden genomen.4 Hooguit werd een onderscheid op macroniveau gemaakt tussen enerzijds de Europese gemengde landbouw (veeteelt en akkerbouw) gekenmerkt door een gebrek aan vraag voor stadsmest en anderzijds de Aziatische landbouwproductie die nagenoeg enkel steunde op het verbouwen van veldgewassen (en dus zonder belanghebbende veehouderij) met het gebruik van stadsmest als wezenlijk kenmerk.5 De achttiende-eeuwse groeiversnelling in de landbouw reikt ons een ideale casus aan, die ons niet alleen in staat stelt te onderzoeken of het maximaliseren van het hergebruik van stedelijk organisch afval substantiële groei in de agrarische productie tot gevolg had, maar ook om de specifieke condities waaronder deze bemestingsintensivering aan belang won en de beperkingen waarmee deze te maken kreeg, bloot te leggen vanuit een agrarisch, ecologisch en sociaal perspectief.

Wijzigingen in bemesting worden vaak aangevoerd als verklaring voor evoluties in de landbouw, maar deze veranderende bemestingspatronen worden zelf nooit verklaard. Twee grote problemen liggen aan de basis hiervan: bronproblemen en interpretatieproblemen. De inzet van productiemiddelen (en zeker meststoffen) staat bekend als zeer moeilijk te meten.6 Boedelbeschrijvingen c.q. staten van goed – één van de belangrijkste bronnen voor premoderne rurale geschiedenis – generaliseren vaak landbouwinputs,7 waardoor gedetailleerde reconstructies van bemestingspraktijken worden verhinderd. Bovendien is de inzet van (stads)mest niet zuiver als een kapitaalinput te interpreteren: er is heel wat arbeidsinzet nodig om de mest (gaande van hoeve-eigen stalmest tot aangekochte stadsbeer) op het land te verspreiden. Mest is, met andere woorden, een vorm van grondbesparende input, die zeer moeilijk in een verhaal van kostenbesparing in te passen valt, zeker wanneer de impact ervan op de landbouwproductie niet bekend is. In de historiografie is daardoor het belang van bemesting al te vaak gereduceerd, waarbij een eenzijdige focus op de stikstofbindende eigenschappen van leguminosen en klaver geleid heeft tot het negeren van de positieve bijdrage van bemesting in de aanvoer van andere nutriënten zoals fosfor en potas, de regulering van de zuurtegraad (pH) en de opbouw van bodemorganische stof, die op zijn beurt de bodemtextuur en -structuur bevordert en het bodemleven voedt.8

De lont, die de debatten omtrent de impact van bemesting in kapitalistische landbouwsystemen (met winstmaximalisatie en kostenefficiëntie als kernwoorden) enerzijds en systemen van overlevingslandbouw (waar opbrengstmaximalisatie door arbeidsintensifiëring tot de essentie behoort) anderzijds zou kunnen aanwakkeren, werd handig weggenomen door te stellen dat landbouwers aan weerszijden van het Kanaal toegang hadden tot dezelfde bemestingskennis en -opties.9 Het probleem is echter dat fundamenteel onderzoek naar bemestingspraktijken op het niveau van de boerderij ontbreekt om uitspraken te kunnen doen over de impact van bemesting in het algemeen en van aangekochte meststoffen in het bijzonder op agrarische groei. Pogingen van rurale historici om de verspreiding van stedelijke (zoals vaste straatmest en huishoudafval alsook de drijfmestachtige inhoud van beerputten) en industriële meststoffen (bijvoorbeeld assen als restproduct van zeepziederijen en blekerijen) in kaart te brengen, laten alvast vermoeden dat het soort landbouwsysteem en de bijhorende mestvraag er weldegelijk toe deden: in de loop van de achttiende eeuw bleken aangekochte meststoffen veel minder opmars te maken op de grootschalige, kapitalistische pachtboerderijen in Engeland dan in de intensieve landbouwregio’s in het noordoosten van Frankrijk (Béthunois, Frans-Vlaanderen en Henegouwen). De grote Engelse pachters gebruikten in toenemende mate kalk (i.e. vermeld in zestig procent van de 47 onderzochte boerderijhandboeken tussen 1700 en 1760, en in zeventig procent van de 89 handboeken in de periode 1760-1799), terwijl slechts twintig (1700-1760) tot vijfentwintig procent (1760-1799) van hen de tweede populairste off-farm meststof, namelijk assen, toediende.10 In Frans-Henegouwen – waar grote hoeves net als in Binnen-Vlaanderen via onderlinge ruilrelaties met kleine boeren toegang hadden tot een arbeidsreserve – werden intensieve bemestingsmethodes uit de naburige Flemish Husbandry overgenomen.11 Waarom bepaalde bemestingsstrategieën werden gevolgd en hoe deze verband hielden met de heersende sociaaleconomische context blijft echter ook bij deze auteurs onderbelicht. Dit verdient zijn plaats op de onderzoeksagenda, aangezien deze strategieën immers uitgedacht moesten worden tegen de achtergrond van bepaalde maatschappelijke veranderingen (zoals bevolkingsaanwas), de economische conjunctuur, toegang tot land, milieu-uitdagingen en politieke ontwikkelingen. Deze factoren stellen uitdagingen of opportuniteiten aan de bestaande productiesystemen en hun specifieke inzet van productiemiddelen (i.c. bemesting) en dus aan de huishoudens aan de basis van deze productiesystemen.

Nauw samenhangend met een agronomische analyse (waarbij aandacht wordt geschonken aan de relatie tussen hoeve-eigen en aangekochte mest, aan het verband tussen soort gewas en meststof en aan de bemestingsgraad – het deel van het cultuurareaal dat werd bemest – en de bemestingsintensiteit – hoe grondig dat deel werd bemest), dient nagegaan te worden hoe de sociale organisatie van de agrarische productie en de inkomensstrategieën van de producenten verband hielden met de manier waarop bemest werd. Recent onderzoek benadrukt immers dat het bedrijven van landbouw (efficiëntie, niveaus van investering en rendement) voor een groot deel gedetermineerd werd door de relaties tussen verschillende soorten boerenhuishoudens, en tussen landbouwers en personen die deelden in de winsten (landeigenaars, crediteurs en de overheid).12 Aandacht voor de regionale sociale setting van de landbouw in vergelijking tot andere regio’s is dus cruciaal, waarbij verschillen in bemestingsstrategie tussen kleine en grote boeren, alsook de impact van surplusextractie op het beslissingsmodel van boeren met betrekking tot bemesting voor ogen moet gehouden worden. Daarenboven dient de vraag ook omgekeerd te worden en moeten we onderzoeken wat de potentiële rol van bemesting was in het vormen en in stand houden van de sociale context. Dit onderzoek heeft tot doel de condities bloot te leggen onder dewelke nutriëntenrecyclage in de landbouw een vlucht nam.13

Binnen-Vlaanderen in de achttiende eeuw – een regio door de tijdgenoot geroemd omwille van haar zeer productieve landbouw – vormt een ideale testcase voor ons onderzoek. De befaamde Flemish Husbandry wordt gekenmerkt door kleinschalige landbouw (de meeste boerderijen waren kleiner dan twee hectare met daarnaast enkele grotere hoeves van tien hectare en meer, waarbij door de bevolkingsaanwas in de achttiende eeuw de fragmentarisering van het kleinbedrijf verder werd gestimuleerd), massale inzet van arbeid, de combinatie van agrarische (akkerbouw en veeteelt) en niet-agrarische activiteiten (proto-industrie) en ongelijke ruilrelaties tussen grote en kleine boeren, waarbij deze laatsten voor paardenwerk (transport en ploegen) beroep deden op hun grotere collega’s die vergoed werden in de vorm van een meer dan evenredige hoeveelheid arbeid.14 Hoewel Binnen-Vlaanderen al sinds de middeleeuwen een regio van dichte verstedelijking was en bijgevolg een groot aanbod van stedelijke en industriële meststoffen ter beschikking had, ging men deze stedelijke nutriëntenvoorraad pas medio achttiende eeuw op een andere en intensievere wijze benutten. Schattingen van have en goed (prijzijen) voor enkele Binnen-Vlaamse steekproefdorpen in de Roede van Tielt (809 prijzijen voor de periode 1719-1770) en het Land van Wijnendale (216 schattingsdocumenten tussen 1766 en 1810) vormen het basisbronnenbestand, waarop dit onderzoek steunt (verder in dit artikel aangeduid als ‘databank’).15 Deze prijzijen werden als kladversie opgesteld alvorens een boedelbeschrijving (staat van goed) of een schatting van een pachtgoed op het einde van een pachtcontract definitief werd vastgelegd. Zij bieden een unieke inkijk in de landbouwpraktijken van boerenhuishoudens door hun informatie over het gewas te velde alsook het vorige gewas, de ploegbeurten, de oppervlakte en over verschillende soorten hoeve-eigen en aangekochte meststoffen van het actuele en het voorgaande groeiseizoen per perceel (illustratie 1). Op basis van deze bronnen heb ik een antwoord gezocht op de vraag wat de condities waren waarin een grotere recyclage van stadsmest in de landbouw tot stand kwam zonder dat het aanbod van die stadsmest zelf fundamenteel wijzigde.

2 De vraag naar off-farm meststoffen en haar determinanten

De analyse van de schattingen van have en goed in de dorpen Meulebeke, Tielt en Pittem in de Roede van Tielt enerzijds en in Torhout, Lichtervelde en Gits in het Land van Wijnendale anderzijds maakte duidelijk dat

fg001 

 

Binnen-Vlaamse boeren – zowel kleine peasants als grote farmers – hun input van stedelijke en industriële meststoffen vergrootten in de loop van de achttiende eeuw.16 Tabel 1 vat de toepassing van de populairste off-farm meststoffen samen, waarin duidelijk wordt dat het gebruik van elk van deze meststoffen meer verbreid was in de tweede helft van de achttiende eeuw en dit ongeacht de bedrijfsgrootte. Het aandeel van boerenfamilies dat zich extra mest aanschafte, breidde uit in elke groottecategorie (van de cottagers met minder dan een hectare cultuurland, over kleine en middelkleine peasants met een aandeel akkerland variërend tussen een en vijf hectare, tot middelgrote boeren met vijf à tien hectare land onder de ploeg en tot grote landbouwers die meer dan tien hectare bewerkten). Bovendien lijkt het erop dat de bemestingsintensiteit met off-farm meststoffen (i.e. het aantal wagens per hectare bemest land) over het algemeen hoger kwam te liggen in de decennia na 1750. De soort aangekochte meststof verschilde naargelang de bedrijfsgrootte: stadsbeer en assen vonden hun afzet in toenemende mate op het kleinbedrijf, terwijl de grotere hoeves de aan-

voer van stadsbeer afbouwden ten voordele van een toenemend gebruik van assen en kalk. Boerenhuishoudens gingen in de loop van de achttiende eeuw de hoeve-eigen mestvoorraad op een kleiner deel van hun akkerland uitspreiden (en dus hun bemestingsintensiteit verhogen, terwijl de bemestingsgraad afnam). Tegelijkertijd namen ze hun toevlucht tot meer mestaankopen, waarvoor de jaren 1750 gelden als het kantelmoment. Meer dan de bedrijfsgrootte speelden een aantal specifieke bedrijfsbeslissingen een cruciale rol in het al dan niet aankopen van extra stedelijke meststoffen. Deze beslissingen werden genomen in overeenstemming met de algemene economische situatie. Meer dan de evolutie van de graanprijzen waren het de prijsbewegingen op de textielmarkt (namelijk de abrupte daling van de linnenprijs in de jaren 1750 en de daaropvolgende stijging van de prijzen van het ruwe vlas in de jaren 1770 en 1780) en de toenemende afroming van agrarisch surplus door landeigenaars (die hogere pachtprijzen instelden) die, in combinatie met de fragmentarisering van het boerenbedrijf, peasants en farmers stimuleerden, of beter noopten, in intensievere bemesting te investeren (grafiek 1).17

De kleine boeren konden hun graanproductie een boost geven door meer stikstofbindende klaver te telen, die ze in toenemende mate bemestten met assen en kalk.18 Bovenal konden zij hun vlasareaal uitbreiden door drijfmestachtige stadsbeer en assen aan te kopen.19 Om het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarmee hun proto-industrieel huishoudmodel (waarbij zij door maximale inzet van familiale arbeid hun landbouwinkomen aanvulden door het bewerken van vlas tot lijnwaad) te kampen kreeg, teelden de kleine boeren meer vlas, opdat zij geen of minder ruw vlas tegen hogere prijzen moesten inkopen en meer lijnwaad konden produceren.

Tabel 1. Gebruikers van off-farm meststoffen, algemene toepassingsgraad en gemiddelde bemestingsintensiteit, 1720-1800

1720-1749 1750-1800
Ngebruikers Ntotaal % algemene toepassingsgraad (% akkerland) gemiddelde bemestingsgraad (wagens ha-1) Ngebruikers Ntotaal % algemene toepassingsgraad (% akkerland) gemiddelde bemestingsgraad (wagens ha-1)
Stadsbeer 0-1 ha 8 35 22,9 3,7 10,9 15 29 51,7 8,2 21,9
1-2.5 ha 18 102 17,7 2,2 21 56 37,5 1,6
2.5-5 ha 31 79 39,3 2,5 18 33 54,6 2,6
5-10 ha 17 44 38,7 2,0 12 23 52,2 2,1
>10 ha 12 29 41,4 2,8 7 16 43,8 0,5
Duivenmest 0-1 ha 2 35 5,8 3 3,4 1 29 3,5 1,4 5,4
1-2.5 ha 6 102 5,9 0,9 11 56 19,7 1,9
2.5-5 ha 9 79 11,4 1 10 33 30,4 1
5-10 ha 7 44 16 2,5 8 23 34,8 1
>10 ha 4 29 13,8 1,2 5 16 31,3 0,6
Assen 0-1 ha 2 35 5,8 0,2 6,6 11 29 38 4,1 7,5
1-2.5 ha 9 102 8,9 0,3 31 56 55,4 4,2
2.5-5 ha 10 79 12,7 0,3 27 33 81,8 4,2
5-10 ha 12 44 27,3 0,8 19 23 82,6 5,3
>10 ha 15 29 51,8 1,4 15 16 93,8 5,1
Kalk 0-1 ha 0 35 0 0 4,6 3 29 10,4 1,6 4,6
1-2.5 ha 0 102 0 0 21 56 37,5 1,2
2.5-5 ha 2 79 2,6 0 19 33 57,6 4,6
5-10 ha 1 44 2,3 0,3 19 23 82,6 4,9
>10 ha 3 29 10,4 0,2 15 16 93,8 3,8
Off-farm mest 0-1 ha 8 35 22,9 15 29 51,7
1-2.5 ha 22 102 21,6 35 56 62,5
2.5-5 ha 32 79 40,5 \ \ 27 33 81,8 \ \
5-10 ha 20 44 45,5 20 23 87
>10 ha 17 29 58,6 15 16 93,8

Bron: databank.

fg002 

 

Hogere pachtprijzen en dalende linnenprijzen waren tevens uitdagingen voor de grote boeren in deze regio, terwijl de stijgende vlas- en graanprijzen daarentegen eerder als commerciële opportuniteiten voor hen gezien kunnen worden. Hun antwoord op deze uitdagingen en opportuniteiten wars zeer gelijkaardig aan dat op het kleinbedrijf, namelijk de bemesting intensiveren. Vanaf de jaren 1750 verhoogden de grotere boeren (i.e. hoeves met meer dan vijf hectare in deze regio) de bemestingsintensiteit met hun hoeve-eigen mestvoorraad (i.e. meer wagens mest per hectare akkerland) en schaften ze zich meer bijkomende off-farm meststoffen aan. Aangezien drijfmestachtige stadsbeer zeer gewild was onder het peasant-stratum van de rurale samenleving (tabel 1) en de grote boeren zelf een groter aanbod hoeve-eigen vloeibare mest of gier ter beschikking hadden om hun vlasareaal uit te breiden, vergrootten zij voornamelijk hun input van assen en kalk, wat in hoofdzaak hun graanopbrengsten ten goede kwam, hetzij direct via het spreiden van deze meststoffen op graanakkers, hetzij indirect door het bemesten van klaver met deze grondverbeteraars.

3 Vertrouwen in het nieuwe bemestingspatroon: pachtwet en kennisoverdracht

De Binnen-Vlaamse landbouwers gingen niet lukraak over tot een wijziging van hun bemestingspatroon met intensievere bemesting en meer mestaankopen. Deze wijziging van bemestingsstrategie ging namelijk gepaard met het nemen van risico’s: of de mestaankopen renderend of verlieslatend zouden zijn, was niet te voorspellen. Daarom is het belangrijk na te gaan hoe de nieuwe bemestingsstrategieën al dan niet strookten met het risicomijdende gedrag van de kleine peasants (het nemen van risico’s, die hun overlevingsstrategieën op het spel zetten, werd zoveel mogelijk vermeden) en hoe ze in verhouding stonden tot de meer risiconemende bedrijfsvoering van de grotere farmers (die doorgaans over meer kapitaalreserves beschikten om te experimenteren met nieuwe productietechnieken).20 Een institutioneel kader in de vorm van de pachtwet en kennisoverdracht van grote naar kleine boeren stimuleerden het vertrouwen in de toepassing van de nieuwe bemestingspraktijken.

Wanneer landbouwers in het huidige groeiseizoen hun akkerland bemesten, dan hebben de gebruikte meststoffen niet alleen een uitwerking voor de actuele gewassen. Aangezien een kleiner of groter deel van de toegediende mest na één gewascyclus nog niet volledig afgebroken zal zijn, blijft deze mest een voedende werking hebben voor het volgende gewas (of zelfs gewassen daarna). Deze resterende bemestingscapaciteit na één of meer groeicycli wordt in de bronnen navette genoemd. Door te bemesten in het heden investeren boeren met andere woorden ook in de toekomst. Dit kon moeilijkheden veroorzaken in het geval van pachtland, en vooral in het laatste jaar van het pachtcontract. Een ‘double moral hazard problem’ kon ontstaan, waarbij de landeigenaar de afgaande pachter niet vergoedde voor de nawerking van zijn laatst toegediende meststoffen, terwijl deze laatste kon beslissen niet meer te mesten in het laatste pachtjaar en te profiteren van de navette van zijn eerste pachtjaren en aldus bodemvruchtbaarheid te eroderen.21 Hoewel in het gewoonterecht van de late middeleeuwen reeds aanzetten werden gegeven voor het voorzien van een billijke vergoeding aan pachters voor de navette op het einde van de pachttermijn, hadden deze reguleringen vaak met groeipijnen te kampen (zoals het gebrek aan geografische éénvormigheid en fraude door pachters die de resterende mestwaarde lieten overwaarderen). Of zulke frauduleuze praktijken op grote schaal voorkwamen, valt niet te achterhalen, maar ze hebben alleszins verdere stappen in de regulering gestimuleerd. Een algemene pachtwet met een duidelijke omschrijving van de eigendomsrechten van pachters over hun navette kwam tot stand en verspreidde zich geleidelijk aan over de verschillende kasselrijen vanaf 1671; het jaar waarin de kasselrij van de Oudburg van Gent de aanzet gaf.22

Tabel 2. Aandeel bemeste percelen in het laatste groeiseizoen, 1720-1800

Periode Niet-beteelde percelen Percelen met gewassen
Nbemeste percelen Ntotale percelen % Nbemeste percelen Ntotale percelen %
1720 208 344 60,5 687 890 77,2
1730 174 272 64,0 648 878 73,8
1740 98 162 60,5 296 364 81,3
1750 42 86 48,8 238 297 80,1
1760 123 147 83,7 155 191 81,2
1770 302 331 91,2 32 50 64
1780 132 144 91,7 49 74 66,2
1790 80 89 89,9 4 14 28,6
1800 100 109 91,7 7 15 46,7
1720-1800 1259 1684 74,8 2116 2773 76,3

Bron: databank.

Controlemechanismen, het instellen van boetes en een strikte regulering van het ambt van schatter (een eed van trouw naast het afleggen van een praktijkexamen) moesten frauderen tegengaan. Tezelfdertijd kregen afgaande pachters de wettelijke garantie dat hun bemestingsinspanningen op het einde van de pachttermijn correct zouden worden vergoed, nadat deze door een schatter in een prijzij werden gewaardeerd.23 De analyse van prijzijen opgesteld in het kader van aflopende pachttermijnen leert ons dat het merendeel van de landbouwers hun pachtland bemestte in het laatste seizoen van hun contract (tabel 2),24 waarbij tevens de algemene trend van het toenemende gebruik van stedelijke meststoffen onderschreven wordt: niet enkel goedkope, hoeve-eigen mest, maar ook aangekochte meststoffen werden toegediend.25 De pachtwetgeving, die een vergoeding voor de navette wettelijk bepaalde, boezemde de pachters vertrouwen in om ook in het laatste pachtjaar de bemesting niet te verwaarlozen, waardoor tijdelijke problemen van bodemuitputting vermeden werden.

Naast het vertrouwen gegenereerd door het institutionele kader, slaagden kleine boeren erin een nieuw en dus onzeker bemestingspatroon toch in te passen in hun risicobeperkende overlevingsstrategie. Dit kon duidelijk gemaakt worden aan de hand van de verspreiding van kalk, een grondverbeteraar die de pH van de bodem corrigeert en de opneembaarheid van andere bodemnutriënten verbetert,26 en die pas vanaf de jaren 1740 zijn intrede deed in onze onderzoeksregio. Grafiek 2 toont aan dat het kalken werd gepionierd op de grotere boerenbedrijven (van meer dan vijf hectare), waarna de kleinere peasant-huishoudens stelselmatig volgden en tevens startten met kalk aan te wenden op hun velden. Terwijl leden van deze huishoudens arbeid verrichtten op de grote hoeves (als onderdeel van de wederkerige ruilrelaties tussen grote en kleine boeren), namen zij de nieuwe praktijk van het kalken waar. Pas wanneer zij overtuigd geraakten van de bevorderende invloed van kalk op de bodem en gewasgroei en vertrouwd werden met het gebruik ervan, gingen zij over tot het gebruik van kalk op de eigen hofstede. Zij gingen, met andere woorden, niet halsoverkop over tot de in

fg003 

 

novatieve kalktechniek, maar hielden anderzijds niet halsstarrig vast aan hun gekende en veilige bemestingspraktijken. Een peasant-attitude van risicoaversie dient hierdoor zowel bevestigd alsook genuanceerd te worden.

4 Van stad naar platteland: tussenpersonen en waardecreatie

Al sinds de late middeleeuwen stond afvalverzameling en -verwijdering in steden van de Zuidelijke Nederlanden op de politieke agenda van de stadsmagistraat, waarbij dit afvalbeheer in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw steeds meer institutioneel omkaderd werd: een louter controlerende functie in de veertiende en vijftiende eeuw ging in de loop van de vroegmoderne periode over in de aanstelling van ondernemers, die het monopolie over de afvalverwijdering uit de stad toevertrouwd kregen – hetzij in een systeem van verpachting, openbare aanbesteding of in eigenbeheer.27

fg004 

 

Er bestonden niettemin grote verschillen inzake de organisatie van de afvalverwijdering tussen Vlaamse en Brabantse steden onderling. In Vlaamse steden als Gent, Brugge of Aalst werd doorgaans enkel het schoonmaken van de straten en het verwijderen van de straatmest door het stadsbestuur verpacht aan de meestbiedende. Het ruimen van de ‘beer’ uit de private beerputten, werd door private ondernemers verzorgd, die de stedelingen dienden te betalen voor hun ‘beer’. In Brabantse steden zoals Mechelen, Leuven en ook Antwerpen, was het ruimen van de beerputten op corporatieve wijze – in ambachten – georganiseerd, waarbij alleen de officiële ‘nachtwerkers’ de beerputten mochten leeghalen, en het de stedelingen waren die een vergoeding voor het ruimen dienden te betalen. Zo betaalde de Antwerpenaar in de achttiende eeuw 30 stuiver voor het legen van zijn beerput. De inwoner van Kortrijk daarentegen ontving 72 stuiver als vergoeding voor de inhoud van zijn beerput (of het equivalent van twaalf daglonen van een stedelijke bouwvakker)!28 Het verschil wordt wellicht deels veroorzaakt door verschillen inzake belastingpolitiek (het betalen voor het ruimen van de beerput is immers ook een verholen vorm van belasting, gezien de beerruimers hun functie dienden te pachten van de stad), en deels door verschillen in de vraag naar stadsbeer in het onmiddellijke hinterland van de stad: voor de vlasakkers rondom de Vlaamse steden zoals Kortrijk was stadsbeer een gewilde meststof, terwijl het minder afzet vond in de graan- of tuinbouw. Als de inhoud van een gemiddelde beerput 2000 kg bedroeg (met een ruimingsfrequentie van eens in de vier à vijf jaar bij particuliere huishoudens) en een wagen met 750 kg beer kon beladen worden,29 kan berekend worden dat de Kortrijkenaar per wagen 27 stuiver incasseerde (en hij dus ruim twee en een halve wa-

fg005 

 

genvracht uit zijn beerput kon laten weghalen). De bemestingskost op het veld kon aan de hand van de prijzijen ingeschat worden door de productiekosten per perceel met de kosten van de bewerking, het zaaigoed en de arbeidskosten te verminderen. De kleine peasant diende per wagen beladen met stadsbeer gemiddeld 49 stuiver te betalen. Dat betekent dat de stedeling 55 procent van de mestwaarde won, wat op geaggregeerd niveau een niet onaanzienlijke opbrengst was voor de stad. De verzameling van ‘blekersassen’ en ‘zeepassen’ – bijproducten uit de stedelijke blekerijen en zeepziederijen – alsook de distributie van geïmporteerde Hollandse turfassen werden tevens door private ondernemers georganiseerd en dit zowel in Vlaamse als Brabantse steden. Ook kalk, afkomstig van de Henegouwse kalkgroeves, vond op gelijkaardige wijze zijn weg naar onze steekproefregio, hetzij in de vorm van kalksteen die dan nabij Kortrijk werd verhit tot ongebluste kalk, hetzij reeds in deze toepasbare vorm.30 Door hun pH-regulerende werking was er hoogstwaarschijnlijk ook in andere regio’s dan Binnen-Vlaanderen vraag naar deze grondverbeteraars, zoals op de grote ‘censier’-hoeves van Brabant of Henegouwen en op de grote polderboerderijen in de kustvlakte.31

Wanneer de stedelijke en industriële meststoffen de stadspoorten achter zich lieten, vonden ze hun weg naar het platteland via binnenschippers, die de stadsmest per trekschuit naar de rurale verdeelplaatsen langs de oevers van kanalen of rivieren (de zogenaamde aerten) vervoerden. Voor onze eigen steekproefregio waren verschillende aerten langs de Leie, de verdeelplaatsen in Handzame en Zarren langs de Handzamevaart en de Zarrenbeek en een distributieplek langs de Moerdijkvaart van belang (zie kaart 1). Lokale ondernemers – zoals Joseph Heemerijck in Handzame – kochten de aangevoerde meststoffen op en verkochten ze door, een handelsactiviteit die ze vaak naast andere activiteiten, zoals het uitbaten van een herberg, ontplooiden.32 De kloof tussen de rurale distributiecentra en het veld van de kleine peasant werd gedicht door de transportdiensten van de grotere boeren die de nodige paarden en transportmiddelen hadden. Zo kocht de kleine boer Simon Buyse (met 1,2 hectare cultuurland) provaet of stadsbeer van een distributeur langs de Leie, die tot bij Buyse werd gevoerd door de grote paardenboer Joos Maertens (pachter van een 20 hectare grote hoeve van de heer van Meulebeke).33 Deze transportdiensten maakten deel uit van de wederkerige ruilrelaties tussen grote en kleine boeren: kleine boeren (zoals Buyse) konden een beroep doen op de transportdiensten van grote paardenboeren (zoals Maertens) in ruil voor het uitvoeren van arbeid op de hoeves van deze laatsten.34 Zodoende konden peasants zoals Buyse bij benadering 26 procent van de totale kostprijs van de meststoffen transformeren in arbeidsinput en dus de benodigde hoeveelheid cashgeld besparen.35 Kleine boeren konden aldus het monetaire risico verbonden met mestaankopen verkleinen, hoewel een meer dan evenredige hoeveelheid arbeid ter betaling van de transportdiensten diende geleverd te worden (i.e. ongelijke ruil).

5 De vruchten van transportverbeteringen: faciliteren van mesttransporten

In navolging van de vooruitstrevende waterinfrastructuur in de Republiek tijdens de Gouden Eeuw,36 namen Engeland en de Oostenrijkse Nederlanden in de loop van de achttiende eeuw het voortouw door bestaande waterwegen te verbeteren, nieuwe kanalen te graven en wegen aan te leggen, wat resulteerde in een dicht netwerk van steenwegen.37 Er heerst een groeiende consensus dat de nieuwe transportinfrastructuur de markttoegang voor rurale productie verbeterde,38 maar het bleef vooralsnog onduidelijk of nieuwe wegen en kanalen ook de agrarische productiviteit ten goede kwamen (via de toelevering van off-farm mest).

De geplaveide tolwegen (de zogenaamde Oostenrijkse steenwegen) vergemakkelijkten de verbinding tussen de rurale verdeelcentra (i.e. het finale deel van de distributieketen) en onze steekproefdorpen, alsook de noord-zuidverbinding tussen onze dorpen en steden als Menen, Kortrijk en Doornik voor de aanvoer van kalk en assen (kaart 2). Aangezien de toelevering van stadsbeer eerder past in een verhaal van herverdeling (van grote naar kleine boeren) dan van een massale stijging van het geaggregeerd aanbod, lijkt de impact van de nieuwe transportinfrastructuur in hoofdzaak een rol te hebben gespeeld voor de aanvoer van kalk en assen (i.e. de noord-zuidverbindingslijn die door nieuwe steenwegen werd verbeterd).39

De transportinnovaties waren niet determinerend voor de keuze al dan niet over te gaan tot het aankopen van extra meststoffen, maar ze hebben wel een faciliterende rol gespeeld en de aanvoer van stedelijke meststoffen vergemakkelijkt (en dan vooral van assen en kalk). Dat wordt verder ge-

fg006 

 

staafd door het feit dat boeren-transporteurs hun transportmiddelen aanpasten aan de nieuwe weginfrastructuur door te investeren in sterkere en duurdere wagens die de schokken van het rijden over de kasseiwegen konden opvangen (niet voor niets calsijdewagens genoemd).40 De betere staat van de wegen en de aangepaste transportmiddelen resulteerden wellicht in lagere transportkosten (i.e. een afname van ruwweg 32 procent in de eerste eeuwhelft tot om en nabij 24 procent van de totale kostprijs van off-farm mest na 1750).41 Aldus hebben de transportinnovaties de weg geëffend voor de aanvoer van stedelijke meststoffen.

6 Kosten en baten van een bemestingsrevolutie

Een recent boek over de Britse economische groei, waarin onder meer de landbouwproductie op lange termijn wordt ingeschat en de productiviteits

fg007 

 

winsten van de Britse landbouw na 1700 worden verduidelijkt, stelt ons in staat verbanden te leggen met de evoluties in andere economische sectoren alsook te vergelijken met de bevindingen voor andere landen.42 Zulke geaggregeerde analyses van landbouwopbrengsten houden echter onvoldoende rekening met zowel regionale verschillen als verschillen tussen kleine en grote landbouwers, en zijn bijgevolg niet in staat om de geobserveerde productiviteitswinsten afdoende te verklaren. De evolutie van de agrarische output kan alleen maar begrepen worden door rekening te houden met de aspiraties van en beslissingen genomen in de context van boerenhuishoudens, en aldus de sociale organisatie van de landbouw voor ogen te houden.43

De sociale aanpak op microniveau binnen dit onderzoek heeft onthuld dat de bemestingsstrategieën in de loop van de achttiende eeuw op gelijkaardige wijze evolueerden op het kleinbedrijf en de grote hoeve: een intensievere bemesting met op de eigen hofstede gerecycleerde nutriënten en een toenemend en intensiever gebruik van aangekochte meststoffen, hoewel verschillen tussen de grootteklassen bestonden inzake het type meststoffen en waarvoor deze werden aangewend. Deze bemestingsrevolutie vond plaats tegen de achtergrond van maatschappelijke evoluties en economische golfbewegingen. De vraag rest of deze wijzigende bemestingsaanpak resulteerde in een verhoging van de agrarische output en in een nettorendement voor de verschillende groepen binnen de boerengemeenschap. De pachtprijzen voor de inning van de tienden (i.e. een vorm van kerkelijke belastingen geheven op graanoogsten, waarvan de inning in de zeventiende en achttiende eeuw veelal verpacht werd)44 konden op basis van belastinglijsten (of pointingen & zettingen) voor de heerlijkheid Lichtervelde gereconstrueerd worden.45 Het verloop van de tienden is een graadmeter voor de evolutie van de graanproductie. Wanneer zaaigraanhoeveelheden (die min of meer op hetzelfde peil van 90 tot 120 liter roggezaad per hectare bleven in onze steekproefregio) en de wijzigingen in de hoeveelheid cultuurland op dorpsniveau in rekening worden gebracht,46 toont de tiendereeks voor Lichtervelde aan dat de graanopbrengsten in ons onderzoeksgebied toenamen in de tweede helft van de achttiende eeuw (grafiek 3).47

Hogere niveaus van bemestingsintensiteit met hoeve-eigen mest in combinatie met extra off-farm mest48 en de uitbreiding van de klaverteelt49 droegen samen met de toenemende beschikbaarheid van een agrarische arbeidsreserve (door de bevolkingsgroei)50 ertoe bij dat de graanopbrengsten stegen. We dienen er ons van te vergewissen dat hoewel het aandeel van de kleinbedrijven in het totale cultuurland toenam, de meerderheid van de beteelde oppervlakte nog steeds onder het beheer van de grote(re) boeren stond. Dit wil zeggen dat hun productiebeslissingen, bewerkings- en bemestingsmethoden het leeuwendeel van de graanoutput op dorps-niveau verklaren.51 De bevolkingsgroei en de intensere wisselwerking tussen kleine en grote boeren leidden ertoe dat de grote boerenbedrijven in Binnen-Vlaanderen een goedkope arbeidsreserve ter beschikking hadden, waardoor zij er veel intensievere bewerkings- en bemestingspraktijken op konden nahouden in verhouding tot de grote polderboeren in de kustvlakte. Deze laatsten moesten steunen op loonarbeiders en daardoor de afweging maken tussen kostenbesparing en intensieve landbouwpraktijken.52

Om te evalueren of de nieuwe bemestingspraktijken ook rendeerden voor de boerenhuishoudens heb ik modelmatig ruwe inschattingen gemaakt over het inkomsten- en uitgavenpatroon van kleine cottagers (0,75 ha), kleine peasants (2 ha), huishoudens op middelgrote boerderijen (5 ha) en op de grote hoeves (15 ha) op basis van de prijzijen-databank en secundaire literatuur (over onder meer uitgaven voor voeding en brandstof, voor dienstpersoneel, over pachtprijzen, afdracht voor belastingen, heer-lijke renten en tienden).53 Hierbij vergeleek ik de situatie op pacht- en eigen-geërfde bedrijven in de jaren 1730 met die van de jaren 1780, waarbij ik ervan uitging dat huishoudens in de eerste periode geen extra stedelijke meststoffen aanschaften (de grote ommekeer volgde immers in de tweede eeuwhelft). Met betrekking tot de mestaankopen bestond de moeilijkheid erin de mestwaarde van verschillende mesttypes in kaart te brengen, aangezien de prijzijen geen specifieke prijs per volume-eenheid optekenden. Deze methodologische beperking werd verholpen door de productiekosten per perceel met de kosten voor de bewerking, het zaaigoed en het zaaien, wieden en oogsten in mindering te brengen, waarbij het verschil overeenkomt met de mestwaarde. De inkomsten- en uitgavenpatronen tonen aan dat de nieuwe bemestingspraktijk in combinatie met verschuivingen in het teeltplan een goede strategie was om te volgen. Boerenhuishoudens werden er echter steeds meer toe gedwongen. De vergelijking tussen de inkomsten- en uitgavenmodellen van de jaren 1730 en 1780 maakt duidelijk dat

de situatie voor alle lagen van de boerengemeenschap sterk achteruitging:

Tabel 3. Inkomsten- en uitgavenmodel, jaren 1730 (lb gVl)*

Jaren 1730 Pachthoeve Eigengeërfde hoeve
0,75 ha 2 ha 5 ha 15 ha 0,75 ha 2 ha 5 ha 15 ha
Totale inkomsten 24,177 37,528 88,224 186,241 24,177 37,528 88,224 186,241
* Granen (1880 l ha-1) 4,527 13,579 31,757 96,331 4,527 13,579 31,757 96,331
* Aardappelen 5,501 4,099 7,761 10,005 5,501 4,099 7,761 10,005
* Lijnwaad 14,149 19,849 48,706 79,906 14,149 19,849 48,706 79,906
Totale uitgaven 24,302 35,155 57,478 140,224 23,503 32,34 48,271 113,185
* Voeding 10,889 10,889 10,889 14,658 10,889 10,889 10,889 14,658
* Betaling dienstpersoneel 0 0 0 11,4 0 0 0 11,4
* Energie 2,868 2,868 2,868 2,868 2,868 2,868 2,868 2,868
* Belastingen 5,961 9,252 21,751 45,916 5,961 9,252 21,751 45,916
* Tienden 0,412 1,236 2,89 8,766 0,412 1,236 2,89 8,766
* Heerlijke renten 0,193 0,3 0,706 1,49 0,193 0,3 0,706 1,49
* Pacht 1,557 4,151 10,377 31,131 0 0 0 0
* Intresten 0 0 0 0 0,758 1,335 1,169 4,092
* Waarde bodembewerking (a) 0 0 7,998 23,995 0 0 7,998 23,995
* Arbeidsinput voor (a) 2,423 6,46 0 0 2,423 6,46 0 0
* Waarde off-farm meststoffen 0 0 0 0 0 0 0 0
* Transportkost 0 0 0 0 0 0 0 0
* Arbeidsinput voor transport 0 0 0 0 0 0 0 0
Resultaat -0,125 2,372 30,746 46,017 0,673 5,188 39,954 73,056
Resultaat (liter rogge) -22,911 435,469 5643,37 8446,48 123,604 952,335 7333,47 13409,5

* De ongelijke ruilrelaties tussen de kleine (0,75 en 2 hectare) en de grotere boeren werden ingecalculeerd via de monetaire waarde van de arbeidsinput van de kleine boeren op de grote hoeves om schulden van bodembewerking en mesttransporten af te lossen, terwijl de waarde van de bodembewerking en de transportkosten bij de grote boeren verwijzen naar de voederkost van de paarden en de kosten van slijtage aan de werktuigen.

Bron: combinatie van databank en literatuur.

finaal hielden zowel kleine als grote boeren minder over aan het einde van de achttiende eeuw dan in het begin (vergelijk het hogere resultaat uit tabel 3 met het lagere uit tabel 4).

In tabel 4 wordt een situatie geschetst waarbij de huishoudens off-farm meststoffen aankochten, waarmee zij in staat waren het teeltpatroon te verschuiven in de richting van meer aardappelen en vooral meer vlas (zo-

Tabel 4. Inkomsten- en uitgavenmodel, jaren 1780 met verbeterde landbouwpraktijk*

Jaren 1780 Pachthoeve Eigengeërfde hoeve
0,75 ha 2 ha 5 ha 15 ha 0,75 ha 2 ha 5 ha 15 ha
Totale inkomsten 25,999 41,912 100,136 226,395 25,999 41,912 100,136 226,395
* Granen (1927 l ha-1) 4,329 17,979 40,792 120,932 4,329 17,979 40,792 120,932
* Aardappelen 7,983 5,282 10,492 16,356 7,983 5,282 10,492 16,356
* Lijnwaad 13,687 18,651 48,852 89,107 13,687 18,651 48,852 89,107
Totale uitgaven 30,657 43,935 74,389 183,647 29,151 38,621 57,012 132,62
* Voeding 15,137 15,137 15,137 20,377 15,137 15,137 15,137 20,377
* Betaling dienstpersoneel 0 0 0 11,4 0 0 0 11,4
* Energie 2,093 2,093 2,093 2,093 2,093 2,093 2,093 2,093
* Belastingen 4,682 7,547 18,032 40,769 4,682 7,547 18,032 40,769
* Tienden 0,394 1,636 3,712 11,005 0,394 1,636 3,712 11,005
* Heerlijke renten 0,208 0,335 0,801 1,811 0,208 0,335 0,801 1,811
* Pacht 2,938 7,833 19,583 58,75 0 0 0 0
* Intresten 0 0 0 0 1,431 2,519 2,207 7,723
* Waarde bodembewerking (a) 0 0 7,998 23,995 0 0 7,998 23,995
* Arbeidsinput voor (a) 2,624 6,998 0 0 2,624 6,998 0 0
* Waarde off-farm meststoffen 1,502 1,37 5,344 10,219 1,502 1,37 5,344 10,219
* Transportkost 0 0 1,687 3,227 0 0 1,687 3,227
* Arbeidsinput voor transport 1,079 0,984 0 0 1,079 0,984 0 0
Resultaat -4,658 -2,023 25,747 42,748 -3,152 3,291 43,124 93,775
Resultaat (liter rogge) -615,03 -267,16 3399,44 5644,05 -416,14 434,476 5693,72 12381,2

* Stijging van de graanopbrengst met 2,5 procent, aankoop van off-farm mest en wijziging in het teeltpatroon.

Bron: combinatie van databank en literatuur.

als in de prijzijen duidelijk werd).54 In dit model werd tevens een minimale stijging met 2,5 procent van de graanopbrengsten per hectare verondersteld (van het niveau van 1880 liter per hectare rond 1730 tot 1927 liter per hectare rond 1780). De vergelijking tussen de balansen in de jaren 1730 en 1780 maakt

Tabel 5. Inkomsten- en uitgavenmodel, jaren 1780 zonder verbeterde landbouwpraktijk*

Jaren 1780 Pachthoeve Eigengeërfde hoeve
0,75 ha 2 ha 5 ha 15 ha 0,75 ha 2 ha 5 ha 15 ha
Totale inkomsten 21,911 37,496 87,741 202,954 21,911 37,496 87,741 202,954
* Granen (1880 l ha-1) 6,294 18,878 44,148 133,92 6,294 18,878 44,148 133,92
* Aardappelen 5,006 3,73 7,063 9,105 5,006 3,73 7,063 9,105
* Lijnwaad 10,612 14,887 36,53 59,929 10,612 14,887 36,53 59,929
Totale uitgaven 27,486 40,832 65,332 166,973 25,98 35,518 47,955 115,946
* Voeding 15,137 15,137 15,137 20,377 15,137 15,137 15,137 20,377
* Betaling dienstpersoneel 0 0 0 11,4 0 0 0 11,4
* Energie 2,093 2,093 2,093 2,093 2,093 2,093 2,093 2,093
* Belastingen 3,946 6,752 15,8 36,548 3,946 6,752 15,8 36,548
* Tienden 0,573 1,718 4,017 12,187 0,573 1,718 4,017 12,187
* Heerlijke renten 0,175 0,3 0,702 1,624 0,175 0,3 0,702 1,624
* Pacht 2,938 7,833 19,583 58,75 0 0 0 0
* Intresten 0 0 0 0 1,431 2,519 2,207 7,723
* Waarde bodembewerking (a) 0 0 7,998 23,995 0 0 7,998 23,995
* Arbeidsinput for (a) 2,624 6,998 0 0 2,624 6,998 0 0
* Waarde off-farm meststoffen 0 0 0 0 0 0 0 0
* Transportkost 0 0 0 0 0 0 0 0
* Arbeidsinput voor transport 0 0 0 0 0 0 0 0
Resultaat -5,575 -3,336 22,409 35,98 -4,068 1,978 39,786 87,007
Resultaat (liter rogge) -736,03 -440,51 2958,71 4750,51 -537,14 261,123 5252,99 11487,7

* Dezelfde graanopbrengsten en teeltpatronen als in de jaren 1730; geen mestaankopen.

Bron: combinatie van databank en literatuur.

duidelijk dat de situatie sterk verslechterde.55 Indien de verschillende pacht- en eigengeërfde boerenhuishoudens echter de nieuwe bemestingsstrategie met navenante teeltverschuivingen niet zouden hebben gevolgd en vastgehouden hebben aan de praktijken uit het begin van de achttiende eeuw (zoals voorgesteld in tabel 5), dan zou hun situatie er nog slechter bij gevaren hebben. Indien slechts een minimale stijging van de graanopbrengsten werd verondersteld, dan nog was een overstap naar de nieuwe productiestrategie de beste keuze.

Aangezien het proto-industrieel inkomen een groter gewicht in de schaal legde van de kleine cottagers en peasants dan van de grotere boeren, was de procentuele winst bij het toepassen van de nieuwe bemestingstechnieken zelfs hoger voor deze groep. De grote boeren trachtten een optimale inzet van de permanente arbeidskrachten op hun hoeves na te streven (die vooral tijdens de wintermaanden minder landbouwwerk uit te voeren hadden en de handen vrij hadden om vlas tot linnen te verwerken)56 en te profiteren van de hogere prijzen voor ruw vlas door meer van dit industrieel gewas te telen en zo de inkrimping van hun winstmarges te beperken.57 De kleine cottagers en peasants daarentegen vergrootten hun areaal onder vlas om hun proto-industriële inkomsten zo goed als mogelijk op peil te houden in tijden van dalende linnenprijzen en toenemende vlasprijzen (grafiek 1). Zowel de huishoudens op kleinbedrijven als families op grotere hoeves kampten met de gevolgen van toenemende druk op de landmarkt (i.e. hogere aankoopprijzen voor grond als gevolg van de bevolkingsstijging en fors stijgende pachtprijzen ingesteld door landeigenaars die hun pachtgronden verder opsplitsen). Het steeds groter wordende belang van pacht en de continue stijging van de pachtprijzen in de negentiende eeuw,58 hebben zowel de grote als de kleine boeren gedwongen om hun bemestings- en teeltpatroon aan te passen.

Om extra meststoffen aan te schaffen, vertrouwden de kleine boeren op het systeem van wederzijdse ruil met hun grotere collega’s, waarop de rurale samenleving was gebaseerd. Zodoende konden de huishoudens op de kleinbedrijven een deel van de kostprijs voor de meststoffen omzetten in arbeid op de hoeves van de grote boeren-transporteurs, zij het wel tegen een betrekkelijk hoog tarief (tabel 4). Cottagers en peasants verhoogden met andere woorden hun kapitaalinput – deels gefinancierd door arbeidsinzet op de grote boerderijen – om meer linnen te produceren (waarvoor ook meer familiale arbeid moest worden ingezet), opdat zij hun proto-industrieel huishoudmodel konden behouden. De extra arbeidsinzet waarmee de investering in mestaankopen gepaard ging, stemt dan ook volledig overeen met de vaststelling dat in de Flemish Husbandry een hoge fysische productiviteit kon bereikt worden door in te boeten aan arbeidsproductiviteit.59 Ook al nemen we de volledige impact van het systeem van ongelijke ruil in rekening (in monetaire termen uitgedrukt in tabel 4), dan nog rendeerde de strategie van meer mestaankopen en teeltverschuivingen (zelfs bij kleine winst van de graanproductie). Het wijzigen van het bemestingspatroon en de teeltverschuivingen waren een noodzaak voor de kleine boeren om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen in een sociale en economische context van toenemende druk op de overlevingsmechanismen van peasant-huishoudens.

De sociale benadering op microniveau in dit onderzoek is een meer dan welgekomen aanvulling op de geaggregeerde analyses van agrarische output en productiviteit op macro-perspectief. De achttiende-eeuwse toenemende graanproductie kon op basis van het micro-perspectief verklaard worden door een hoger niveau van bemestingsintensiteit met hoeve-eigen mest in combinatie met een stijgende input van off-farm meststoffen, zoals assen en kalk, op de graanvelden van de grotere boeren (die nog steeds het merendeel van de graanoutput produceerden), maar ook door meer stadsbeer (en assen) op de vlasvelden te verspreiden, waardoor kleine boeren in staat waren hun proto-industrieel huishoudmodel verder te zetten en de reproductiekosten van hun arbeid laag te houden. Lage arbeidskosten kwamen dan weer de grote bedrijven ten goede, die verder hun graanoutput stimuleerden. Als respons op de ritmes van de economische conjunctuur en de surplusextractie door landeigenaars in een periode van bevolkingsgroei en fragmentarisering van het boerenbedrijf ontspon er zich als het ware een ‘groene bemestingsrevolutie’ van veranderende bemestingspatronen van onderuit (door de boeren zelf), maar deze verwerd steeds meer tot een compulsieve strategie in de specifieke sociale en economische context van de Flemish Husbandry.

7 Conclusie: ecologische, agrarische en sociale con-sequenties van een beter bemestingspatroon

Het bemestingspatroon – de inzet van stadsmest naast hoeve-eigen meststoffen – wijzigde fundamenteel in de achttiende eeuw, ten gevolge van conjuncturele en maatschappelijke ontwikkelingen, op zowel het kleinbedrijf als de grote hoeve. De kleine Vlaamse peasant kon zich van meer stadsmest voorzien, omdat hij een beroep kon doen op de transportdiensten van de grotere paardenboer. Hij kon de kostprijs van mest verminderen door de transportkosten om te vormen tot arbeidsinzet op de hoeve van deze laatste. De grotere boeren in Binnen-Vlaanderen konden daardoor rekenen op een goedkope arbeidsreserve die het hen mogelijk maakte om tevens intensievere bemestingsstrategieën te volgen, in tegenstelling tot boeren in regio’s van grootschalige, commerciële landbouw die genoodzaakt waren een afweging te maken tussen arbeidskosten en bemestingsinnovatie. Toenemende mestaankopen waren, met andere woorden, niet louter een gevolg van de aanwezigheid van grote hoeveelheden stedelijke meststoffen in een verstedelijkte regio, maar in hoofdzaak van de inkomensstrategieën van de betrokken landbouwers, van hun opportuniteiten en uitdagingen.

Op ecologisch vlak hadden de verschillende bemestingsstrategieën naar-gelang de sociale organisatie van de landbouw tot gevolg dat in sommige premoderne samenlevingen zoals Vlaanderen het onevenwicht tussen stad en platteland in termen van nutriëntenuitwisseling reeds zeer vergevorderd kon zijn: de vraag naar off-farm mestinput verschilde danig tussen de intensieve Binnen-Vlaamse landbouw en de meer extensieve landbouwpraktijken op de grote polderhoeves in Kust-Vlaanderen, waardoor de herverdeling van de stedelijke meststoffen over het platteland vaak niet in verhouding stond tot de voedselstroom naar de stad. Bovendien werden ook nutriënten, die niet rechtstreeks verbonden waren met de agro-voedsel-keten (zoals assen en kalk), toegediend in de landbouw.60

Het wijzigende bemestingspatroon van intensievere toediening van hoeve-eigen stalmest en een toenemend en intensiever gebruik van aangekochte meststoffen resulteerde in een stijging van de agrarische output (i.e. hogere graanopbrengsten, uitbreiding van de vlasteelt), maar kon evenwel een daling van het netto-inkomen van boerenhuishoudens in de loop van de achttiende eeuw niet vermijden. Als gevolg van de economische situatie van afnemende prijzen in de proto-industrie en de almaar meer invasieve surplusextractie door landeigenaars werden Binnen-Vlaamse boeren als het ware verplicht meer en meer mest aan te kopen en te evolueren naar steeds intensievere productiestrategieën om hun overlevingsmechanismen in stand te kunnen houden (i.c. kleine boeren) of om redelijke winstmarges te kunnen behouden (i.c. grotere boeren). In dat opzicht was deze bemestingsstrategie een bouwsteen van de Flemish Husbandry, die een verdere fragmentarisering van het kleinbedrijf mogelijk maakte tot het systeem uiteenviel in de negentiende eeuw. Boudweg kan gesteld worden dat de stad haar afval als mest duur verkocht en een tweede maal incasseerde door haar aandeel in het agrarische en proto-industriële surplus te vergroten (i.e. rechtstreeks door de uit de pan rijzende pachten ingesteld door stedelijke landeigenaars of onrechtstreeks door het stedelijk georiënteerde consumptiepatroon van verpachtende plattelandsnotabelen), waardoor het platteland verder gestimuleerd werd om nog meer stadsmest toe te dienen. Het gebruik van stadsmest bestendigde de bestaande machtsrelaties tussen stad en platteland alsook deze binnen de rurale samenleving zelf (i.e. wederkerige relaties tussen grote en kleine boeren). Zodoende legde de nieuwe bemestingsstrategie van de tweede helft van de achttiende eeuw de basis voor het label dat men aan de Flemish Husbandry toeschrijft: een rijke landbouw met arme boeren.

Over de auteur

Pieter De Graef (1989) werkt momenteel als postdoctoraal onderzoeker van het FWO-Vlaanderen over de veerkracht van stadslandbouw in het negentiende-eeuwse industrialiserende België. Hij is verbonden aan het Centrum voor Stadsgeschiedenis van de Universiteit Antwerpen, waar hij zijn doctoraal proefschrift verdedigde dat de rol van stadsmest en de implicaties van een veranderend bemestingspatroon in de achttiende-eeuwse Vlaamse landbouw onderzocht vanuit agrarisch, sociaal en ecologisch opzicht.

E-mail: pieter.degraef@uantwerpen.be

Bijlage

De opbouw van de inkomsten- en uitgavenmodellen

Bij de inkomsten- en uitgavenmodellen is uitgegaan van een standaardgezin op het moment in zijn levenscyclus dat het met de meeste uitgaven geconfronteerd werd, namelijk na veertien jaar huwelijk, wanneer de kinderen het meeste kostten.61 Ons standaardgezin bestaat uit een vader, een moeder en vijf kinderen: een jongen van veertien, een elfjarig meisje, een achtjarige jongen, een meisje van vijf en een tweejarige jongen.62 Verschillende bedrijfsgroottes (drie vierde, twee, vijf en vijftien hectare) en eigendomsverhoudingen (pacht of eigengeërfd) werden in rekening genomen voor de periode vóór (1730) en na (1780) de grote omslag in het aankopen van meststoffen.

De inschatting van de totale uitgaven:

* Voeding: in navolging van Wilssens ging ik ervan uit dat de totale benodigde caloriehoeveelheid (waarbij rekening werd gehouden met de leeftijdsopbouw van het gezin) door rogge moest worden gedekt (i.e. 5,2 liter per dag). Vervolgens werd aan de hand van de roggeprijs de geldwaarde berekend.

* Betaling dienstpersoneel: op basis van de gemiddelde jaarlonen op grote bedrijven in de regio berekend door Sandra Debosschere en uitgaande van één mannelijke en één vrouwelijke permanente werkkracht op de grootste bedrijven.63

* Energie: aangezien er alleen prijsgegevens zijn voor steenkool in deze periode heb ik de prijs van de equivalente waarde berekend voor het benodigde brandhout (2000 kg per jaar brandhout oftewel 727 kg steenkool).64

* Belastingen: de berekening van de belastingvoet voor de verschillende huishoudens (met een relatief zwaardere druk voor de kleinere boeren) baseerden we op de bevindingen van Herman Van Isterdael.65

* Tienden: Van Isterdael berekende een tiendendruk van 9,1 procent op de totale graanoogst.66

* Heerlijke renten: een jaarlijkse druk op de totale inkomsten van 0,8 procent.67

* Pacht: prijzen berekend op basis van Chris Vandenbroeke, ‘Evolutie van land- en bedrijfspacht in de streek van Kortrijk van de late 16e eeuw tot begin 19e eeuw’, De Leiegouw 27 (1985) 33-54.

* Intresten: om een bedrijf (over) te kopen, moesten huishoudens vaak geld lenen, waarvoor zij jaarlijks een rente dienden te betalen (i.e. renteverkoop). Die rente was vaak hoger voor de kleinere boeren. Een koppeling van de rentedruk en de grondprijzen maakte de berekening van jaarlijks verschuldigde intresten mogelijk.68

* Waarde van grondbewerking: op basis van schattershandboeken werd de waarde van ploegen en eggen in rekening gebracht.69

* Arbeidsinput voor grondbewerking: de ongelijke ruilrelaties die peasants aangingen met grote boeren voor het ploegen en eggen van hun grond werd hier in geldwaarde uitgedrukt (terwijl de facto deze schuld in arbeid werd vergoed).70

* Waarde off-farm meststoffen: voor de jaren 1730 ging ik ervan uit dat er geen mest werd aangekocht (gezien de geringe toepassing vóór de grote omslag rond 1750). Voor de jaren 1780 kon de mestwaarde geschat worden door per perceel de kosten voor de bewerking, het zaaigoed en het zaaien, wieden en oogsten af te trekken van de totale productiekosten. Door het probleem van kleine aantallen werd gerekend met gemiddeldes voor de periode 1750-1800 (dus na de omslag in mestaankopen).71 Hiervan werd de transportkost afgehouden (cf. infra).

* Transportkosten: uit de aankoopschulden voor mest in de databank van prijzijen kon afgeleid worden dat in de tweede helft van de achttiende eeuw 24 procent van de totale kostprijs bestond uit de transportkosten (namelijk de voederkosten van de paarden en de slijtagekosten van de wagens).

* Arbeidsinput voor transportkosten: net zoals voor de grondbewerking deden kleine boeren een beroep op de paardendiensten van hun grotere collega’s om meststoffen te laten transporteren. De transportkosten betaalden zij dubbel en dik terug door arbeid te verrichten op de grote hoeves van de boeren-transporteurs, waarvan de equivalente geldwaarde in rekening werd gebracht.72

De inschatting van de totale inkomsten: in theorie zouden landbouwprijzen gemeten moeten worden ‘at farm gate’, maar noodzakelijkerwijs moeten we ons baseren op de beschikbare prijsgegevens van nabijgelegen stedelijke markten, zoals Federico problematiseerde.73 Aangezien de waardecreatie door tussenpersonen in deze stedelijke marktprijzen zit ingebouwd, worden de inkomsten overschat. In deze oefening beschouw ik drie inkomstenbronnen: graanteelt (rogge), aardappelteelt en linnenproductie. Aangezien inkomsten uit veehouderij zeer moeilijk in te schatten zijn (door een gebrek aan productiegegevens en prijzen) heb ik deze geweerd.

* Granen: aangezien de prijzijen, noch de tiendgegevens een indicatie bieden over de hoogte van de graanopbrengsten, ben ik uitgegaan van een gemiddelde netto-opbrengst van 1880 liter per hectare als startpunt voor de jaren 1730. Vervolgens heb ik voor de jaren 1780 een model opgebouwd met én zonder verbeterde landbouwpraktijk – c.q. al dan niet een verschuiving van het teeltpatroon met meer aardappelen en vlas, en respectievelijk met of zonder aankoop van off-farm mest, waarbij in het geval met teeltverschuivingen en mestaankopen een matige opbrengstverhoging van de roggeteelt van 2,5 procent werd verondersteld. De bekomen rogge-opbrengsten werden in prijzen omgerekend.74

* In het geval van aardappelen en vlas werd uitgegaan van gelijke opbrengsten in de jaren 1730 en 1780. We kunnen immers veronderstellen dat de kleine veldjes beplant en bezaaid met deze gewassen reeds vóór 1750 intensief bewerkt werden. De toename van de gewasproductie was hoofdzakelijk het resultaat van areaaluitbreiding.

* Aardappelen: een oogst van 121,9 hectoliter per hectare werd verondersteld om de totaalopbrengst te berekenen, die vervolgens in geldwaarde werd omgezet.75

* Linnenproductie: op basis van de veronderstelling dat 0,035 hectare nodig was voor de productie van een stuk lijnwaad van 80 ellen, werd de totale proto-industriële linnenproductie ingeschat en in geldwaarde omgerekend.76

---