In de jaren 1480 en 1481 werd vrijwel heel West-Europa geconfronteerd met enorm slechte weersomstandigheden. Voor het eerst in honderd jaar vielen twee opeenvolgende druivenoogsten – sinds jaar en dag uitstekende proxies voor de reconstructie van weersomstandigheden in het verleden – een maand later dan normaal. Pas in 1816 en 1817 zou dit opnieuw het geval zijn.1 Directe aanwijzingen over de weersomstandigheden vinden we voornamelijk terug in verhalende bronnen en stadsrekeningen, die voor de vijftiende-eeuwse Bourgondische Nederlanden recent door Camenisch werden gecompileerd tot ‘weerindices’.2 De periode tussen zomer 1480 en winter 1481 valt daarbij op door een opeenvolging van extreme weersomstandigheden. De zeer koude en extreem regenachtige zomer van 1480 werd gevolgd door een regenachtige herfst en een dusdanig strenge en lange winter dat men van midden januari tot midden maart de dichtgevroren Schelde bij Antwerpen kon oversteken.3 Eveneens meldde de Bourgondische hofkroniekschrijver Molinet dat mens noch dier werd gespaard in de vrieskoude. Zelfs kleine kinderen werden doodgevroren in hun bed teruggevonden.4 De lente van 1481 was volgens de kroniekschrijvers eveneens extreem koud. Het wegvoeren van het dooiwater, aangevuld met zware regenval, leidde tot grote overstromingen van verschillende West-Europese rivieren.5 De zomer van 1481 gold als zeer koud en nat, wat dan weer gelinkt werd aan het mislukken van de oogst en de verdrievoudiging van de graanprijzen. Niet alleen de hoeveelheid, ook de kwaliteit van de gewassen liet in 1481 te wensen over: het graan was slecht en de wijn uit Baden sauer.6 De overstromingen zetten zich voort gedurende de herfst. De winter van 1481-82 was niet alleen koud, maar werd regionaal ook aangevuld met ‘groten wynde, tempeeste ende onweere’.7 In 1482 verbeterden de weersomstandigheden alvast in Frankrijk, maar voor de Lage Landen weten we dit niet zeker door lacunes in bronnen. In ieder geval, dat de extreme weersomstandigheden van 1480-82 tot misoogsten en graantekorten leidden, was reeds voor Le Roy Ladurie niet meer dan logisch.8 1480-82 lijkt daarmee in het rijtje te passen van crisisperiodes die finaal werden veroorzaakt door korte-termijnfluctuaties van de globale klimatologische omstandigheden, zoals recent herontdekt door historici als Campbell en Parker.9

De keten van oorzaak en gevolg tussen slecht weer en honger is echter uitermate complex. Zoals bij alle grote subsistentiecrisissen uit de middeleeuwse en vroegmoderne periode, dient ook voor 1480-82 de vraag te worden gesteld in hoeverre sociale en politieke factoren de impact van de crisis versterkten of zelfs veroorzaakten, in die zin dat ze een exogene schok (genre slechte weersomstandigheden) lieten uitgroeien tot een voedselcrisis of zelfs een regelrechte hongersnood. Campbell heeft een punt wanneer hij argumenteert dat de Grote Middeleeuwse Hongersnood van 1315-17 niet kan begrepen worden zonder de zeer natte zomers van 1315 en 1316, die op hun beurt samenhangen met een globale klimaatverstoring. Maar het verhaal van de Grote Middeleeuwse Hongersnood van de jaren 1315-17 eindigt daar niet. Zowel in Engeland als in Vlaanderen en Noord-Frankrijk werd in de jaren 1315-17 veel oorlog gevoerd, met heel wat verwoestingen tot gevolg. Bovendien toonde Slavin recent aan dat de Engelse graanmarkten tijdens de Grote Hongersnood volledig desintegreerden, waarbij de eigenlijke graanproductie en de graanprijzen regionaal nog nauwelijks correleerden. De graanprijzen werden op haast individuele basis genegotieerd tussen grote producenten, handelaars en consumenten. Naast de algemene productiedaling, speelde dus ook de marktdesintegratie een belangrijke rol in de verminderde toegang tot voedsel voor heel wat groepen in de samenleving.10 Slavin herneemt daarbij voor een groot deel de argumentatie die door Sen werd ontwikkeld. Volgens Sen wordt honger vaak niet veroorzaakt door een daling in de totale hoeveelheid beschikbaar voedsel (Food Availability Decline of FAD), maar doordat bepaalde bevolkingsgroepen een te beperkte toegang tot voedsel hebben (Food Entitlement Decline of FED).11 Deze entitlements worden door Sen gedefinieerd als ‘the set of alternative commodity bundles that a person can command in a society using the totality of rights and opportunities that he or she faces’12 en bestaan uit grondstoffen en arbeid die men kan inzetten om direct voedingsmiddelen te produceren ofwel een inkomen te genereren dat kan worden ingezet om voedsel aan te kopen of te ruilen. FED’s ontstaan vaak als andere groepen in de samenleving superieure toegang tot dezelfde bestaansmiddelen hebben, bijvoorbeeld wanneer in tijden van schaarste speculatie de prijs van basisvoeding buiten het bereik van grote lagen van de bevolking duwt.

De vraag of historische voedselcrisissen in de eerste plaats door een FEDdan wel door een klimaatgerelateerde FAD worden veroorzaakt, domineert al meer dan dertig jaar het onderzoek naar honger in het verleden.13 En ook voor de crisis van 1480-82 zijn voldoende argumenten te vinden voor beide visies. De slechte weersomstandigheden werden eerder al aangehaald, en ook de misoogst was reëel, zoals we verder zullen zien. Maar de crisis valt in de Lage Landen ook samen met een periode van politieke en economische instabiliteit in de nasleep van het sneuvelen van de Bourgondische hertog Karel de Stoute bij Nancy (1477).14 Wij denken aan: de Bourgondische successieoorlog (tot december 1482), de Hoekse en Kabeljauwse twisten in Holland (1482), anti-Bourgondische gevoelens in het bisdom Utrecht, het gewapend conflict met het hertogdom Gelre (tot 1481) en het verzet van het Vlaamse graafschap tegen Maximiliaan van Oostenrijk. Ook het Hertogdom Brabant bleef niet gespaard van conflicten: de Brabantse steden steunden eerst de Vlamingen in hun poging Maximiliaan tot vrede met Frankrijk te bewegen, maar zouden in 1482 toch in het Habsburgse kamp blijven, waarna zowel in het westen als in het oosten van het hertogdom aanvallen op het Brabantse platteland werden uitgevoerd.15 Vanaf juli 1480 tot maart 1483 dient de stijging van de graanprijzen eveneens te worden begrepen vanuit het verbod op de uitvoer van Baltisch graan dat door verschillende Hanzesteden werd afgekondigd.16 De politieke onrust en de verstoring van de handelsstromen in deze jaren stonden echter niet alleen. Thoen en Van Uytven benadrukken dat het laatste kwart van de vijftiende eeuw – zeker in Vlaanderen – kan worden beschouwd als een periode van langdurige economische recessie, gecombineerd met demografische stagnatie of regelrechte neergang.17

In deze bijdrage willen we ons niet zozeer uitspreken over de precieze hiërarchie van oorzaken in de subsistentiecrisis van 1480-82. In onze ogen gaat het FAD versus FED-debat immers aan één belangrijk aspect voorbij: het effect van de sociale differentiatie in de toegang tot voedsel (ongelijkheid in bezit of inkomen vertaald naar voedseltoegang) is in de meeste samenlevingen veel groter dan de voedselfluctuaties veroorzaakt door klimaatschokken of marktverstoring. Zelfs de meest dramatische misoogst – zoals in 1316, toen de gemiddelde opbrengst van broodgraan in Engeland 60 procent beneden het langjarige gemiddelde lag18– veroorzaakt veel kleinere variaties in de voedseltoegang dan de sociale verschillen in de samenleving, aangezien sommige huishoudens nu eenmaal een veelvoud van de voedseltoegang van andere huishoudens hebben. De structurele kwetsbaarheid van heel wat mensen in een samenleving en de oorzaken van deze kwetsbaarheid vormen dan ook het cruciale punt dat we met deze bijdrage terug centraal in het onderzoek naar voedselcrisissen willen plaatsen. Het fundamentele belang van kwetsbaarheid – vulnerability – en de structurele oorzaken waardoor groepen binnen een samenleving blootgesteld worden aan risico’s en rampen, wordt reeds decennialang benadrukt door ‘rampenonderzoekers’ als Wisner en Blaikie.19 De recente wetenschappelijke en maatschappelijke aandacht voor klimaatschokken maakt dit onderzoek dan ook alleen maar relevanter, zeker aangezien in historisch onderzoek echte kwetsbaarheidsanalyses vooralsnog schaars blijven.20

In wat volgt willen we dan ook het belang van structurele kwetsbaarheid onderzoeken tijdens een laatmiddeleeuwse graancrisis. De wortels van kwetsbaarheid – of root causes in de terminologie van Wisner en Blaikie – worden daarbij vooral gezocht in de inherent kwetsbare overlevingsbasis van bepaalde groepen in de samenleving, ten gevolge van de wijze waarop zowel de toegang tot land, arbeid en kapitaal, alsook het bestuur en de lastendruk binnen de samenleving zijn georganiseerd.21 Dit doen we voor een regio waar de sociale ongelijkheid naar pre-industriële normen niet eens zo groot was: het Land van Turnhout in de Antwerpse Kempen.22 De Gini-index gebaseerd op de verdeling van het grondgebruik in zestiende eeuwse Kempische dorpen – waaronder het dorp Gierle dat in de rest van deze bijdrage centraal staat – schommelde tussen 0,50 en 0,5623 en kan aldus als ‘egalitair’ worden beschouwd.24 Centraal stond een landbouwmodel dat steunde op de combinatie van een beperkt maar intensief bewerkt areaal aan akkerland, vruchtbare rivierbeemden en uitgestrekte heidevelden die gemeenschappelijk beheerd werden en waarvan de toegang opvallend open was voor alle leden van de dorpsgemeenschap. Het eigengeërfde familiale kleinbedrijf domineerde de Kempense dorpen, maar een ruime minderheid van iets grotere boeren (met bedrijven tussen pakweg vijf en vijftien hectare) wist zich duidelijk sociaal te onderscheiden, onder meer door hun greep op het dorpsbestuur, de armenzorg, of via de commer-ciële schapenteelt.25 De Kempen bleken niet alleen relatief inclusief, maar ook uitermate veerkrachtig ten aanzien van schokken, of het nu gaat om de Zwarte Dood in 1348, uitbraken van veepest in de achttiende eeuw, of zandverstuivingen op de heide in de vroegmoderne periode.26 Ook in de

fg001 

 

omgang met subsistentie-crisissen waren de Kempen niet hulpeloos. Uit onderzoek van Vanhaute naar hongerjaren in de achttiende en negentiende eeuw, bleek al dat deze regio via de toegang tot de gemene heidegronden, ruilcircuits en (in)formele armenzorg relatief goed gewapend was tegen honger.27 Maar, zoals uit deze bijdrage zal blijken, nemen de relatief grote gelijkheid en de veerkrachtige reactie op crisissen niet weg, dat ook in de laatmiddeleeuwse Kempen sprake is van een sociaal gedifferentieerde structurele kwetsbaarheid.

In wat volgt concentreren we ons op één dorp – Gierle – in het Land van Turnhout. We bestuderen de gevolgen van de graanproductiedaling voor vijf verschillende groepen binnen de rurale samenleving: keuters (tot één hectare aan landbouwareaal) kleine boeren (één tot drie hectare), middelgrote boeren (volwaardige peasants met drie tot vijf hectare en ‘grotere’ boeren met meer dan vijf hectare) en de heer van het Land van Turnhout (de Brabantse hertog). Via deze microstudie willen we aantonen hoe de differentiële toegang tot grond en inkomsten, samen met het institutionele kader (met name de organisatie van grondlasten en belastingen) de effecten van de productiedaling verdeelden. Als dusdanig wordt de structurele kwetsbaarheid van voornoemde groepen tijdens een graancrisis duidelijk. Concreet duiden we in eerste instantie de omvang van de graancrisis op het Turnhoutse domein door een analyse van de beschikbare prijs-, productie- en demografische gegevens. Door middel van een micro-analyse onderzoeken we vervolgens hoe de organisatie van het grondgebruik en de heerlijke lasten de effecten van de productiedaling verdeelden over verschillende bevolkingsgroepen. Dit doen we door voor deze groepen een ‘graanbudget’ te berekenen. Op deze manier krijgen we een indicatie van de blootstelling van verschillende bevolkingsgroepen aan de productiedaling, en achterhalen we de structurele oorzaken van kwetsbaarheid voor een graancrisis in een veerkrachtige samenleving.

De keuze voor Gierle in het Land van Turnhout als casus werd niet alleen ingegeven door het recente onderzoek dat naar dit dorp werd verricht,28 maar ook door het uitgebreide archief dat voor dit gebied werd overgeleverd, onder de vorm van de domeinrekeningen van het hertogelijk domein Turnhout. De hertog van Brabant was in Gierle immers de belangrijkste domeinheer en de rekeningen van het beheer van de hertogelijke rentmeester zijn quasi continu bewaard voor de gehele vijftiende eeuw. Dit maakt dat we door close-reading van deze documenten bijzonder goed zijn ingelicht over de organisatie en het beheer van dit domein.29 Zowel de structuur van het heerlijk inkomen als de gevoerde inkomenspolitiek – bijvoorbeeld het al dan niet toekennen van kortingen op pachten en cijnzen – kan immers belangrijk zijn in de studie van een graancrisis.30

De graancrisis in het Land van Turnhout: productie, prijs en bevolking

Alvorens dieper te kunnen ingaan op de structurele oorzaken van de differentiële kwetsbaarheid tijdens graancrisissen, dienen we eerst de omvang van de graancrisis te achterhalen. Een reconstructie van graancrisissen in het verleden is vaak geen sinecure, aangezien noch de prijs, noch de productie, noch de bevolkingsomvang een eenvoudig verloop kennen. Dikwijls zijn bestaande prijzenreeksen onnauwkeurig op korte termijn doordat geaggregeerde gegevens worden gehanteerd en de voor handen zijnde prijsgegevens niet noodzakelijk de marktprijs weerspiegelen. Eigenlijke productiegegevens, die meestal worden afgeleid via tienden, zijn dan vaak weer te beperkt en erg fragmentarisch overgeleverd.31

Productiegegevens duiden de mate waarin er sprake is van een vermindering in de hoeveelheid beschikbaar voedsel (FAD). Een zo nauwkeurig mogelijke regionale inbedding van de productiegegevens is hierbij onontbeerlijk aangezien zowel de gemiddelde opbrengst als de jaarlijkse fluctuaties sterk kunnen verschillen al naargelang het bijvoorbeeld om een regio van grootschalige commerciële landbouw dan wel om een regio van kleinschalige peasant-landbouw gaat. De voor de Zuidelijke Nederlanden beschikbare tiendopbrengsten zijn voor deze periode weinig bruikbaar, door hiaten of meerjarige verpachtingen.32 Het samenbrengen van de voor deze periode beschikbare gegevens uit zowel tiendopbrengsten als de schaarse voorbeelden van rechtstreekse exploitatie laat vooral zien hoe beperkt onze kennis van de landbouwproductie in deze periode nog maar is, vooral wanneer het de jaarlijkse fluctuaties in de oogstopbrengst betreft.33 Bij gebrek aan rechtstreekse productiedata voor de Kempische regio, werd in dit onderzoek gekozen voor een proxy die indirect de terugval van de oogst weerspiegelt. Als indicator voor de productie hanteren wij ten eerste de jaarlijkse afbetalingen van de natura-pachtprijzen van vijf hoeves van de Lierse armendis.34 Concreet werd bij aanvang van de pachtperiode een jaarlijkse pachtprijs in natura vastgelegd. De pachters dienden in theorie elk jaar deze hoeveelheid graan te betalen. In de praktijk blijkt echter dat zij jaarlijks een variabel deel betaalden, waarbij de jaren dat zij minder dan de afgesproken prijs betaalden, tijdens andere jaren met terugwerkende kracht werden geïnd. Ten tweede hanteren we de inkomsten uit de jaarlijks verpachte tienden van de abdij van Tongerlo in de regio Diest, die eveneens in natura werden geïnd.35 Beide reeksen vormen de best mogelijke proxy voor de graanoogst in de Kempische regio door hun geografische ligging binnen of dichtbij het Kempische sociaal agrosysteem. Beide gegevens meten dus niet zozeer de werkelijke oogstopbrengst, maar wel de inschatting van die oogst door pachter en verpachter, rekening houdend met de vigerende marktomstandigheden. Onze proxy zal daarbij een productiedaling eerder overschatten dan onderschatten. De vaste kosten van de pachter bleven immers ongewijzigd en de pachtprijs diende betaald te worden uit het vermarktbaar surplus. Tabel 1 geeft dan ook slechts een indicatie van de maximale productieterugval, waarbij de goede, matige en slechte oogstjaren duidelijk naar voor komen.

Indien de gegevens uit tabel 1 worden gecombineerd met prijsgegevens uit grafiek 1, merken we dat beide gegevens enkel betekenis krijgen indien ze worden ingebed in een bredere politiek-economische context. Vanaf 1477 – de dood van Karel de Stoute – valt een geleidelijke stijging van de marktprijs op, die vanaf juli 1480 ongetwijfeld mee verklaard wordt door het handelsembargo op Baltisch graan. Dit embargo zou uiteindelijk tot maart 1483 duren.36 Onze proxy van de oogstopbrengst suggereert een slechte oogst in 1479 en 1480, gevolgd door een desastreuze oogst in 1481. Dit vertaalde zich tegen maart 1482 in een verdriedubbeling van de roggeprijs ten opzichte van het normale prijsniveau! Hoewel de oogst van 1482 eerder gemiddeld was,

Tabel 1. Proxy graanopbrengst Kempisch sociaal agrosysteem, oogstjaren 1469-1489*

Oogstjaar Verpachte hoeves armendis Lier Verpachte tienden abdij Tongerlo (omgeving Diest) Gehanteerd totaal
Rogge-inkomsten (viertel rogge) % t.o.v. gemiddelde hoeve-inkomsten (269,08) Gemiddelde tiendinkomsten (viertel rogge) % t.o.v. gemiddelde tiendinkomsten (18,64) Afwijking t.o.v. gemiddelde (in %)
1469 / / / / /
1470 / / / / /
1471 279 104 / / + 4
1472 328 122 / / + 22
1473 / / / / /
1474 210 78 / / - 22
1475 256 95 / / - 5
1476 352 131 / / + 31
1477 245 91 / / - 9
1478 281 104 / / + 4
1479 207 77 / / - 23
1480 204 76 / / - 24
1481 129 48 / / - 52
1482 / / 18,48 99 - 1
1483 / / 20,11 108 +8
1484 / / / / /
1485 / / 17,3 93 - 7
1486 / / 14,35 77 - 23
1487 300 111 17,65 95 + 3
1488 424 158 22,57 121 + 39
1489 283 105 20,05 108 + 6
Gem. 269,08 18,64

* Ibidem en AAT, sectie II, 544. Wij merken op dat het oogstjaar 1469 loopt van 30 september 1469 tot en met 29 september 1470.

bleven de graanprijzen hoog. Pas vanaf de zomer van oogstjaar 1483 daalde de graanprijs te Turnhout tot een min of meer normaal niveau. Uiteindelijk tekende zich dus een graancrisis af die drie opeenvolgende oogsten

fg002 

 

omvatte.37 De echte duurteperiode strekte zich uit van het voorjaar van oogstjaar 1480 tot het najaar van oogstjaar 1482, toen de graanprijzen nog ruim dubbel zo hoog waren als in ‘normale’ jaren. Na de graancrisisjaren kenden de graanprijzen opnieuw een stijging, die grotendeels kan worden verklaard door de systematische muntontwaarding tussen 1486 en 1489.38

De graanprijzen tussen de verschillende rurale, kleinstedelijke en grootstedelijke markten, blijken in zekere mate geïntegreerd, zoals Unger, Van der Wee en Tits-Dieuaide voor deze periode reeds vaststelden.39 Maar, van een volledige integratie is echter nog geen sprake. Tot in de negentiende eeuw werden Kempische markten immers gekenmerkt door een eigen prijsvormingsproces aangezien regionale en lokale verkoopcircuits (stedelijk en ruraal) onafhankelijk naast elkaar bestonden.40 De vergelijking van groot-

fg003 

 

stedelijke graanprijzen (weliswaar jaargemiddelden) en de marktprijzen in juni in het Kempische dorp Mol en de kleine stad Turnhout (grafiek 2), toont in eerste instantie dat deze laatstgenoemde in oogstjaar 1481 hun hoogtepunt kenden, terwijl de grootstedelijke marktprijzen piekten in 1482. Dit kan erop wijzen dat de marktprijzen te Turnhout en Mol sterker werden gevormd door de oogsten en dus niet echt leden onder het (verlengende) effect van de Hanzeatische handelsblokkade. Ten tweede kan worden vastgesteld dat de graanprijzen in het kleinstedelijke Turnhout in jaren van graanduurte beduidend hoger lagen dan die in het grote dorp Mol.

Over het inwonersaantal van de Kempische dorpen zijn we dankzij de haardtellingen goed ingelicht.41 De twee opeenvolgende haardtellingen uit 1480 en 1492 (tabel 2) vertonen een ongelijk bevolkingsverloop voor de stad Turnhout en de omliggende dorpen. De Turnhoutse bevolking daalde na

Tabel 2. Bevolkingsevolutie in het Land van Turnhout aan de hand van vijf haardtellingen*

Locatie / Jaartal 1437 1464 1472 1480 1496
Turnhout 1020 779 447 1003 1051
Arendonk 304 204 224 213 156
Poppel, Weelde en Ravels 343 405 405 345 269
Wechelderzande, Vlimmeren 101 88 88 82 65
Lille 179 179 114 153 100
Gierle 138 176 176 138 101
Baarle-Hertog 75 76 60 43 78
Beerse 147 122 85 110 104
Merksplas 177 128 90 108 111
Vosselaar 76 62 62 51 50

* J. Cuvelier, Les dénombrements de foyers en Brabant (14e-16e siècle) (Brussel 1956) 470-471.

1437 sterk en kende rond 1472 haar dieptepunt na een pestuitbraak. Hierna zette zich een duidelijk herstel in. In de dorpen die deel uitmaakten van het Land van Turnhout was de bevolkingsdaling voor 1472 veel minder uitgesproken dan in de stad Turnhout, maar de daling hield aan na 1472 en versnelde tussen 1480 en 1496. In het laatste kwart van de vijftiende eeuw lijkt zich in het Land van Turnhout dus een tijdelijke plattelandsvlucht af te spelen, die pas in de vroege zestiende eeuw ongedaan werd gemaakt. De bevolkingsdaling ging bovendien gepaard met wijzigingen in de bedrijfsgrootte. Over de zeer lange termijn gezien, werd het gemiddelde Kempische landbouwbedrijf na 1300 steeds kleiner, maar voor de tweede helft van de vijftiende eeuw stelde Van Onacker een lichte omkering van deze trend vast, waarbij de gemiddelde omvang van cijnsbezit op het hertogelijk domein in het Land van Turnhout licht toenam. Dit wil echter nog niet zeggen dat het aantal keuterboeren drastisch afnam: Van Onacker’s analyse van landtransacties in Gierle toont dat in de periode van demografische terugval vrij weinig grond werd verhandeld, maar dat het vaak wel ging om relatief grote percelen, tot zelfs negen hectare. Mogelijk werden dus vooral gronden van middelgrote bedrijven opgeslorpt door grotere bedrijven, en veranderde er voor de talrijke keuterboeren relatief weinig.42

De productiedaling in de peasant-landbouw te Gierle: een hypothetische reconstructie

Voor het hoogtepunt van de graancrisis stelden we een maximale terugval van de graanproductie met 52 procent voorop (tabel 1). Dergelijke terugval vertaalde zich echter niet rechtstreeks in de hoeveelheid graan die als voedsel voor de plattelandsbevolking beschikbaar was. Naast de noodzaak om zaaizaad voor het volgende jaar opzij te zetten, was ook de voorafname door allerlei lasten en heffingen van belang. Om na te gaan hoe deze lasten de inkomsten en uitgaven van de Kempische huishoudens structureerden en op deze manier het uiteindelijke effect van de productiedaling filterden, zijn geen directe bronnen voorhanden die ons inlichten over het budget van Kempische plattelandsfamilies in deze periode. Daarom wordt ervoor geopteerd een hypothetische reconstructie te schetsen die de gevolgen van de productiedaling voor verschillende groepen landbouwbedrijven te Gierle duidt. De reconstructie beperkt zich tot de graanproductie, die ook in een bij uitstek gemengde landbouweconomie als de Kempen de basis vormde van zowel het productiesysteem als het dieet.43 We gaan er daarbij vanuit dat de dierlijke component van de productie ongeveer constant bleef. De Kempische veestapel in de late middeleeuwen bestond voornamelijk uit een beperkt aantal runderen en paarden per huishouden en middelgrote schaapskuddes, die gehoed werden op de gemeenschappelijke heidegronden. De extensieve beweiding zorgde ervoor dat de vee-stapel gevrijwaard bleef in tijden van falende graanoogst. Omgekeerd werden de omvang en de productie van vlees- en zuivelproducten soms aangepast als antwoord op crisissen, maar door de natuurlijke reproductiecyclus van vee, hadden dergelijke aanpassingen slechts na één of meerdere jaren effect – te laat dus om de productiedaling van graan te compenseren tijdens een graancrisis.44 Bovendien was het bezit van vee, en dan vooral schapen, in de laatmiddeleeuwse Kempen sterk sociaal gedifferentieerd.45 De mogelijkheid om een graantekort eventueel aan te vullen met een verhoogde consumptie van dierlijke producten, was dus in de praktijk enkel mogelijk voor de peasants en grotere boeren.

Daarmee rekening houdend, kunnen we nu het ‘graanbudget’ – de beschikbare versus de noodzakelijke hoeveelheid graan – reconstrueren voor verschillende groepen in de Kempische samenleving. Het graanbudget van een huishouden hangt allereerst af van de hoeveelheid grond die men bewerkte. Op basis van de verdeling van het grondgebruik in Gierle, kunnen we achterhalen welk deel van de huishoudens over voldoende akkerland beschikte om een (ideaaltypisch) zelfvoorzienend bestaan te kunnen leiden.46 Hierbij gaan we ervan uit dat de zelf bewerkte landbouwgrond quasi integraal voor de productie van broodgranen werd gebruikt. Dit was in deze regio immers minstens vanaf de vroegmoderne periode het geval. Ten tweede weten we dat op jaarbasis ongeveer 350 liter graan per volwassen persoon nodig was om aan diens minimale behoefte te voldoen.47 Dit betekent dat circa 1400 liter nodig was voor een gezin bestaande uit twee ouders met drie kinderen en ongeveer 1633-1866 liter (dus gemiddeld 1749,5 liter) voor een gezin bestaande uit twee ouders met vier à vijf kinderen. Vertrekkend van de bevindingen van Thoen, veronderstellen we daarbij dat de gezinsgrootte varieerde al naargelang de bedrijfsgrootte: voor de kleine bedrijven – tot vier hectare – gaan we uit van drie kinderen, voor de grotere van vier en half. 48

Met het nodige zaaizaad en betaling van de kerkelijke tienden erbij was al gauw 1600 liter graan nodig om een gezin met drie kinderen in levensonderhoud te voorzien. Grondlasten, belastingen en de aankoop van essentiële consumptiegoederen zoals kleding en gereedschappen dreven de noodzakelijke bruto-productie verder op, waardoor in gebieden van intensieve akkerbouw minimaal twee tot drie hectare privaat akkerland noodzakelijk was om een zelfvoorzienend bestaan te kunnen leiden (abstractie gemaakt van aanvullend inkomen verkregen uit bijvoorbeeld de beweiding op de gemene heidegronden, proto-industriële activiteiten en buren- en/of reciprociteitsrelaties). In Gierle bezat ongeveer 30 procent van de bevolking meer dan de vereiste drie hectare. Dit waren de zelfvoorzienende peasants, die – hoewel ze in Gierle eigenlijk in de minderheid waren – de kern van de dorpsgemeenschap vormden. Ze konden een marktonafhankelijke positie

fg004 

 

innemen of zelf een surplus aan graan verkopen op de markt. Hiernaast schommelde 28 procent op het randje van zelfvoorziening. Zesendertig procent beschikte over minder dan één hectare. Deze keuters waren, als zij elders geen grondbezit hadden, aangewezen op andere activiteiten om in hun levensonderhoud te voorzien.

Maar hoe zat dit nu concreet? De opbrengst die het bedrijf genereerde dient te worden verminderd met enerzijds de uitgaven eigen aan de landbouw en anderzijds de heerlijke lasten (heffingen geïnd door de domeinheer en landsheerlijke belastingen). De bruto-roggeopbrengst bij volledige bezaaiing lag vermoedelijk in het verlengde van de opbrengsten op de intensieve kleine bedrijven van binnen-Vlaanderen zoals door Thoen gereconstrueerd en bedroeg ongeveer 1450 liter per hectare.49 Landbouwgrond werd niet volledig bezaaid. Ter recuperatie van de bodem werd een gedeelte braak gelaten. We weten dat in de Kempen hiervoor een systeem van winterbraak werd gehanteerd, maar het is niet geweten hoe groot dit braakland was.50 Zeker is dat de verplichting tot volle braak (1/3) niet meer voorkwam in zestiende-eeuwse pachtcontracten van de Tongerlose abdijhoeves.51 Maar tot zogenaamde ewiger roggenbau was het vijftiende-eeuwse Kempische productiesysteem ook nog niet gekomen. Hiervoor was immers intensieve plaggenbemesting vereist. Doordat dieren in de Kempen voornamelijk op het hooi van de beemden en van diverse gewassen op de gemeenschappelijke heidegronden leefden, zal geen groot deel van de bezaaiing naar veevoeder zijn gegaan. Het voorgaande in acht genomen doet dit een bezaaiing van 75 procent van het areaal vermoeden. Onmiddellijk na de oogst werd eveneens 160 liter graan per hectare opzij gehouden als zaaigoed voor het volgende oogstjaar.52

Wat na de oogst overbleef was geen zuivere opbrengst. In eerste instantie diende men de kerkelijke tienden – 1/11 tot 1/12 van de opbrengst – te betalen.53 Hiernaast dienden boerenhun graan te laten malen door de heerlijke molens, waarvoor zij in het Land van Turnhout een molster (molenrecht) ten belope van 1/24 van het te malen graan betaalden.54 Vervolgens dienden boeren als onroerende belasting op hun landbouwperceel in eigenbezit, een onveranderlijke cijns te betalen aan hun grondheren. De opbrengst van de cijnzen, die door de rentmeesters van de hertog van Brabant werden geïnd, bedroegen voor Gierle jaarlijks 2156 Brabantse groten55 op een geschat cijnsdomein van 340 hectare,56 wat neerkomt op 6,3 Brabantse groten per hectare. Tot slot betaalden de inwoners van Gierle aan de landsheren nog buitengewone belastingen: de beden. Voor Vlaanderen weten we dat de belastingdruk in het laatste kwart van de vijftiende eeuw sterk toenam door de frequente oorlogen.57 Voor het hertogdom Brabant ontbreekt onderzoek over het jaarlijks verloop van de beden na 1430, met uitzondering van enkele steden.58 Vandaar dat we deze belastingdruk dienen te reconstrueren. We weten dat in overleg met de Staten van Brabant het bedrag en de afbetalingstermijn van de beden werd vastgelegd.59 Het overeengekomen bedrag werd vervolgens verdeeld over de belastbare haarden per dorp of stad. Leegstaande huizen en die van armen werden niet belast, maar omdat de hoogte van de beden vaststond kwam hun deel bovenop het bedrag van de belastbare personen. Hoe de beden lokaal werden omgeslagen over de verschillende inwoners is niet geweten, maar voor de zestiende-eeuwse Kempen zijn er indicaties dat grondgebruik doorslaggevend was in de verdeling van de belastingen over de individuele huishoudens.60

Tabel 3. Geïnde beden te Gierle*

Oogstjaar Brabantse groten Brabantse groten per haard Liter rogge per haard
1474 924 5.3 15.5
1477 8181 46.5 130.6
1478 5340 30.3 68.8
1479 135 0.8 1.6
1480 3222 31.6 64.2
1481 2868 28.1 33.2
1482 468 4.6 3.8
1483 3129 30.7 67.0
1484 2964 29.1 85.7
1484** 10260 100.6 296.7
1485 9055.5 88.8 201.4
1486 1647 16.1 20.7
1487 8191.5 80.3 112.8

In 1472 beschikte Gierle over een totaal van 176 haarden. In 1480 waren er 102 taxeerbare haarden. Omvorming naar liter graan aan de hand van de Turnhoutse roggeprijs in januari.

* ARA, Rk., 15728-15731. Afhankelijk van de datum waarop de beden werden ontvangen, werd de innings-termijn en het daarmee corresponderende oogstjaar bepaald.

** Dit zijn inkomsten uit de twaalfde penning. Gezien de aard van deze belasting (overdrachtsbelasting) zijn deze apart vermeld.

Tegen 1460 werden de beden over meerdere jaren afbetaald. Vanaf 1477 volgden de beden elkaar veel sneller op, waardoor ze vaker onmiddellijk na goedkeuring werden geïnd. Dit stelt ons in staat met enige accuraatheid het oogstjaar waarbinnen de beden werden ontvangen te achterhalen (tabel 3). Gebaseerd op het aandeel van de beden in de stedelijke uitgaven, onderscheidde Peeters voor Zoutleeuw de jaren 1478, 1483 en 1489 als jaren met de hoogste belastingdruk.61 Voor het Land van Turnhout lag de situatie in het verlengde hiervan: de beden kenden hun absolute hoogtepunten per haard in oogstjaren 1477, 1484-1485 en 1487. Tijdens de crisisjaren 1481 en 1482 waren de beden niet uitgesproken hoog, maar men mag zich niet laten misleiden door lage getallen. De hoge graanprijs maakt dat boeren minder graan op de markt moeten brengen om aan de vereiste bede te voldoen, maar hoe dan ook moesten zij tijdens de graanduurtejaren een surplus verkopen, wat niet evident was. De beden werden in tabel 4 op basis van grondgebruik verdeeld over de 510 hectare privégrond.

Tabel 4. Modellering van het graanbudget te Gierle voor verschillende bedijfsgroottes per oogstjaar (in liter rogge)*

1 ha 2 ha 2,5 ha 3 ha 4 ha 5 ha 6 ha 7 ha 10 ha
Doorsnee jaar (gemiddelde oogstjaren 1469-1489)
Bruto-opbrengst - zaaigoed 928 1855 2319 2783 3710 4638 5565 6493 9275
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 146,6 293,3 366,6 439,9 586,6 733,2 879,8 1026,5 1466,4
Netto-opbrengst 780,9 1561,7 1952,2 2342,6 3123,4 3904,3 4685,2 5466,0 7808,6
1477 (-9%)
Bruto-opbrengst - zaaigoed 830 1659 2074 2489 3319 4148 4978 5807 8296
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 183,5 367,1 458,8 550,6 734,1 917,7 1101,2 1284,7 1835,3
Netto-opbrengst 646,1 1292,2 1615,2 1938,3 2584,4 3230,5 3876,6 4522,7 6460,9
1478 (+4%)
Bruto-opbrengst - zaaigoed 971 1942 2428 2913 3884 4855 5826 6797 9710
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 177,0 354,1 442,6 531,1 708,1 885,2 1062,2 1239,3 1770,4
Netto-opbrengst 794,0 1587,9 1984,9 2381,9 3175,9 3969,8 4763,8 5557,7 7939,6
1479 (-23%)
Bruto-opbrengst - zaaigoed 677 1355 1693 2032 2710 3387 4064 4742 6774
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 115,0 230,0 287,5 345,0 460,0 575,0 690,0 805,0 1150,0
Netto-opbrengst 562,4 1124,8 1405,9 1687,1 2249,5 2811,9 3374,3 3936,7 5623,8
1 ha 2 ha 2,5 ha 3 ha 4 ha 5 ha 6 ha 7 ha 10 ha
1480 (-24%)
Bruto-opbrengst - zaaigoed 667 1333 1666 2000 2666 3333 3999 4666 6665
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 125,4 250,9 313,6 376,3 501,8 627,2 752,6 878,1 1254,4
Netto-opbrengst 541,1 1082,1 1352,7 1623,2 2164,2 2705,3 3246,4 3787,4 5410,6
1481 (-52%)
Bruto-opbrengst - zaaigoed 362 724 905 1086 1448 1810 2172 2534 3620
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 74,6 149,2 186,6 223,9 298,5 373,1 447,7 522,4 746,2
Netto-opbrengst 287,4 574,8 718,4 862,1 1149,5 1436,9 1724,3 2011,6 2873,8
1482 (-1%)
Bruto-opbrengst - zaaigoed 917 1833 2292 2750 3667 4583 5500 6416 9166
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 137,9 275,8 344,8 413,7 551,6 689,5 827,4 965,3 1379,0
Netto-opbrengst 778,7 1557,4 1946,8 2336,2 3114,9 3893,6 4672,3 5451,1 7787,2
1483 (+8%)
Bruto-opbrengst - zaaigoed 1015 2029 2536 3044 4058 5073 6087 7102 10145
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 171,8 343,5 429,4 515,3 687,0 858,8 1030,6 1202,3 1717,6
Netto-opbrengst 842,7 1685,5 2106,9 2528,2 3371,0 4213,7 5056,4 5899,2 8427,4

* Tot en met vier hectare wordt uitgegaan van een gezin met drie kinderen. Gezinnen met meer dan vier hectare landbouwgrond hadden gemiddeld vier en half kind.

Uiteindelijk komen we zo tot de reconstructie van het graanbudget voor verschillende types bedrijven tijdens de jaren 1477-83 (tabel 4). Uit dit model blijkt dat in jaren met een doorsnee oogstopbrengst, boeren met een bedrijf van twee hectare of meer in hun graanbehoefte konden voorzien, of zelfs een overschot op de markt konden brengen. Huishoudens met slechts één hectare land (minstens 36,5 procent van de gezinnen in Gierle) waren nooit zelfvoorzienend in deze periode en dienden – als zij niet elders over extra grond beschikten – op andere manieren het gezinsinkomen aan te vullen. Op het hoogtepunt van de graancrisis doet het model vermoeden dat slechts een kleine minderheid van de bedrijven – die met zes hectare of meer akkerland – voldoende graan produceerde om in de graanbehoefte van het huishouden te voorzien.

Het sneeuwbaleffect van de heerlijke lasten

In tabel 4 en bijlage 1 werden de inkomsten en uitgaven van verschillende categorieën van landbouwbedrijven gereconstrueerd om een differentieel beeld van de structurele kwetsbaarheid tijdens de graancrisis te schetsen.62 Zoals duidelijk zal worden, waren de gevolgen van een graancrisis behoorlijk verschillend al naargelang men over een bedrijf van twee, drie of tien hectare beschikte en speelden daarnaast ook de heerlijke lasten een belangrijke rol in het bepalen van de impact van de graancrisis.

Voor doorsnee jaren toont ons model dat 71,8 procent van de bruto-opbrengst beschikbaar was voor consumptie en men 15,8 procent van de bruto-opbrengst (zonder zaaizaad) opzij diende te zetten voor het betalen van lasten.63 De crisisjaren hadden duidelijk een negatief effect: in 1481 was nog maar 55,1 procent van de bruto-opbrengst beschikbaar voor consumptie. De rest diende immers te worden gereserveerd voor lasten en zaaizaad voor de volgende oogst. In absolute termen waren de lasten lager dan gemiddeld: de bedendruk was relatief beperkt in 1481 en een aantal proportionele lasten zoals de tienden en het molenrecht daalden mee met de oogst. Maar, de lasten dienden wel betaald te worden uit een tegenvallende oogstopbrengst. Bedrijven die in principe net genoeg produceerden om te overleven werden door de lasten onder de subsistentiedrempel gedrukt. De relatief gestegen lasten – nu 20,6 procent van de bruto-opbrengst zonder zaaizaad – zorgden dus voor een soort van ‘sneeuwbaleffect’, waardoor meer boeren dan strikt noodzakelijk in de problemen kwamen. Een aantal lasten diende betaald te worden in klinkende munt, wat betekent dat een deel van de sterk gedaalde oogst op de markt moest worden gebracht, ook door boeren die maar net genoeg graan hadden om te overleven. Anderzijds waren er een aantal andere lasten – tienden en molenrecht – die wel proportioneel aan de oogst waren en in natura werden betaald, maar de betaler van kostbaar graan beroofden. Dit terwijl de ontvangers – zoals de molenpachters en domeinheer – kostbaar graan ontvingen dat ze aan hoge prijzen op de markt konden brengen (zie verder). Hierdoor is het uiteindelijke effect van de graancrisis dus groter dan de oorspronkelijke productieterugval. Maar wat waren de gevolgen van dit sneeuwbaleffect voor de verschillende bevolkingsgroepen?

Keuterstot één hectare akkerland (36,5 procent van de bevolking) vielen sowieso onder het subsistentieniveau. Als deze groep niet over akkerland buiten Gierle beschikte, was het voor hen noodzakelijk om ook in doorsnee jaren extra inkomsten te genereren. Zeker de oogstjaren 1477 en 1479-82 waren voor deze keuters bijzonder desastreus. Niet alleen werden zij duidelijk getroffen door de productiedaling, ook de lasten, die doorsnee 146,6 liter graan omvatten, deden de hoeveelheid graan die zij ter beschikking hadden verder dalen. Als deze keuters in hun levensonderhoud wilden voorzien, konden zij onder meer via de markt – en dus tegen de hoge marktprijzen – graan inkopen. Dit impliceerde grote geldelijke uitgaven, die in 1481 konden oplopen tot een fenomenale 943,17 Brabantse groten. Dit was een bedrag dat overeenstemde met ongeveer 189 daglonen van een ongeschoold arbeider; meer dan een verdrievoudiging tegenover het gemiddelde!64 Ook mogen we ons niet laten misleiden door het oogstjaar 1482. Hoewel de productie in dit oogstjaar gemiddeld was, dienden deze keuters zich tegen hoge marktprijzen in aanvullende graaninkomsten te voorzien. Dit tegen een equivalent van 152 daglonen. De crisis was voor deze groep voelbaar tot de graanprijzen stabiliseerden. Daarbij dienen we ermee rekening te houden dat de lokale behoefte aan loonarbeid – die sowieso al laag was – in tijden van misoogsten wellicht eerder af- dan toenam; dat de rurale textielnijverheid in deze regio niet sterk ontwikkeld was en dat bijvoorbeeld transportdiensten – tot 40 procent van de huishoudens beschikte over minstens één paard, dat onder meer werd ingezet voor transportdiensten richting Antwerpen65 – niet gebaat waren bij slechte weersomstandigheden en politieke en economische instabiliteit.

Ook kleine boeren met tussen de één tot drie hectare akkerland kwamen in de problemen door het sneeuwbaleffect van de lasten. Daar waar het jaar 1477 werd gekenmerkt door een gematigde oogstterugval (-9 procent), zijn het hier duidelijk de lasten die kleine boeren tot twee hectare onder het subsistentieniveau trokken. Door de niet zo sterk gestegen graanprijzen betekenden de lasten dit jaar een grote hap (22,1 procent) uit het consumptiebudget: voornamelijk de beden, goed voor minstens 90,1 liter, verminderden de beschikbare hoeveelheid graan drastisch. Het jaar 1479 werd gekenmerkt door een productieterugval van ongeveer 23 procent. De groep kleine boeren tot twee hectare werd echter onder het substistentieniveau getrokken door toedoen van de lasten: in dit geval vooral het molenrecht en de tiende. Ook de kleine boeren met 2,5 hectare akkerland werden dicht tegen de subsistentiegrens getrokken. Toen de Kempen in 1480 werden getroffen door een oogstterugval van 24 procent, diende 18,8 procent van de bruto-opbrengst zonder zaaizaad te worden betaald aan lasten allerhande (tegenover 15,8 procent in een doorsnee jaar). De gestegen graanprijs werkte hier theoretisch in het voordeel van de keuters, aangezien deze de hoge bedenlast kon opvangen. Maar, in de praktijk is dit enkel mogelijk voor grotere boeren die ook in slechte oogstjaren als 1480 een vermarktbaar graansurplus hadden. Kleine boeren met minder dan drie hectare grond hadden in 1480 geen vermarktbaar surplus. De bedenlast ter hoogte van 25,7-38,5 liter rogge – voor een bedrijf van twee tot drie hectare – betekende op zijn minst een bijkomend verlies van ongeveer één week voedsel. Dit mag zeker in tijden van voedselschaarste niet onderschat worden. Bestuderen we vervolgens het hoogtepunt van de graancrisis: 1481. Bij een (veronderstelde) productieterugval van 52 procent, was – voorafgaand aan de lasten – vier hectare akkerland nodig om zelfvoorzienend te zijn. Aangezien dat jaar 44,9 procent van de bruto-opbrengst diende te worden besteed aan lasten en zaaigoed, was zelfs iets meer dan zes hectare nodig om de crisis te overbruggen. Volwaardige peasants met drie tot vijf hectare grond, die normaal zelfvoorzienend waren, dienden nu respectievelijk 91 en 42 dagen loonarbeid te verrichten om hun graantekort aan te vullen (rekening houdend met de sterk gestegen marktprijzen).

Voor grotere boeren (vanaf vijf hectare) tekende zich een ander beeld af: hun akkerland was groot genoeg om zelfs bij de halvering van de oogst in 1481 in hun directe basisbehoeften te voorzien. Maar, het veronderstelde hoger kinderaantal werkte hier duidelijk in het nadeel. Boeren met vijf hectare moesten hierdoor 312,6 liter graan extra produceren om deze monden te kunnen voeden, en ook boeren met zes hectare bevonden zich hierdoor tegen het subsistentieniveau.66 Dit maakt het eens te meer aannemelijk dat vermarktbare surplussen tijden het crisisjaar grotendeels werden opgegeten, waardoor mogelijke (in)formele transfers naar minderbedeelde groepen onder druk kwamen te staan. De mate waarin deze grotere boeren winst konden genereren hangt nauw samen met drie variabelen: productie, graanprijs en schaal (grootte landbouwareaal). Zeker een jaar als 1482 kon voor deze groep bijzonder winstgevend zijn. In dit jaar ging een gemiddelde oogstopbrengst (-1 procent) immers gepaard met erg hoge graanprijzen. Het zwaarste crisisjaar (1481) nam voor hen een dubbele positie in: enerzijds waren zij in staat om zichzelf ondanks de oogstterugval en het sneeuwbaleffect van de lasten in levensonderhoud te voorzien en konden zij zelfs winsten te genereren. Anderzijds waren deze winsten – gezien de afgenomen productie – lager dan normaal. Het is dan ook enkel in dit jaar dat zich voor deze groep een ‘crisis’ aftekende, in die zin dat zij in mindere mate in staat waren om winsten te genereren (als zij geen opgepot surplus verkochten). Wil dit zeggen dat deze grote boeren hun oogst daadwerkelijk op de markt brachten? Niet noodzakelijk. Gezien de aard van de samenleving lijkt het waarschijnlijk dat (een deel van) hun oogstopbrengst al dan niet in ruil voor arbeid of diensten hetzij formeel, hetzij informeel herverdeeld werd naar het minder fortuinlijke deel van de dorpssamenleving. Maar deze aanname neemt niet weg dat de gevolgen van de graancrisis duidelijk sociaal bepaald zijn, waarbij het sneeuwbaleffect van de lasten belangrijke implicaties heeft voor de kleinste boeren. Daarbij dienen we te herhalen dat de Kempische samenleving als geheel als veerkrachtig kan worden bestempeld: in andere regio’s waren de hier beschreven mechanismen wellicht nog veel duidelijker aanwezig. Doorslaggevend is dat Kempische boerenhun grond in cijns hielden en niet pachtten. De pachtprijs van één hectare landbouwland in het sociaal agrosysteem van Binnen-Vlaanderen bedroeg tussen 1480 en 1500 immers 103,6 tot 104,3 Vlaamse groten, wat neerkomt op 353 tot 451 liter rogge.67 De Kempische boerbespaarde door zijn sterke eigendomsrechten kostbare liters graan en was niet volledig afhankelijk van de markt(prijzen) om in zijn levensonderhoud te voorzien. Ook de verdeling van de beden op basis van grondgebruik leidde ertoe dat de hoogte van deze last voor kleine boerendrastisch verminderde. Daarnaast waren in sommige regio’s de molenrechten nog hoger: bijvoorbeeld 1/16 in plaats van 1/24 zoals in het Land van Turnhout.68 Ook hierdoor bespaarden de boeren in Gierle kostbare liters graan en werd hun structurele kwetsbaarheid en dus ook de uiteindelijke impact van de graancrisis gemilderd.

Heerlijke domeininkomsten en de graancrisis

Als domeinheer in het Land van Turnhout vormde de Brabantse hertog een belangrijke schakel in de sociale allocatie van de kosten en baten van

fg005 

 

de graancrisis. Ook op het einde van de vijftiende eeuw vormde het vorstelijk domein nog een belangrijke bron van inkomsten voor de Brabantse – inmiddels tevens Bourgondische – hertogen.69 Pas onder Karel de Stoute overschreden de inkomsten uit beden voor het eerst de (bruto-)inkomsten uit de hertogelijke domeinen en pas in de zestiende eeuw verloor het do-

mein duidelijk aan financiële betekenis.70 Dat de vorst in de late vijftiende eeuw werd geconfronteerd met een chronisch geldtekort impliceert niet dat de financiële druk op de domeininwoners bewust werd verhoogd. De domeinrechten lagen in principe vast. Wel werden sommige delen van het domein ‘vervreemd’ aan hoogwaardigheidsbekleders en schuldeisers, ging de hertog meer ambten – zoals het schoutsambt – verpachten en werd er soms een actieve politiek van muntdepreciatie gevoerd die indirect de financiële druk kon opdrijven.

Rond 1470 bestond ongeveer 30 procent van de domeininkomsten uit erfcijnzen, 30 procent uit geldelijke pachtinkomsten en 30 procent uit ‘verdingde’ natura-inkomsten (grafiek 3). Deze laatste groep inkomsten zijn de natura-leveringen die door de rentmeester lokaal werden verkocht. De pachtprijs van de vier domeinmolens, die de molenaars in rogge betaalden, domineerde deze belangrijke categorie.71 De geldelijke pachtinkomsten waren afkomstig uit diverse pachten, waarvan qua hoogte enkel de tol van Turnhout en de gruit opvallen.72 Dat het merendeel van de Kempische grond door de boeren in cijns werd gehouden, verklaart de hoge cijnsinkomsten en de afwezigheid van inkomsten uit verpachte grond op het Turnhoutse domein.73 Hiernaast werden inkomsten verworven uit de verkoop van materialen, zoals hout afkomstig uit het bos Grotenhout. Ook werden tot 1477 inkomsten uit het schoutsambt door de Turnhoutse rentmeester geïnd. De configuratie van de domeininkomsten in het Land van Turnhout leidde ertoe dat de domeinheer geen schade ondervond van de graancrisis, wel integendeel. In het zwaarste crisisjaar 1481 werd zelfs voor ongeveer 145.600 Brabantse groten aan inkomsten geboekt, 30 tot 40 procent meer dan in ‘normale’ jaren. De stijging is haast integraal toe te schrijven aan de hoge inkomsten uit verdingd graan, zijnde de in natura betaalde molenpachten, die aan hoge marktprijzen verkocht konden worden. Ook in 1482 kon door de hoge graanprijzen nog aanzienlijke winst worden gemaakt. Doordat de graanprijzen zich opnieuw hadden gestabiliseerd, werden in de periode 1483-84 dan ook significant minder winsten geboekt. Ook de hoge graanprijzen tijdens de turbulente oorlogsjaren vanaf 1486 stelden het domein in staat hoge nominale winsten te genereren.74 De hogere inkomsten vertaalden zich niet in hogere investeringen in onderhoud (en dus in een mogelijk terugverdieneffect voor de lokale economie): de recordinkomsten van 1481 gingen gepaard met de laagste uitgaven voor het eigenlijke beheer van het domein in de periode 1469-89: 28.040 groten. De rest van de domein-inkomsten in dit crisisjaar werd via décharges uitbetaald aan hertogelijke functionarissen en schuldeisers.75

Tot besluit

De hernieuwde aandacht voor klimaatgerelateerde productieschommelingen als oorzaak van voedselcrisissen in de premoderne periode, is een noodzakelijke maar onvoldoende stap in hun verklaring. Door middel van dit artikel willen we hernieuwde aandacht vragen voor de structurele mechanismen die sommige groepen in de samenleving blootstellen aan de gevolgen van productiedalingen. We toonden aan dat zelfs in een veerkrachtige samenleving als de Kempen (gekenmerkt door zijn gemengde economie, uitgebreide gemene gronden, geringe sociale polarisatie en goed uitgebouwde solidariteitsmechanismen) heel wat mensen kwetsbaar waren voor een voedseltekort vanaf een productiedaling van pakweg 20 procent. De ongelijke toegang tot grond en de institutionele mechanismen achter de domeinheffingen en belastingen bleken daarbij doorslaggevend. Op basis van een concrete casestudy rond de graancrisis van 1480-82 toonden we aan dat dergelijke crisissen naast een daling van de beschikbare voedselvoorraad (of Food Availability Decline), een duidelijk sociaal gedifferentieerde uitwerking had, waarbij de meeste groepen hun afdwingbare rechten op voedsel zagen dalen (Food Entitlement Decline) omwille van de superieure rechten van andere groepen. In de bestudeerde casus was dit vooral de hertog van Brabant als lokale domeinheer, die zijn geldelijke inkomsten spectaculair zag toenemen. Via het systeem van de molenrechten verwierven zowel de hertogelijke rentmeester als de molenaars grote hoeveelheden kostbaar graan die naar eigen inzicht vermarkt konden worden. Net als de Engelse domeinheren tijdens de Grote Hongersnood van 1315-17 konden ze daarbij speculatiewinsten maken, wellicht gebruik makend van het verschil in graanprijzen tussen de verschillende markten. Tot een echte desintegratie van de graanmarkt, zoals door Slavin beargumenteerd voor 1315-17,76 kwam het echter niet: de graanprijzen bleven steeds een zelfde evolutie volgen.

De marktwerking – die centraal staat in de allocatietheorie van Sen – verklaart echter maar een beperkt deel van de ontoereikende toegang tot graan voor de Kempische huishoudens tijdens de graancrisis van 1480-82: de ongelijke toegang tot grond, de organisatie van de heffingen binnen het hertogelijk domein en de verdeling van de beden, filterden de impact van opeenvolgende misoogsten voor verschillende bevolkingsgroepen in de samenleving. Dit komt het duidelijkst naar voor als we de landbouwbedrijven van pakweg drie tot vijf hectare – de middengroep van zelfvoorzienende peasants – in beschouwing nemen: zij produceren ook in het hongerjaar 1481 in principe genoeg graan om te overleven, maar vielen door het sneeuwbaleffect van de lasten onder het subsistentieniveau.

Omgekeerd toont ons onderzoek ook aan dat een behoorlijk deel van de Kempische bevolking zelfs in jaren van ernstige daling van de graanproductie het hoofd boven water kon houden. Of en hoe de grotere graanproducenten via interne herverdelingsmechanismen – als armenzorg, informele solidariteit – dan ook de rest van de bevolking door de crisis hielpen, blijft voorlopig onduidelijk.77 De bronnen zwijgen ook over de mate waarin pluk en jacht op de uitgestrekte heidevelden het gebrek aan graan enigszins konden compenseren. Zeker is wel dat de sociale verschillen in kwetsbaarheid binnen een premoderne gemeenschap altijd groter waren dan de fluctuaties doorheen de tijd, veroorzaakt door pakweg klimaatfluctuaties of marktschommelingen. Om kwetsbaarheid voor crisissen ten volle te begrijpen, dient het historisch onderzoek dan ook nog steeds oog te hebben voor de structurele wortels– de root causes in de terminologie van Wisner en Blaikie – van die kwetsbaarheid.78 Onderzoek naar de ongelijke toegang tot land en economische hulpbronnen, de opbouw van het inkomen op huishoudniveau, mechanismen van belasting en herverdeling, blijft onontbeerlijk om te begrijpen waarom ook in veerkrachtige samenlevingen mensen kwetsbaar voor honger kunnen zijn. Een probleem dat ook vandaag brandend actueel blijft.79

Over de auteurs

Nick Van den Broeck (1989) is als doctoraatsbursaal verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Gent. Zijn doctoraat handelt over de mate van en verklaring voor variaties in rurale armenzorgpraktijken op regionaal en lokaal niveau. Dit doet hij voor het platteland in de Zuidelijke Nederlanden gedurende de periode 1750-1830.

E-mail: nick.van.den.broeck@vub.ac.be

Tim Soens (1977) is hoogleraar Middeleeuwse en Ecologische Geschiedenis verbonden aan het Centrum voor Stadsgeschiedenis van de Universiteit Antwerpen, waar hij de onderzoekslijn ENVIRHUS – Environmental and Rural History of Urbanized Societies – coördineert. Hij werkt momenteel aan een boeksynthese rond overstromingsrampen in het Noordzeegebied vóór 1800.  

E-mail: tim.soens@uantwerpen.be

Bijlage. Modellering van het graanbudget te Gierle voor verschillende bedijfsgroottes per oogstjaar (in liter rogge)*
1 ha 2 ha 2,5 ha 3 ha 4 ha 5 ha 6 ha 7 ha 10 ha
Doorsnee jaar (gemiddelde oogstjaren 1469-1489)
Theoretische opbrengst bij volledige bezaaiing 1450 2900 3625 4350 5800 7250 8700 10150 14500
Braak (-25%) 362,5 725 906 1088 1450 1813 2175 2538 3625
Bruto-opbrengst (theore-tische opbrengst - braak) 1087,5 2175,0 2718,8 3262,5 4350,0 5437,5 6525,0 7612,5 10875,0
Zaaigoed 160 320 400 480 640 800 960 1120 1600
Tiende 98,9 198 247 297 395 494 593 692 989
Molster 34,5 69,1 86,3 103,6 138,1 172,6 207,2 241,7 345,3
Cijns 13,2 26,5 33,1 39,7 53,0 66,2 79,5 92,7 132,5
Beden 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 146,6 293,3 366,6 439,9 586,6 733,2 879,8 1026,5 1466,4
Netto-opbrengst (bruto-opbrengst - zaaigoed - lasten) 780,9 1561,7 1952,2 2342,6 3123,4 3904,3 4685,2 5466,0 7808,6
Verhouding netto/bruto-opbrengst 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8%
1 ha 2 ha 2,5 ha 3 ha 4 ha 5 ha 6 ha 7 ha 10 ha
Verhouding lasten/(bruto-opbrengst - zaaizaad) 15,8% 15,8% 15,8% 15,8% 15,8% 15,8% 15,8% 15,8% 15,8%
Graantekort of overschot -619,14 161,72 552,15 942,58 1723,44 2154,81 2935,67 3716,53 6059,11
Aankoop of verkoop van graan (Brabantse groten) -294,41 76,90 262,56 448,22 819,53 1024,65 1395,96 1767,27 2881,21
Dagen loonarbeid (tegen 5 Brabantse groten/dag) 58,9 15,4 52,5 89,6 163,9 204,9 279,2 353,5 576,2
1477 (-9%)
Theoretische opbrengst (-9 procent) 1319,5 2639 3298,75 3958,5 5278 6597,5 7917 9236,5 13195
Braak (-25%) 329,9 659,75 825 990 1320 1649 1979 2309 3299
Bruto-opbrengst (theore-tische opbrengst - braak) 989,6 1979,3 2474,1 2968,9 3958,5 4948,1 5937,8 6927,4 9896,3
Zaaigoed 160 320 400 480 640 800 960 1120 1600
Tiende 90,0 179,9 224,9 269,9 359,9 449,8 539,8 629,8 899,7
Molster 30,8 61,6 77,0 92,5 123,3 154,1 184,9 215,7 308,2
Cijns 17,70 35,4 44,2 53,1 70,8 88,5 106,2 123,9 177,0
Beden 45,1 90,1 112,6 135,2 180 225,3 270 315,4 450,5
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 183,5 367,1 458,8 550,6 734,1 917,7 1101,2 1284,7 1835,3
Netto-opbrengst (bruto-opbrengst - zaaigoed - lasten) 646,1 1292,2 1615,2 1938,3 2584,4 3230,5 3876,6 4522,7 6460,9
Verhouding netto/bruto-opbrengst 65,3% 65,3% 65,3% 65,3% 65,3% 65,3% 65,3% 65,3% 65,3%
Verhouding lasten/(bruto-opbrengst - zaaizaad) 22,1% 22,1% 22,1% 22,1% 22,1% 22,1% 22,1% 22,1% 22,1%
Graantekort of overschot -753,91 -107,81 215,23 538,28 1184,37 1480,96 2127,06 2773,15 4711,43
Aankoop of verkoop van graan (Brabantse groten) -268,42 -38,39 76,63 191,64 421,68 527,27 757,30 987,33 1677,42
Dagen loonarbeid (tegen 5 Brabantse groten/dag) 53,7 7,7 15,3 38,3 84,3 105,5 151,5 197,5 335,5
1478 (+4%)
Theoretische opbrengst (+4 procent) 1508 3016 3770 4524 6032 7540 9048 10556 15080
Braak (-25%) 377,0 754 943 1131 1508 1885 2262 2639 3770
Bruto-opbrengst (theore-tische opbrengst - braak) 1131,0 2262,0 2827,5 3393,0 4524,0 5655,0 6786,0 7917,0 11310,0
1 ha 2 ha 2,5 ha 3 ha 4 ha 5 ha 6 ha 7 ha 10 ha
Zaaigoed 160 320 400 480 640 800 960 1120 1600
Tiende 102,8 205,6 257,0 308,5 411,3 514,1 616,9 719,7 1028,2
Molster 36,2 72,3 90,4 108,5 144,7 180,9 217,0 253,2 361,7
Cijns 14,29 28,6 35,7 42,9 57,2 71,5 85,8 100,0 142,9
Beden 23,8 47,5 59,4 71,3 95 118,8 143 166,3 237,5
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 177,0 354,1 442,6 531,1 708,1 885,2 1062,2 1239,3 1770,4
Netto-opbrengst (bruto-opbrengst - zaaigoed - lasten) 794,0 1587,9 1984,9 2381,9 3175,9 3969,8 4763,8 5557,7 7939,6
Verhouding netto/bruto-opbrengst 70,2% 70,2% 70,2% 70,2% 70,2% 70,2% 70,2% 70,2% 70,2%
Verhouding lasten/(bruto-opbrengst - zaaizaad) 18,2% 18,2% 18,2% 18,2% 18,2% 18,2% 18,2% 18,2% 18,2%
Graantekort of overschot -606,04 187,93 584,91 981,89 1775,85 2220,32 3014,28 3808,24 6190,13
Aankoop of verkoop van graan (Brabantse groten) -267,14 82,84 257,83 432,82 782,80 978,72 1328,70 1678,68 2728,63
Dagen loonarbeid (tegen 5 Brabantse groten/dag) 53,4 16,6 51,6 86,6 156,6 195,7 265,7 335,7 545,7
1479 (-23%)
Theoretische opbrengst (-23%) 1116,5 2233 2791,25 3349,5 4466 5582,5 6699 7815,5 11165
Braak (-25%) 279,1 558,25 698 837 1117 1396 1675 1954 2791
Bruto-opbrengst (theore-tische opbrengst - braak) 837,4 1674,8 2093,4 2512,1 3349,5 4186,9 5024,2 5861,6 8373,8
Zaaigoed 160 320 400 480 640 800 960 1120 1600
Tiende 76,1 152,3 190,3 228,4 304,5 380,6 456,8 532,9 761,3
Molster 25,1 50,1 62,6 75,2 100,2 125,3 150,3 175,4 250,5
Cijns 13,3 26,5 33,2 39,8 53,1 66,4 79,6 92,9 132,7
Beden 0,5 1,1 1,4 1,6 2 2,7 3 3,8 5,5
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 115,0 230,0 287,5 345,0 460,0 575,0 690,0 805,0 1150,0
Netto-opbrengst (bruto-opbrengst - zaaigoed - lasten) 562,4 1124,8 1405,9 1687,1 2249,5 2811,9 3374,3 3936,7 5623,8
Verhouding netto/bruto-opbrengst 67,2% 67,2% 67,2% 67,2% 67,2% 67,2% 67,2% 67,2% 67,2%
1 ha 2 ha 2,5 ha 3 ha 4 ha 5 ha 6 ha 7 ha 10 ha
Verhouding lasten/(bruto-opbrengst - zaaizaad) 17,0% 17,0% 17,0% 17,0% 17,0% 17,0% 17,0% 17,0% 17,0%
Graantekort of overschot -837,62 -275,24 5,95 287,14 849,52 1062,39 1624,77 2187,15 3874,29
Aankoop of verkoop van graan (Brabantse groten) -397,63 -130,66 2,82 136,31 403,27 504,33 771,30 1038,26 1839,17
Dagen loonarbeid (tegen 5 Brabantse groten/dag) 79,5 26,1 0,6 27,3 80,7 100,9 154,3 207,7 367,8
1480 (-24%)
Theoretische opbrengst (-24%) 1102 2204 2755 3306 4408 5510 6612 7714 11020
Braak (-25%) 275,5 551 689 827 1102 1378 1653 1929 2755
Bruto-opbrengst (theore-tische opbrengst - braak) 826,5 1653,0 2066,3 2479,5 3306,0 4132,5 4959,0 5785,5 8265,0
Zaaigoed 160 320 400 480 640 800 960 1120 1600
Tiende 75,1 150,3 187,8 225,4 300,5 375,7 450,8 526,0 751,4
Molster 24,6 49,3 61,6 73,9 98,6 123,2 147,8 172,5 246,4
Cijns 12,8 25,6 32,0 38,4 51,3 64,1 76,9 89,7 128,1
Beden 12,8 25,7 32,1 38,5 51 64,2 77 89,9 128,5
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 125,4 250,9 313,6 376,3 501,8 627,2 752,6 878,1 1254,4
Netto-opbrengst (bruto-opbrengst - zaaigoed - lasten) 541,1 1082,1 1352,7 1623,2 2164,2 2705,3 3246,4 3787,4 5410,6
Verhouding netto/bruto-opbrengst 65,5% 65,5% 65,5% 65,5% 65,5% 65,5% 65,5% 65,5% 65,5%
Verhouding lasten/(bruto-opbrengst - zaaizaad) 18,8% 18,8% 18,8% 18,8% 18,8% 18,8% 18,8% 18,8% 18,8%
Graantekort of overschot -858,94 -317,88 -47,35 223,19 764,25 955,81 1496,87 2037,93 3661,12
Aankoop of verkoop van graan (Brabantse groten) -422,31 -156,29 -23,28 109,73 375,75 469,94 735,96 1001,98 1800,04
Dagen loonarbeid (tegen 5 Brabantse groten/dag) 84,5 31,3 4,7 21,9 75,2 94,0 147,2 200,4 360,0
1481 (-52%)
Theoretische opbrengst (-52%) 696 1392 1740 2088 2784 3480 4176 4872 6960
Braak (-25%) 174,0 348 435 522 696 870 1044 1218 1740
Bruto-opbrengst (theore-tische opbrengst - braak) 522,0 1044,0 1305,0 1566,0 2088,0 2610,0 3132,0 3654,0 5220,0
1 ha 2 ha 2,5 ha 3 ha 4 ha 5 ha 6 ha 7 ha 10 ha
Zaaigoed 160 320 400 480 640 800 960 1120 1600
Tiende 47,5 94,9 118,6 142,4 189,8 237,3 284,7 332,2 474,5
Molster 13,1 26,2 32,8 39,3 52,4 65,5 78,6 91,7 131,1
Cijns 7,43 14,9 18,6 22,3 29,7 37,2 44,6 52,0 74,3
Beden 6,6 13,3 16,6 19,9 27 33,1 40 46,4 66,3
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 74,6 149,2 186,6 223,9 298,5 373,1 447,7 522,4 746,2
Netto-opbrengst (bruto-opbrengst - zaaigoed - lasten) 287,4 574,8 718,4 862,1 1149,5 1436,9 1724,3 2011,6 2873,8
Verhouding netto/bruto-opbrengst 55,1% 55,1% 55,1% 55,1% 55,1% 55,1% 55,1% 55,1% 55,1%
Verhouding lasten/(bruto-opbrengst - zaaizaad) 20,6% 20,6% 20,6% 20,6% 20,6% 20,6% 20,6% 20,6% 20,6%
Graantekort of overschot -1112,62 -825,24 -681,56 -537,87 -250,49 -312,61 -25,23 262,14 1124,28
Aankoop of verkoop van graan (Brabantse groten) -943,17 -699,56 -577,75 -455,95 -212,34 -265,00 -21,39 222,22 953,05
Dagen loonarbeid (tegen 5 Brabantse groten/dag) 188,6 139,9 115,6 91,2 42,5 53,0 4,3 44,4 190,6
1482 (-1%)
Theoretische opbrengst (-1%) 1435,5 2871 3588,75 4306,5 5742 7177,5 8613 10048,5 14355
Braak (-25%) 358,9 717,75 897 1077 1436 1794 2153 2512 3589
Bruto-opbrengst (theore-tische opbrengst - braak) 1076,6 2153,3 2691,6 3229,9 4306,5 5383,1 6459,8 7536,4 10766,3
Zaaigoed 160 320 400 480 640 800 960 1120 1600
Tiende 97,9 195,8 244,7 293,6 391,5 489,4 587,3 685,1 978,8
Molster 34,1 68,2 85,3 102,3 136,5 170,6 204,7 238,8 341,1
Cijns 5,2 10,3 12,9 15,5 20,6 25,8 31,0 36,1 51,6
Beden 0,8 1,5 1,9 2,3 3 3,8 5 5,3 7,5
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 137,9 275,8 344,8 413,7 551,6 689,5 827,4 965,3 1379,0
Netto-opbrengst (bruto-opbrengst - zaaigoed - lasten) 778,7 1557,4 1946,8 2336,2 3114,9 3893,6 4672,3 5451,1 7787,2
Verhouding netto/bruto-opbrengst 72,3% 72,3% 72,3% 72,3% 72,3% 72,3% 72,3% 72,3% 72,3%
1 ha 2 ha 2,5 ha 3 ha 4 ha 5 ha 6 ha 7 ha 10 ha
Verhouding lasten/(bruto-opbrengst - zaaizaad) 15,0% 15,0% 15,0% 15,0% 15,0% 15,0% 15,0% 15,0% 15,0%
Graantekort of overschot -621,28 157,45 546,81 936,17 1714,89 2144,12 2922,84 3701,56 6037,73
Aankoop of verkoop van graan (Brabantse groten) -758,38 192,19 667,48 1142,77 2093,34 2617,29 3567,86 4518,44 7370,16
Dagen loonarbeid (tegen 5 Brabantse groten/dag) 151,7 38,4 133,5 228,6 418,7 523,5 713,6 903,7 1474,0
1483 (+8%)
Theoretische opbrengst (+8%) 1566,0 3132 3915 4698 6264 7830 9396 10962 15660
Braak (-25%) 391,5 783 979 1175 1566 1958 2349 2741 3915
Bruto-opbrengst (theore-tische opbrengst - braak) 1174,5 2349,0 2936,3 3523,5 4698,0 5872,5 7047,0 8221,5 11745,0
Zaaigoed 160 320 400 480 640 800 960 1120 1600
Tiende 106,8 213,5 266,9 320,3 427,1 533,9 640,6 747,4 1067,7
Molster 37,8 75,6 94,6 113,5 151,3 189,1 226,9 264,8 378,2
Cijns 13,8 27,5 34,4 41,3 55,1 68,8 82,6 96,3 137,6
Beden 13,4 26,8 33,5 40,2 54 67,0 80 93,8 134,0
Lasten (tiende + molster + cijns + beden) 171,8 343,5 429,4 515,3 687,0 858,8 1030,6 1202,3 1717,6
Netto-opbrengst (bruto-opbrengst - zaaigoed - lasten) 842,7 1685,5 2106,9 2528,2 3371,0 4213,7 5056,4 5899,2 8427,4
Verhouding netto/bruto-opbrengst 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8% 71,8%
Verhouding lasten/(bruto-opbrengst - zaaizaad) 16,9% 16,9% 16,9% 16,9% 16,9% 16,9% 16,9% 16,9% 16,9%
Graantekort of overschot -557,26 285,48 706,85 1128,22 1970,96 2464,20 3306,94 4149,68 6677,90
Aankoop of verkoop van graan (Brabantse groten) -255,1 130,7 323,6 516,5 902,2 1128,0 1513,8 1899,5 3056,9
Dagen loonarbeid (tegen 5 Brabantse groten/dag) 51,0 26,1 64,7 103,3 180,4 225,6 302,8 379,9 611,4

* Tot en met vier hectare wordt uitgegaan van een gezin met drie kinderen. Gezinnen met meer dan vier hectare landbouwgrond hadden gemiddeld vier en half aantal kinderen.

---