Inleiding

Op zondag 17 januari 1659 werd ‘Francycks van Angola vendrick van Brasil de man van Sesijelij Krableije [wonende] op de Breestraat in de Marcussteegh onder de Engel’ begraven op de Amsterdamse St. Anthoniesbegraafplaats.1 Francycks, of Fransisco d’ Angola, zoals hij in de administratie van de West-Indische Compagnie (WIC) genoemd werd, had enkele jaren als vaandrig van een ‘compagnie van negros’ aan de kant van de Republiek in Nederlands-Brazilië tegen de Portugezen gevochten.2 Francisco was een van de Afrikanen die zich gedurende de zeventiende eeuw permanent of tijdelijk in Amsterdam vestigden. Velen van hen hadden net als Francisco een loopbaan achter de rug in dienst van de WIC.

Amsterdam was in de zeventiende eeuw een migrantenstad bij uitstek, met een grote maritieme arbeidsmarkt. De stad groeide van ongeveer 30.000 inwoners in 1585 naar circa 200.000 in 1670. Die groei is vrijwel geheel op het conto van de immigratie te schrijven.3 De immigratie in de Republiek en Amsterdam in de zeventiende eeuw is uitvoerig onderzocht, maar overwegend vanuit een Europees perspectief. In eerste instantie ging de belangstelling uit naar de immigratie van (religieuze) vluchtelingen en migranten uit de Zuidelijke Nederlanden, Sefardische joden en hugenoten.4 Later is daar het onderzoek naar de veel omvangrijkere arbeidsmigratie uit Baltische, Duitse, Deense, Noorse en binnenlandse regio’s aan toegevoegd.5 De laatste jaren is belangrijk onderzoek gedaan naar het bestaan van maritieme gemeenschappen, in het bijzonder naar Noorse zeelieden in zeventiende-eeuws Amsterdam en de rol van familie in maritieme gemeenschappen in de Republiek.6

Tegelijkertijd werd Amsterdam in de zeventiende eeuw het centrum van een koloniaal wereldrijk. Door opeenvolgende veroveringen van de VOC en de WIC in Afrika, Amerika en Azië werden de Republiek en Amsterdam in het bijzonder het middelpunt in een netwerk van lange-­afstandsconnecties.7 De confrontatie met Afrikanen, Aziaten en Amerikanen leidde vanaf het begin van de zeventiende eeuw niet alleen tot Europese migratie naar Azië en het Atlantisch gebied, maar ook tot de komst van mensen uit deze gebieden naar de metropool Amsterdam.8 Dat vanaf het begin van zeventiende eeuw mensen uit deze gebieden naar de Republiek kwamen is bekend, maar systematisch onderzoek naar vestigingspatronen en gemeenschapsvorming is nog niet gedaan.9 Recent is wel meer aandacht gekomen voor niet-Europeanen in de overzeese delen van het Nederlandse koloniale wereldrijk, zoals de Aziatische zeelieden en slaven in de VOC-gebieden in Azië, of vrije niet-witte bevolkingsgroepen op Curaçao.10 Dergelijke studies laten niet alleen zien hoezeer de Nederlandse koloniale samenlevingen naast slavernij, dwang en segregatie werden gekenmerkt door diversiteit en interactie, maar leiden ook tot de vraag wat daarvan de effecten zijn geweest op de Republiek.11

De interesse voor de aanwezigheid van Afrikanen in vroegmodern Europa is de laatste jaren toegenomen, niet alleen onder historici maar ook onder de nakomelingen van postkoloniale migrantengroepen. Een aantal recente studies toont de aanwezigheid van Afrikaanse migranten aan in Engeland en andere delen van West-Europa.12 Miranda Kaufman heeft een reconstructie gemaakt van de levens van een aantal vrije zwarte mannen en vrouwen in Engeland, waaronder muzikanten en zeemannen. De meeste van deze black Tudors lijken weinig contact te hebben gehad met andere mensen van Afrikaanse afkomst. Als deze mensen al trouwden, deden zij dat overwegend met witte Britten.13 David Olusoga concludeert dat er te weinig black Tudors waren om te spreken van een zwarte gemeenschap.14

In Nederland is een beperkt aantal studies verschenen naar de aanwezigheid van mensen met een Afrikaanse achtergrond in Amsterdam en de Republiek. De studie van Buve uit 1963 beperkte zich tot jaren dertig en veertig van de achttiende eeuw, maar suggereerde dat gedurende deze eeuw honderden tot slaaf gemaakte en vrije zwarten vanuit Suriname naar Amsterdam overgekomen waren.15 In de jaren tachtig verscheen met het overzichtswerk In het land van de overheerser, een meer omvattende poging om de levens van koloniale onderdanen in de Republiek in kaart te brengen. In haar onderzoek naar Curaçaoënaars behandelt Emy Maduro ook enkele notariële akten over de aanwezigheid van vrije en tot slaaf gemaakte ‘swarten en swartinnen’ in Amsterdam.16 Het hoofdstuk van Gert Oostindie over Surinamers in Nederland bevat eveneens verwijzingen naar hun aanwezigheid in late zeventiende eeuw, maar richt zich met name op de ‘gedwongen overtocht’ naar de Republiek en besteedt vooral aandacht aan de achttiende en negentiende eeuw.17 Ook latere overzichtsstudies hebben weinig systematisch onderzoek naar de zeventiende eeuw verricht.18

De studie van Lydia Hagoort uit 2005 naar de Portugees-Joodse begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel laat de aanwezigheid zien van Afrikanen en Afro-Europeanen (‘mulatten’) in de Amsterdamse Sefardische gemeenschap. Haar studie bestudeert zwarte bedienden als onderdeel van de Sefardische gemeenschap, en geeft voorbeelden van uitkeringen aan zwarten en mulatten door de Portugees-Joodse armenzorg.19 De studie van Esther Schreuder naar de levens van Cupido en Sideron beziet de aanwezigheid van zwarte bedienden aan het hof van Oranje in de zeventiende en vooral achttiende eeuw.20 Uit deze studies blijkt dat vanaf de zeventiende eeuw vrijwel continu mensen van Afrikaanse afkomst in de Republiek aanwezig waren, vaak mensen die in slavernij verkeerden.

Het onderzoek naar de vroege geschiedenis van de zwarte gemeenschap in Nederland en Amsterdam in het bijzonder staat nog in de kinderschoenen. In 2008 constateerde Dienke Hondius dat ‘the first explorations of Amsterdam city’s notarial records show that there is potential for much more knowledge about seventeenth-century black Dutch lives’.21 Dit heeft vooralsnog niet geleid tot meer systematisch onderzoek. De oproep van Hondius was gericht op meer ‘comparative research efforts in economic, demographic, religious, legal, and ­social records in Amsterdam and in other European cities’ om zodoende ‘a more complete and more complex history of Early Modern Europe’ te reconstrueren.22 Dit is voor het Nederlandse onderzoek een relevante weg voorwaarts, des te meer omdat de bestaande literatuur wordt gekenmerkt door twee opvallende karakteristieken. Ten eerste zijn studies vaak anekdotisch en leggen ze de nadruk op de levens en voorvallen van individuen. Ten tweede zijn discriminatie en vooral slavernij de dominante onderzoeksperspectieven geweest.

De aanwezigheid van vrije Afrikanen wordt erkend, maar slavernij is het dominante kader waarbinnen deze individuen geportretteerd en geïnterpreteerd worden.23 Dat is begrijpelijk vanwege de grote rol die slavernij speelde in het vroegmoderne Nederlandse wereldrijk, en vanwege het grote aandeel van mensen die als slaaf werden meegevoerd in verhouding tot de gehele bevolking van Afrikaanse en Atlantische afkomst in Amsterdam. In het midden van de zeventiende eeuw was de Republiek voor korte tijd zelfs de grootste slavenhandelaarsnatie van de wereld. Slavernij was in Amsterdam niet toegestaan,24 maar kwam in de Republiek en Amsterdam wel degelijk voor.25 Hoewel directe aanwijzingen voor de vrije of onvrije status van Afrikanen die in Amsterdam trouwden voor dit onderzoek ontbraken, zullen zowel vrije zwarten als meegevoerde slaven de implicaties van dit spanningsveld in het dagelijks leven hebben gevoeld.26 Het is dan ook belangrijk om de vroegmoderne geschiedenis van mensen van Afro-Atlantische afkomst niet alleen te beperken tot ‘individuele’, mondiale levens of tot het vraagstuk van slavernij in de Republiek, maar juist te bezien in het licht van de (gezamenlijke) levens die zij in de Republiek opbouwden, de contacten die ze legden en de gemeenschappen waar zij deel van uitmaakten.

Dit artikel werpt nieuw licht op de aanwezigheid en gemeenschapsvorming van mensen van Afro-Atlantische afkomst in Amsterdam. Afro-­Atlantisch, omdat zij afkomstig waren uit de hele ‘Atlantic’, van het vaste land in Afrika, zoals Angola en Congo, van eilanden als Sint Jago (Cabo Verde) en Sao Tomé, uit Brazilië en het Caribisch gebied. Deze studie laat zien dat al vroeg in de zeventiende eeuw sprake was van een kleine, maar significante groep immigranten van oorspronkelijk (deels) Afrikaanse afkomst in Amsterdam. Het is een microstudie van een migrantengroep waarvan de komst nauw samenhing met de strijd tussen Portugal en de Republiek om het Atlantische gebied in deze periode.27 Juist door de bescheiden omvang van de groep is het mogelijk om de gemeenschap gedetailleerd in kaart te brengen en het leven van deze groep in enige mate te reconstrueren.

Op basis van de Amsterdamse ondertrouw- en doopregisters en notariële archieven zijn niet alleen ongeveer tweehonderd individuen geïdentificeerd, maar konden hun beroepen, woonplaats en de onderlinge contacten in kaart worden gebracht. Het beschikbare onderzoeksmateriaal laat zien dat de migratiestroom van mensen van Afro-Atlantische herkomst meer was dan enkel een reeks geïsoleerde individuen of een neveneffect van Nederlandse slavernijverleden. Dit artikel onderzoekt hoe deze mensen hun levens in Amsterdam wisten vorm te geven, welke contacten en netwerken zij opbouwden, en in welke mate (en hoe) daarbij eigen gemeenschappen werden gevormd.

Met deze gegevens kan onderzocht worden of er sprake was van lokale gemeenschapsvorming. De aandacht van historici is vaak uitgegaan naar nationale, stedelijke en andere door overheden of andere autoriteiten gedefinieerde en geconstrueerde gemeenschappen.28 Naar informele gemeenschapsvorming door migranten in de vroegmoderne periode is minder onderzoek gedaan.29 Weliswaar is veel onderzoek gedaan naar het verschijnsel van kettingmigratie, maar daarin staan vaak de (richting van) migratiebewegingen en de invloed daarop van bestaande contacten centraal – niet de wijze waarop deze gemeenschappen gevormd worden. In hun studie naar Schotse migrantengemeenschappen maken Grosjean en Murdoch onderscheid tussen drie typen migrantengemeenschappen: i) ‘the “unbound” communities of mind and interest’, zoals die gevormd werden door vluchtelingen, ii) doelbewust geplande gemeenschappen als ‘colonies and plantations’, en iii) ‘bounded’, ‘spatially located’ gemeenschappen die niet ontstaan zijn door geregisseerde kolonisatiepogingen, maar door sociale netwerken en kettingmigratie.30 Voor dit onderzoek is deze derde vorm van gemeenschapsvorming relevant. In hun studie naar Noorse immigranten in Amsterdam benoemen Sølvi Sogner en Jelle van Lottum drie criteria aan de hand waarvan vastgesteld kan worden in welke mate sprake is van deze vorm van gemeenschapsvorming: een (1) gedeelde beroepsgroep, (2) gedeelde woonomgeving (buurt), en (3) gedeelde religieuze en culturele praktijk.31

Dit artikel onderzoekt de levens van en de gemeenschapsvorming door mensen van Afro-Atlantische herkomst in Amsterdam aan de hand van deze aspecten. Na een bespreking van het gebruikte bronnenmateriaal zal eerst de periodisering van de Afrikaanse migratie naar Amsterdam, die herleidbaar is uit de ondertrouwregisters, uiteengezet worden. Daarna wordt eerst gekeken naar het werk van deze migranten en of daaruit gedeelde netwerken en beroepsgroepen spreken – met in het bijzonder aandacht voor het maritieme karakter van het werk van veel van deze migranten en de economische rol van vrouwen. Vervolgens worden (eventuele concentraties in) de woonomgevingen van deze migranten in Amsterdam in kaart gebracht. Ten slotte wordt aandacht besteed aan socio-culturele elementen van gemeenschapsvorming aan de hand van de centrale rol die vrouwen in deze informele netwerken speelden en een verkenning van de (zeer fluïde) culturele en religieuze identiteiten binnen deze gemeenschap.

Ondertrouw en doopregisters als bronnen

De Amsterdamse ondertrouwregisters vormen de basis voor dit onderzoek. De ondertrouwregisters zijn de enige systematisch bewaarde bron voor bevolkingsonderzoek in vroegmodern Amsterdam, en bevatten alle geregistreerde huwelijken van 1565 tot 1811.32 Ondertrouwregisters bieden weliswaar geen totaaloverzicht van de bevolking; een groot deel van de Amsterdamse immigranten huwde niet, of elders. Het is de enige bron waarin consequent de herkomst van huwelijkskandidaten is genoteerd. Het bevat tevens informatie over beroep, leeftijd, adres, en namen van getuigen of soms ouders. Naast de digitale index op de ondertrouwregisters is gebruikgemaakt van een kaartsysteem waarmee de ondertrouwregisters op herkomst van de huwelijkskandidaten is ontsloten.33 Hierdoor hebben we een vrijwel volledig overzicht van de Afrikanen en Afro-Brazilianen die in Amsterdam trouwden. Het totale aantal Afrikanen dat in de zeventiende eeuw in Amsterdam woonde, zal waarschijnlijk een stuk hoger hebben gelegen, omdat heel wat Afrikanen slechts tijdelijk verbleven in de stad of er niet huwden.34

Aan de hand van de gevonden namen, is verder onderzoek verricht in doopregisters, begraafregisters, confessieboeken en notariële archieven. Door de beperkte ontsluiting is dat vooral gebaseerd op het principe van ‘systematische serendipiteit’, met name grote hoeveelheden ‘toevallige’ vondsten dankzij het doornemen van duizenden akten en met de hulp van collega’s.35 De doopregisters zijn vooral van belang vanwege het noemen van peetouders en/of getuigen bij doop. De begraafregisters bevatten adressen en soms familierelaties van de overledenen. Beide registers zijn op naam doorzoekbaar, hoewel de vermeldingen in de doopregisters niet uniform zijn, zoals bij de ondertrouwregisters. Met behulp van de getuigen bij ondertrouw en doop kunnen netwerken gereconstrueerd worden van mensen die nauw met elkaar in contact stonden.36 Ook notariële bronnen, waarin verschillende actoren in een akte optreden, laten zien hoe mensen onderlinge relaties aangingen. Zwarte zeemannen die voor elkaar als getuige optreden, elkaar benoemen in een testament of attestaties waaruit gezamenlijke handelingen blijken.

In de ondertrouwregisters en aanvullende bronnen is gezocht naar mensen op basis van hun geboorteplaats, en in tweede instantie op indicaties van kleur die in de bronnen zijn opgenomen. Vaak, maar lang niet altijd, wordt in deze bronnen vermeld of iemand ‘zwart’ is. Daarvoor worden naast de termen swart en swartin ook de termen nigri, negro, moor en moriaan gebruikt. Dit zijn subjectieve begrippen, die uiteraard vooral laten zien dat de personen in kwestie ‘zwart’ waren in de ogen van degene die de akte opmaakte. ‘Swart’ wordt in de bronnen zowel voor Afrikanen als Aziaten gebruikt. Een ‘moor’ kan iemand uit Sub-Sahara-­Afrika zijn, maar kan ook afkomstig zijn uit Noord-Afrika of Azië. In veel gevallen wordt kleur niet benoemd en blijkt de Afrikaanse afkomst alleen uit de herkomst. In de lopende tekst in dit artikel worden zowel herkomst als eventuele aanduidingen van kleur genoemd.

Zwart in Amsterdam – een periodisering

Aan het eind van de zestiende eeuw werden de Zeeuwen en Hollanders actief in het Atlantisch gebied, zowel langs de kusten van Afrika als in Amerika.37 Tegelijkertijd vestigden zich in deze periode de eerste Sefardische immigranten in Amsterdam. Zij namen soms zwarte bedienden mee. Daarnaast waren ook joden van gemengd Europese en Afrikaanse afkomst aanwezig in de stad.38 Het is tegen deze achtergrond dat steeds meer mensen van Afrikaanse afkomst in Amsterdam terecht kwamen, waarvan enkelen in het huwelijk traden.

Op 2 januari 1593 ging de 29-jarige verversgezel Bastiaan Pietersz van Maniconge in Afryken in ondertrouw met Trijntje Pieters van Amsterdam. Hij was zeer waarschijnlijk de eerste in Afrika geboren zwarte man die in Amsterdam in het huwelijk trad. Zestien maanden later werd hun dochtertje Madelen gedoopt in de Nieuwe Kerk.39 Ruim tien jaar later, op 20 mei 1604, werd in diezelfde Nieuwe Kerk ‘Abdon een swarte Mooriaen out 22 jaer’ gedoopt. Deze Abdon de Kuiper kocht nog datzelfde jaar poorterrechten van de stad Amsterdam, en trouwde in 1605 met Aeltje Gerrits van Wezel.40 Bijna tien jaar later, in 1613 huwde de Kaapverdiaanse plateelbakker Gasper Pieters met Bruintje Bruinen uit Oldemark (in Overijssel) en in 1615 trouwde Francisco de Mendoza, eveneens van Kaapverdië, met Trijntje Heijnrix.

De eerste huwelijken waren dus overwegend gemengd. Toch vond al op 7 mei 1616 het huwelijk plaats tussen Bastiaan Jans en Lijsbeth Jans van Angola, waarschijnlijk het eerste huwelijk tussen twee Afrikanen in Amsterdam.41 Op 16 juli 1618 staat in het doopregister van de Nieuwe Kerk het kind Jenneken vermeld van wie de ouders Franciscus en Marij ‘bey moren’ waren. Het is onduidelijk of zij in Amsterdam getrouwd waren.42 In de jaren 1620 is slechts één huwelijk gevonden waarbij één van de partners een duidelijk Afrikaanse herkomst had, namelijk het huwelijk in 1626 van Anthony Manuel van Malacken met de Kaapverdiaanse Clara Dirks, nigri. Met dit huwelijk kwamen drie continenten – Afrika, Azië en Europa – samen.43

Tot 1630 is het aantal huwelijken in Amsterdam waarbij tenminste een van de partners van Afrikaanse afkomst is klein. Andere bronnen laten zien dat de daadwerkelijke aanwezigheid van vrije en tot slaaf gemaakte Afrikanen in deze periode al een stuk groter moet zijn geweest. Zo brachten bovenstaande Anthony Manuel en Clara Dirks bij de doop van hun dochter in 1627 twee Afrikaanse getuigen mee, Bastejaen Jansz van Angola en Hester van Capo Verde; ‘alle swarte ook t kind’, werd in het doopboek genoteerd.44

De aanwezigheid van mensen van Afro-Atlantische achtergrond in Amsterdam groeide in gelijke tred met de koloniale expansie van de Republiek in het Atlantisch gebied, en in het bijzonder met de grote veroveringen (en latere verliezen) in Brazilië en op de kust van Afrika.45 In de ondertrouwregisters is een duidelijke toename merkbaar die samenvalt met dit ‘Dutch Moment in the Atlantic’ vanaf het begin van de jaren 1630. Tussen 1630 en 1655 werden in totaal 43 huwelijken geslo-

  

Grafiek 1 Gemengde en Afrikaanse huwelijken in Amsterdam 1600-1699 Bron: Database gebaseerd op 58 huwelijken tussen 1600-1699. Stadsarchief Amsterdam, Toegang op meerlingen, herkomstplaatsen en beroepen in de DTB; Stadsarchief Amsterdam, DTB, digitale index op de ondertrouwregisters. 

ten met tenminste één Afrikaanse huwelijkspartner. De eerste piek in de jaren dertig laat een belangrijke verschuiving zien. Terwijl tot 1630 slechts sporadisch huwelijken voorkomen waarbij beide partners van Afrikaanse afkomst waren, neemt dat aantal de overhand na de veroveringen in Brazilië in 1630. Het aantal huwelijken was in deze periode weliswaar klein, maar niet verwaarloosbaar. De dertien huwelijken die van 1630 tot en met 1639 werden gesloten tussen partners met Afrikaanse, Afro-Braziliaanse of Afro-Caribische herkomst, zijn goed voor ongeveer 1 op 1500 huwelijken die in deze periode in Amsterdam werden gesloten.46 Een tweede piek van huwelijken is zichtbaar na de herovering van Brazilië door de Portugezen in 1654. In de jaren 1650 werden zestien huwelijken gesloten, in de jaren 1660 tien. De meeste huwelijken werden gesloten tussen 1656 en 1661. De zeventien Afrikaanse huwelijken die in die periode werden voltrokken stonden op dat moment gelijk aan 1 op 912 gesloten huwelijken in Amsterdam.47

Na 1665 gingen de ontwikkelingen in het Nederlands-Atlantisch gebied onverminderd door met de verovering van Suriname en het verlies van Nieuw-Amsterdam. In tegenstelling tot het verlies van Brazilië kwam rond het verlies van de relatief kleine kolonie Nieuw-Amsterdam geen grote emigratie van kolonisten op gang. Vanuit Suriname vestigden zich vanaf het derde kwart van de zeventiende eeuw wel in toenemende mate zwarte bedienden in de stad, die tijdelijk of permanent meeverhuisden met planters of handelaren.48 Maar het aantal huwelijken van zwarte Amsterdammers nam na 1665 sterk af. Tussen 1650 en 1665 trouwden er nog 23 paren, maar tussen1665 en1680 slechts zeven. Vanaf 1680 vonden nog huwelijken plaats met mannen van Afrikaanse herkomst, maar het ging dan vooral om gemengde huwelijken met Europese vrouwen. Het is goed mogelijk dat in de late zeventiende eeuw ‘tweede generatie’-huwelijken werden gesloten. Door de manier van registreren, zijn deze echter vrijwel niet terug te vinden, omdat het nu om geboren Amsterdammers ging.

Een maritieme gemeenschap

De zwarte gemeenschap in zeventiende-eeuws Amsterdam had een sterk maritiem karakter. Van de 46 mannelijke huwelijkskandidaten (op een totaal van 63), die in de ondertrouwregisters een beroep opgaven, waren 32 varensgezel of varensman. Tien mannen gaven een beroep als arbeider of gezel in een ambacht op, vier waren (losse) arbeider en twee soldaat. Veel van deze zwarte varensgezellen en soldaten waren in dienst van de West-Indische Compagnie. Anthony Fernandes van Angola werkte in Brazilië in dienst van de WIC. In 1645 kwam hij in Amsterdam toe met het schip De Blauwe Haan; enkele maanden later vertrok hij met de Ilias.49 Antonio Manuel was bosschieter op een Braziliëvaarder; Dominicus Dominicusz van Angola was trompetter op het schip De Waeckende Boey (1639) en Jacob Claesz Moor van Angola bootgezel op WIC-schip de Hollandia (1640).50

Tabel 1 Beroepen van Afrikaanse mannen bij ondertrouw in Amsterdam, 1600-1699 (n = 65)

Varensgezel 32
Arbeider 4
Soldaat 2
Ambachten* 10
Geen opgave 17

Bron: Database gebaseerd op 65 huwelijken tussen 1600-1699. Stadsarchief Amsterdam, Toegang op meerlingen, herkomstplaatsen en beroepen in de DTB; Stadsarchief Amsterdam, DTB, digitale index op de ondertrouwregisters.

* Bevat onder meer: kuijper, lakenwerker, snijdersgezel, lijndraaier, plateelbakker, tabakspinner, droogscheerder, verversgezel.

In de ‘Minuten der opgemaakte rekeningen van Staatenvolk’ dat voor de WIC in Brazilië diende, zijn enkele Afrikanen opgenomen en mogelijk ook enkele Afro-Brazilianen, zoals de soldaten Juse d’Angola en Ventura d’Brasil.51 Het gaat hier niet enkel om de lagere rangen, zoals het voorbeeld van de vaandrig Fransisco d’Angola liet zien. Niet alleen de WIC, maar ook de Admiraliteit en VOC namen Afrikanen in dienst. Manuel en Bastiaan Ferdinando van São Tomé waren in 1656 in dienst bij de Admiraliteit van Amsterdam, zoals ook Willem Jorise van Angola.52 Anthonie de Liefde van Elmina was in 1674 bootsgezel op het VOC-schip De Hollandse Tuin dat voor de kamer van Amsterdam van Goeree naar Batavia voer.53 Op 2 mei 1700 vertrok Frans Martijn als kok met het Amsterdamse VOC-schip de Generale Vreede naar Batavia. Het was zeker niet de eerste grote reis van deze Afrikaanse Amsterdammer; bij zijn huwelijk in 1679 met Maria du Pas uit Cabo Verde gaf hij ook al aan varensgezel te zijn. Het zou wel zijn laatste reis worden, want de kok van de Generale Vreede, geboren in Angola, overleed op 5 september 1700 op ongeveer 45-jarige leeftijd in het hospitaal van Kaap de Goede Hoop.54 Ook voor de mulat Francas de la Mot eindigde de carrière op zee in Afrika. Hij overleed ‘in ’t land van Senegalen’. Francas liet in Amsterdam twee kinderen na, zo blijkt uit een verklaring van zijn weduwe bij de weeskamer in Amsterdam op 1 augustus 1656.55

In werkelijkheid was het maritieme karakter van de zwarte gemeenschap in Amsterdam nog groter dan uit de ondertrouwregisters blijkt. Ook veel mensen die bij ondertrouw een ander beroep opgaven, waren later op zee te vinden. Een voorbeeld daarvan was Fransis Thomas uit Sierre Leone, die bij zijn huwelijk in 1698 met de Amsterdamse Trijntje Hendricx aangaf droogscheerder te zijn, maar uiteindelijk in 1710 zou overlijden in Azië in dienst van de VOC.56 Bovendien huwden de meeste zwarte zeemannen die in Amsterdam kwamen wellicht nooit, of verbleven daarvoor te kort in de stad. Dit betekent niet dat zwarte zeelieden geen langdurige band met de stad hadden. Sommigen lijken zich juist voor langere tijd in Amsterdam te vestigen, zoals Pieter Claesz Bruin van Brazilië, die jarenlang in dienst van WIC werkte en regelmatig in Amsterdam aanwezig was. Op 23 maart 1640 stond hij op het punt om als bosschieter met het jacht Goeree te vertrekken, vier jaar later vertrok hij opnieuw ditmaal met het schip Mauritius. In deze jaren verbleef hij bij logementen in het westen van de stad en niet bij mensen uit de zwarte gemeenschap. In november 1649 ging hij in ondertrouw met Lijsbeth Pieters van Angola, waarschijnlijk ging hij bij haar wonen in de Breestraat. Of hij daarna opnieuw het ruime sop koos of in Amsterdam bleef, is niet duidelijk. Zeker is dat hij in 1659 in Amsterdam was. In augustus en oktober was hij getuige bij dopen in het huis Moyses en in december bij het huwelijk van Anthoni Rodrigues van Sao Tomé met Laurenza Rodrigues van Angola.57 Ook andere zeemannen keerden steeds terug naar Amsterdam, zoals Manuel en Bastiaan Ferdinando van het Afrikaanse eiland Sao Tomé die bij de Sint Antoniespoort woonden. Zij traden in april 1656 als bootgezellen samen in dienst van de Amsterdamse admiraliteit. Een jaar later trouwde Bastiaan in Amsterdam met Maria van Angola en werd hun dochtertje Lucia gedoopt in het huis Mozes, met Lijsbeth Pieters als peetmoeder.

De ondertrouwregisters vermelden geen beroepen van vrouwen, maar uit schaarse gegevens in andere bronnen blijkt dat zwarte vrouwen ondermeer als dienstbode werkten.58 Op 14 maart 1622 machtigde de 27 jaar oude Marguerita Fonço ‘moca negra’ (zwart meisje) de Portugese koopmannen Sebastiao Rodrigues de Ciao en Francesco de Caceres om haar salaris op te eisen uit de erfenis van Felipa de Sá, waar ze zes jaar had gewerkt.59 Uit de administratie van de Portugese Synagoge blijkt dat in de periode 1663-1670 twee gekleurde vrouwen betaald werden voor het schoonmaken van de vrouwengalerij van de synagoge.60 Dit waren typisch migrantenberoepen, maar waarschijnlijk kwamen de meeste zwarte vrouwen al als bedienden de stad binnen. Veel van hen verkeerden in slavernij voordat zij naar Amsterdam kwamen. Zo kwam Marietje de Cos van Angola, die in 1652 trouwde met Jan Noenes van Congo, met Mozes Navarro mee uit Brazilië, die niet lang daarvoor uit Brazilië naar Amsterdam was gekomen.61

Waarschijnlijk werd een aanzienlijk deel van de zwarte vrouwen (en mannen) die naar Amsterdam waren gebracht in slavernij gehouden. In Amsterdam was slavernij niet toegestaan, maar het was aan degene die in slavernij gehouden werd om deze vrijheid op te eisen.62 Wat dat in de praktijk betekende, moet nog verder onderzocht worden. De bepaling was bij sommige mensen die in slavernij vanuit Brazilië naar Amsterdam werden meegenomen in ieder geval bekend, zoals bij Juliana, die in 1643 voor 525 gulden gekocht was door Eliau Burgos en vervolgens was meegereisd naar de Republiek. Toen Burgos in 1656 naar Barbados wilde vertrekken, weigerde Juliana mee te gaan omdat zij in Amsterdam vrij was.63

Sommige zwarte vrouwen werden ondersteund door de protestantse diaconie of de Portugese armenkas. In de administratie van de armenkas van de Portugees-Israëlitische gemeente bevinden zich in het midden van de zeventiende eeuw verschillende zwarte en gekleurde mensen.64 De administratie van de protestantse diaconie voor deze periode is niet bewaard gebleven. Uit de notulen van de kerkenraad van de Hervormde kerk blijkt dat zwarte vrouwen soms leefden van de bedeling, zoals de ‘swartinne’ Maria Gaij.65 De ‘swartin’ Francisca, zou volgens getuigen onder valse voorwendselen ‘aalmoessen uijt de kerck haelen’.66

Een belangrijke manier voor zeemansvrouwen om geld te verdienen, was het verhuren van bedden, vaak aan andere migranten of zeelieden. Zeer waarschijnlijk hield Francisca in haar kelder ook dit soort ‘slapers’.67 Op 30 augustus 1675 verklaren twee zwarte vrouwen, Eleonoor Koots en Elysabeth da Silva, dat zij onderdak hebben verleend aan Bennite Lala van São Tomé.68

Gedeelde woonomgeving

Het leven van de meeste zwarte Amsterdammers in de zeventiende eeuw speelde zich af in de buurt rond de huidige Jodenbreestraat, bij het Huiszittenhuis, het Turfhuis, het Leprosenhuis (zie kaart 1) en op de eilanden Vlooienburg en Marken. Hier leefden zowel zwarte bedienden, die met Sefardische migranten uit Portugal, Spanje en Brazilië in Amsterdam kwamen, als ook de meeste vrije Afrikanen. In deze buurt vestigden zich vanaf het eind van de zestiende eeuw Sefardische vluchtelingen naast andere immigranten. Zij namen zoals gezegd vrije en tot slaafgemaakte Afrikanen mee. Daarnaast was er een groep zwarte en gekleurde joden die onderdeel uitmaakte van de Sefardische gemeenschap. Dit vormde de basis voor de vestigingspatronen van de zwarte gemeenschappen van het zeventiende-eeuwse Amsterdam. Al in 1605 schreef de latere burgemeester van Harderwijck, Ernst Brinck, na een grandtour door de Lage Landen en Duitsland, over zijn bezoek Amsterdam: ‘In die breestrate wonen meest alle Portugijsen, sijnde meest Joden, hebbende oock in een huys haer vergadering. Vast alle hare dienstboden zijn slaven end moren.’69

In de ondertrouwregisters worden de verblijfadressen van de huwelijkskandidaten genoteerd, vaak een straat of een omschrijving van een locatie zoals ‘achter de Zuiderkerk’ of ‘aan de schans’. Ook in de begraafregisters zijn woonplaatsen van de overledenen opgenomen. Bij de dertien in de jaren 1630 gesloten huwelijken van mensen met een Afrikaanse achtergrond, gaven acht echtparen aan bij het Huiszittenhuis en het naastgelegen Turfpakhuis te wonen, tegenwoordig de Academie voor Bouwkunst op het Waterlooplein. Hier woonde ook de eerder genoemde bosschieter Antonio Manuel. Drie echtparen woonden bij het Leprozenhuis op de Breestraat, hier was waarschijnlijk ook de kelder van Francisca in 1632 te vinden. Eén echtpaar woonde aan het einde van de straat bij de Sint Anthoniespoort.70

  

Kaart 1 Amsterdam in de zeventiende eeuw Toegevoegde nummers: 1. Huiszittenhuis en turfpakhuizen 2. Leprozenhuis 3. Sint Antoniespoort 4. Pauwegang 5. Vlooienburg 6. Huis Moyses 7. Atelier Rembrandt 8. Ververstraat. Uitsnede en bewerking van ‘Amstelredamum emporium Hollandiae primarium totiusque Europae celeberrimum’, Balthasar Florisz Berckenrode, 1625 (bron: Collectie Stadsarchief Amsterdam).  

  

Illustratie 1 Detail uit ‘De Predikstoel en Binnen Transen’, Romeijn de Hooghe, 1675 (bron: Collectie Stadsarchief Amsterdam). 

In de jaren 1650-1670 woonden verreweg de meeste Afrikanen bij en rond de Sint Antoniespoort. Zestien huwelijkskandidaten gaven aan bij die poort te wonen en nog eens vijf net buiten de poort. Acht woonden in de (Joden) Houttuinen, wellicht in de Pauwegang waar onder meer Serafina en Tegracy Fonse gehuisvest waren,71 vier op Vlooienburg en nog eens vier in de Ververstraat. De overige huwelijkskandidaten woonden allemaal in dezelfde omgeving, op één echtpaar na, dat de Egelantierstraat in de Jordaan als woonplaats opgaf, niet toevallig een van de weinige gemengde huwelijken in deze periode.

De aanwezigheid van Afrikanen in Sefardische huishoudens in deze buurt, die Brinck in 1605 al constateerde, blijkt ook uit gegevens over begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel en de armenkas van de Portugees-Israëlitische Gemeente.72 Ook op verschillende prenten die Romeijn de Hooghe maakte van de Sefardische gemeenschap worden Afrikanen weergegeven. Op de prent ‘Hof van de E: Heer de Pinto’ op de Sint Anthoniesbreestraat staan twee zwarte figuren, de één opvallend in een mooi kostuum de tweede enigszins verborgen achter twee dames met laat zeventiende-eeuwse ‘fontangekapsels’.73 Minder bekend, maar zeker zo illustratief, is de prent van de preekstoel in de nieuwe Portugese synagoge (1675), met daarop rechts in de hoek twee witte mannen met een boek in de hand, achter hen een zwarte man zonder hoofddeksel (illustratie 1).74 Dit was ook de buurt waar Rembrandt zijn atelier had. In dat atelier in de Breestraat, nu het Rembrandthuis, tekende en schilderde hij verschillende Afrikanen, zoals op het schilderij van Twee Afrikanen dat in het Mauritshuis hangt (illustratie 2).75

In deze buurt was er sprake van twee, of misschien zelfs drie, naast elkaar en tegelijk bestaande groepen zwarte Amsterdammers. Ten eerste een maritieme gemeenschap die onderwerp van deze studie is. Daarnaast een groep zwarte bedienden uit Portugal, Spanje en Brazilië, waarvan de omvang veel lastiger te schatten is. Tot slot was er een groep mensen van gemengde afkomst binnen de Sefardische gemeenschap. Hoe de onder-

  

Illustratie 2 Twee Afrikaanse mannen, Rembrandt van Rijn, circa 1661 (bron: collectie Mauritshuis). 

linge verbanden waren, moet nader onderzocht worden, maar uit de voorbeelden van Daniel Belmonte en Marietje Cos blijkt dat zij er waren.

Afrikaanse netwerken, sterke vrouwen

De nieuwkomers van Afro-Atlantische herkomst van zeventiende-eeuws Amsterdam hadden tussen ruwweg 1625 en 1675 dus soortgelijke maritieme en dienende beroepen, woonden in dezelfde buurten en trouwden overwegend onderling. Uit de opgave van getuigen bij ondertrouw en doop kunnen netwerken worden gereconstrueerd. Daarmee worden een aantal sleutelfiguren binnen deze gemeenschap zichtbaar, die voor anderen uit het netwerk als getuigen optraden. Aan de hand van deze sleutelfiguren en op basis van een aantal notariële verklaringen krijgt men inzicht in de manier waarop de gemeenschap in de praktijk functio­neerde.

Uit de doopregisters blijkt bijvoorbeeld dat zich in de late jaren 1620 de contouren van een netwerk begonnen af te tekenen, met duidelijk herkenbare sleutelfiguren. Zo was Hester Jans van Capo Verde in 1627 getuige bij de doop van Clara, dochter van Anthony Manuel van Malac-

  

Illustratie 3 Getuigen en familierelaties in de Afrikaanse gemeenschap circa 1655. Bron: SAA DTB, inv. 467, 295; inv. 474, 393; inv. 475, 410; inv. 467, 295; inv. 468, 36; inv. 469, 482; inv. 472, 256; inv. 474, 393; inv. 475, 410; inv. 477, 110; inv. 477, 21; inv. 478, 139; inv. 478, 230; inv. 479, 278; inv. 479, 294; inv. 479, 350; inv. 449. 48; inv. 480, 319; inv. 480, 327.  

ken en Clara Dirck van Capo Verde.76 In 1631 was ze getuige bij de doop van Francois, zoon van tabakspinner Francois Anthoine van Congo en Lijsbeth Jans van Angola.77 En samen met Francois Antoine van Congo bij de doop van Hester in 1632, dochter van Francisco Farnandus van Angola en Anna Vaas van Capo Verde.78

Vanaf 1655 werden ook bij de meeste huwelijken de namen van getuigen geregistreerd. Hierdoor is het mogelijk een betere reconstructie te maken van de onderlinge verbanden tussen mensen van Afrikaanse afkomst in Amsterdam (zie illustratie 3). Bovendien zijn uit deze periode ook de Rooms-Katholieke dopen in het huis Moyses, de latere Moses en Aäronkerk, de katholieke huiskerk in het hart van de buurt waar de meeste Afrikaanse Amsterdammers woonden, bewaard. In deze periode, die valt vlak na de herovering van Brazilië door de Portugezen, is een groep van tenminste enkele tientallen mensen van Afrikaanse en Afro-Braziliaanse afkomst terug te vinden in de doop-, ondertrouwregisters en begraafregisters. In november 1649 trouwde de 44-jarige Braziliaanse zeeman Pieter Claesz Bruin met Lijsbeth Pieters van Angola.79 In mei 1655 volgde het huwelijk van Christoffel Dio80 met Catrina Christovi van Angola.81 In de jaren na zijn huwelijk was Christoffel getuige bij ten minste vijf Afrikaanse huwelijken, zoals dat van Serafina van Angola met de Braziliaan Pieter Bruin,82 van Bastiaan Ferdinando van São Tomé met Maria Bastiaans van Angola, en van Lowijs en Emanuel Alfonso met de Angolese vrouwen Esperance en Brancke. Serafina en Bastiaan Ferdinando waren op hun beurt de getuigen bij het huwelijk van Anthony van Angola en Leonora Fonceka.83

De kinderen uit deze huwelijken werden gedoopt in het huis Moyses. De dopen en de daarbij genoemde ouders en peetouders laten zien dat zwarte Amsterdammers als peetouders eveneens mensen van Afrikaanse afkomst kozen.84 Lijsbeth Pieters was getuige bij de doop van Lucia, dochter van Bastiaan Ferdinando en Maria, en ook van Nicolaas en Lucretia, de kinderen van Emanuel en Brancke Alfonse. Zeeman Pieter Claes Bruin was getuige bij de doop van Catarina, dochter van Lowys en Esperance Alfonso, die op dezelfde dag gedoopt werd als de bovengenoemde Nicolaas.85 Bastiaan Ferdinando was met Lucia Fernando getuige bij de doop van twee zwarte vrouwen van 22 en 24 jaar oud.86

Uit de reconstructie van de netwerken met behulp van ondertrouw- en doopregisters valt het op dat met name een aantal vrouwen een centrale rol speelden in de gemeenschap, zoals Hester Jans van Cabo Verde in de jaren 1625-1635 en Lijsbeth Pieters en Serafina in de jaren 1655-1665. Serafina was tot haar dood in februari 1662 tenminste vier maal doopgetuige van kinderen van Afro-Braziliaanse ouders in Amsterdam.87 Daarnaast was ze getuige bij het huwelijk van Anthonie van Angola met Leonora da Fonceka.88 Wanneer ze in Amsterdam aangekomen is, is niet bekend, maar de twintigjarige Serafina werd zelf op zondag 5 december 1655 gedoopt in het huis Moyses.89 Het lijkt waarschijnlijk dat ze na de val van Brazilië in Amsterdam terecht is gekomen. In het voorjaar van 1656 trouwde ze met Pieter Bruijn, varensgezel uit Brazilië.90 Op het moment van haar overlijden woonde ze in de Pauwegang, een nauw gangetje in de Joden Houttuinen. In de Pauwegang woonden toen, zo blijkt uit de begraafregisters, meer zwarte Amsterdammers.91

Naast de doop- en ondertrouwregisters geven de verklaringen in het Notarieel Archief uit de jaren 1630 inzicht in de sociale verbanden tussen zwarte Amsterdammers. De verklaringen geven een inkijk in opvallende gebeurtenissen, maar ook in het alledaagse leven. Zo zou een groep van tenminste vijf zwarte vrouwen en twee zwarte mannen op zondag 11 april 1632 voor de deur van de Portugese makelaar ­Manuel de Campos ‘groot geweld en rumoer’ hebben gepleegd. Ze hadden met stenen gegooid en sloegen met stokken. De zwangere dochter van De Campos zou zelfs gewond zijn geraakt. Twee dagen later, op dinsdag 13 april, liet De Campos verschillende getuigen van het voorval een verklaring afleggen bij notaris Daniel Bredan. De verschillende verklaringen geven gedetailleerde informatie over het leven van vrije Afrikanen in zeventiende-eeuws Amsterdam, gezien door de ogen van hun voornamelijk Portugese buren.92

De centrale figuur in deze groep is Francisca, die eerder waarschijnlijk slavin of dienstbode was van een zekere Luis Gomes in Hamburg.93 In 1632 leefde zij met een groep anderen als vrije vrouw in een kelder in of nabij de Breestraat, de huidige Jodenbreestraat. Francisca speelde een leidende rol in deze groep, en hield zich actief bezig met het vormen van een gemeenschap. Volgens de Portugese koopman Jeronymo Doria Dandrada, zou Francisca een ‘coppelaarster’ zijn, die ‘al de swarten die hier ter stede comen, aenhout in haer huijs, & die coppelt aen Swartinnen’.94 Ook uit de verklaring van Jorge Fernandes blijkt de leidende rol die Francisca speelde in de groep en in het vormen van een kleine gemeenschap: ‘dat oock dezelve Francisca in haer huijs verscheijde swarten en swartinnen ophoudt, haer doende trouwen & ontrouwen naer haer lust’.95 Diverse namen van bewoners van haar kelder werden genoemd, waaronder een man genaamd Francisco en de vrouwen Hester en Dina – die zelfs uit het Spinhuis, het tuchthuis voor vrouwen, zou zijn ontsnapt!

Wat de aanleiding van de ruzie was, is niet duidelijk, maar Manuel de Campos woonde, voordat hij zich als makelaar in onder meer suiker en tabak in Amsterdam vestigde, op het Afrikaanse eiland São Tomé, een belangrijke post voor slavenhandel en bovendien een eiland waar verschillende Amsterdamse Afrikanen vandaan kwamen.96 Het lijkt aannemelijk dat De Campos, zoals veel andere uit Afrikaanse gebieden afkomstige Portugezen, zwarte bedienden had meegenomen toen hij naar Amsterdam kwam. Dat vormde mogelijk een aanleiding voor het geweld. De verklaringen waren natuurlijk bedoeld om Francisca en haar gezelschap in een kwaad daglicht te stellen, maar geven ook een interessant beeld van een vrijgevochten zwarte vrouw die in de jaren 1630 een huis had in een kelder in de Breestraat, die actief andere swarten die in de stad kwamen, waarschijnlijk vooral zwarte zeelieden, opzocht en opving in haar huis. Voor de getuigen blijkt de aanwezigheid van zwarte buurtbewoners bovendien heel gewoon te zijn.

In een andere kwestie verschenen op 17 juli 1634 de 43 jaar oude Francisca de Angola en de 35 jarige Anna do Cabo Verde (‘beijde Swartinnen’) voor de notaris, samen met witte varensman Albert Volkertsz en zijn vrouw Geesje Jansz. Zij waren daar op verzoek van Antonio Manuel (‘swart’) van het eiland St. Jago, een bosschieter in dienst van de WIC die onlangs was teruggekeerd van een reis van twintig maanden naar Brazilië. Terwijl Manuel op zee was, was zijn vrouw Hester Jans van Cabo Verde, met wie hij kort voor vertrek in 1632 getrouwd was, een relatie aangegaan met Pedro Fernandes. Hester was ondertussen zwanger geworden van Pedro.97 Antonio Manuel wilde van haar scheiden en had daarvoor een verklaring van overspel nodig. Met een scheidingsakte op zak, ging hij drie weken later in ondertrouw met Magdalena Jans van Angola.98

Of het om dezelfde Francisca en Hester gaat die betrokken waren bij het rumoer voor het huis van De Campos is uit deze bronnen niet op te maken. Wel blijkt uit de akte dat de zwarte matroos Antonio Manuel in nauw contact stond met andere Afrikanen in de stad. In 1632 trouwde hij met Hester Jans van Cabo Verde. Bij de notaris in 1634 liet hij vier getuigen opdraven, waarvan twee ‘swartinnen’. Na de scheiding trouwde hij met een andere zwarte vrouw.99

Op 6 oktober 1636 kwam het verloofde paar Diogo van Angola en Catharina Antoine samen met Christoffel Capitano, Anthony van Angola en Francisco van Angola bij het notariskantoor van Nicolaas en Jacob Jacobs om in het bijzijn van Josias Doria – als tolk uit het Spaans – een testament op te laten maken.100 Diogo en Catharina trouwden in mei 1637, bij hun ondertrouw gaven ze aan net als Antonia Manuel bij het Turfhuis te wonen.101 De vier mannen waren, met nog een vijfde, ruim een half jaar eerder ook al gezamenlijk bij de notaris. Op 3 oktober 1636 machtigden Chris­toffel Capitano, Diogo, Francisco, Caspar en Anthonij ‘alle negros offte Swarten’ dezelfde Josias Doria om het geld te innen dat zij nog te goed hadden van een schipper genaamd Claes Cornelisz. Dit keer trad Christoffel Capitano op als tolk.102 Welke bezittingen Diogo en Catharina hadden is niet bekend, maar uit de tweede akte blijkt dat Diogo zijn geld als zeeman verdiende en nog gage tegoed had. Duidelijk is dat Diogo en Catharina, zolang zij geen kinderen hadden, hun bezittingen binnen de eigen gemeenschap wilden houden. Dit vonden ze belangrijk genoeg om het bij een notaris op schrift te laten stellen en het benodigde geld daarvoor te betalen.

Taal en religie

Opvallend genoeg werden ook enkele niet-Afrikaanse zwarte zeelui in de gemeenschap opgenomen, zoals Anthony Manuel van Malacken en een man uit Goa. Dit zou kunnen duiden op het belang van kleur in het vormen van de gemeenschap, maar minstens zo belangrijk was waarschijnlijk de gezamenlijk taal. De meest opgegeven herkomstplaatsen bij ondertrouw waren plaatsen, net als Malakka en Goa, die eerder of nog altijd onderdeel uitmaakten van het Portugese wereldrijk, zoals Angola, maar ook São Tomé, Cabo Verde en Brazilië (grafiek 2). Daarnaast waren Euro-Afrikanen uit Spanje en Portugal vertegenwoordigd. Waarschijnlijk was de Portugese taal ook voor de tweede generatie Afro-Amsterdammers nog van belang: de meeste namen wijzen op een Spaans en Portugees achtergrond; Afrikaanse of andere namen kwamen nauwelijks

  

Grafiek 2 Herkomst huwelijkspartners bij huwelijken met tenminste één partner van Afrikaanse herkomst (N=108) Bron: Database gebaseerd op 54 huwelijken tussen 1600-1699. Stadsarchief Amsterdam, Toegang op meerlingen, herkomstplaatsen en beroepen in de DTB; Stadsarchief Amsterdam, DTB, digitale index op de ondertrouwregisters.  

voor. Dat beeld wordt bevestigd door schaarse gegevens in de notariële archieven, waarin Afrikanen verklaringen aflegden in het bijzijn van een tolk uit het Spaans of Portugees.103 In de ondertrouwregisters werden sommige namen vernederlandst, maar in de notariële akten werden ze meestal in hun Spaans-Portugese variant opgeschreven. De meeste huwelijkskandidaten ondertekenden met een kruisje, een belangrijke aanwijzing dat de groep niet of zeer beperkt geletterd was. De enkelingen die wel konden schrijven, blijken dat met de Lusofone variant van hun naam te doen. Pieter Jans van Angola ondertekende met ‘Pedro Ianes de Agola’ en de zwarte Paulus Ferdinandus uit Lissabon met ‘Paulo Frenamdes’.104

In tegenstelling tot de gedeelde taal, lijkt de religieuze identiteit meer fluïde te zijn geweest. Vrijwel alle huwelijken werden gesloten in de Hervormde kerk, terwijl de kinderen, zeker in de periode rond het verlies van Brazilië, meestal in de Rooms-Katholieke huiskerk Moyses in de Breestraat gedoopt werden. Wellicht heeft het ermee te maken dat het katholicisme niet openlijk beleden mocht worden in deze periode. De oudste bewaarde katholieke doopregisters zijn uit het midden van de zeventiende eeuw. Opvallend is een doop op 16 april 1634 in de Oude Kerk. In het doopboek staat genoteerd dat die dag ‘drie zwarte morinnen met een kint haers gelijcke’ in de kerk kwamen om het kind te laten dopen. De vrouwen verklaarden dat het kind al in Spanje gedoopt was, de registratie in het doopregister wijst erop dat het jongetje in de Oude Kerk opnieuw werd gedoopt.105

Mogelijk speelde de bedeling hierin een rol: wie geld wilde ontvangen van de Hervormde diaconie moest lid zijn van de Hervormde kerk. Ook een gemengde relatie kon problemen opleveren voor bedeling door de kerk. Tijdens de kerkenraadsvergadering van de Hervormde kerk op 9 februari 1679 kwam een verzoek van Maria Gaij aan de orde. Maria was in 1651 als jonge vrouw van ongeveer 18 jaar gedoopt in de Zuiderkerk.106 28 Jaar later is zij nog altijd lidmaat van de Hervormde kerk en leefde van de bedeling van de Hervormde diaconie. In 1679 verzocht zij de kerkenraad om te mogen trouwen met de ‘Brasiliaanse swart’ Michiel Fardinand, die ‘Roomsgesint’ was. In de vergadering bekende Fardinand ‘vleeschelijkck met haer geconverseert te hebben, dogh niet gesint te sijn haer te trouwen, ofte geen trouwbeloften aen haer gedaen te hebben’. Maria Gaij wordt vervolgens door de kerkenraad onder censuur gesteld, waardoor ze uitgesloten is van het heilig avondmaal. Verdere ‘vleselijcke conversatie’ met Fardinand werd haar verboden.107

In dezelfde periode waren ook in Portugees-Joodse kring diverse Afrikanen of mensen met gemengde afkomst aanwezig. Uit de administratie van de Portugees-Israëlitische gemeente blijkt dat rond 1660 diverse mensen van Afrikaanse afkomst regelmatige uitkeringen ontvingen, zowel uit de armenkas als bij speciale gelegenheden zoals het Purim feest. Zo kregen ‘Agar a Negra’ en ‘Beatris a Negra’ en Aharon Moreno ‘o mulatto’, tijdens het feest in 1660 elk een gulden, en de mulat ­Daniel Belmonte een gulden en tien stuivers.108 Het ligt voor de hand dat mensen die een uitkering tijdens het Purimfeest ontvingen Joods van religie waren. Maar dat betekent niet dat zij zich uitsluitend in Portugese kring begaven. Zo was Daniel Belmonte getuige bij de ondertrouw van Francisco Cordero uit Brazilië met Laurenza Bermont. Gezien de achternamen waren Daniel en Laurenza wellicht gekleurde familieleden of bedienden uit het huis van de Portugese familie Belmonte. Het kind dat Laurenza uit een eerder huwelijk had was Katholiek gedoopt.109

De religieuze fluïditeit en oriëntatie op de Portugese wereld wijzen erop dat dit een gemeenschap met een heel eigen karakter was, met connecties in vier verschillende continenten. Nader onderzoek naar overeenkomsten en verschillen met andere Afro-Lusofone gemeenschappen in de vroegmoderne Portugese en Nederlandse wereld is noodzakelijk. De Portugese oriëntatie van de groep hangt uiteraard samen met hun migratie uit Portugese gebieden, in eerste instantie samen met Portugese kooplieden. Ook tijdens en na de veroveringen door WIC kwamen de zwarte Amsterdam vooral uit de, dan voormalige, Portugese Atlantische (en Aziatische) koloniën.

Conclusie

Dit artikel heeft op basis van drie criteria aangetoond dat in het midden van de zeventiende eeuw een zwarte Afro-Atlantische gemeenschap bestond in Amsterdam. Ten eerste deelde men de maritieme beroepsgroep. De gemeenschap bestond uit zeelieden in dienst van VOC, WIC en Admiraliteit, die trouwden met in Amsterdam aanwezige zwarte vrouwen, doorgaans (voormalige) bedienden. De meeste vrouwen hadden waarschijnlijk een herkomst in slavernij, maar ze slaagden erineen nieuw onafhankelijk leven op te bouwen. Ten tweede was er sprake van een gedeelde woonomgeving. Vrijwel alle besproken echtparen en individuen woonden in de omgeving van de Jodenbreestraat. Ten derde blijkt dat men ook religieus en cultureel sterk verbonden was. Naast een taal deelde men religieuze praktijken, in het bijzonder de katholieke doop in het huis Moyses in de Jodenbreestraat.

Dat er sprake is van een (kleine) gemeenschap blijkt ook uit het feit dat Afro-Amsterdammers overwegend onderling trouwden en bij belangrijke gebeurtenissen als doop en huwelijk andere zwarte Amsterdammers als getuige kozen. Dat dit structureel gebeurde wijst aan de ene kant op een hechte gemeenschap, maar aan de andere kant misschien ook op een tamelijk geïsoleerd bestaan.

Dit onderzoek levert een belangrijke bijdrage aan het beeld van Amsterdam als migrantenstad in de zeventiende eeuw, aan de studies naar zwarte aanwezigheid in Nederland en naar gemeenschappen van vrije zwarten in de Atlantische wereld. Door naar mensen te kijken als migranten en niet als slaven, door vrije zwarten centraal te zetten en vooral door systematisch onderzoek te doen in demografische en notariële bronnen, is het leven en de verbonden netwerken van deze mensen uit de schaduw gehaald.

In de vorming van deze maritieme gemeenschap stonden vrouwen centraal. In historische studies naar organisatie onder migrantengemeenschappen worden informele netwerken vaak buiten beschouwing gelaten, omdat deze maar zelden sporen nalaten. Dit brengt mogelijk vertekeningen met zich mee zoals een onderbelichting van de rol van vrouwen.110 Dat ook informele netwerken zijn te reconstrueren op basis van doop- en trouwregisters, blijkt uit dit onderzoek.

Het bestaan van deze gemeenschap biedt een belangrijk nieuw inzicht in de manier waarop de Atlantische wereld, en in het bijzonder de verovering en het verlies van het Noordoosten van Brazilië, doorwerkte in de metropool. Gebleken is dat het ontstaan en het verdwijnen van deze gemeenschap nauw samenhangt met het bestaan van deze kolonie.

Het maritieme karakter van de gemeenschap bracht mee dat deze gemeenschap ook connecties had buiten Amsterdam, en in zekere mate verbonden was met mensen of gemeenschappen aan verschillende zijden van de Atlantische oceaan. Intercontinentale connecties blijken nog niet zozeer uit deze studie, maar er zijn wel indicaties dat meer onderzoek daarnaar vruchtbaar kan zijn. Hetzelfde geldt voor het Lusofone karakter. Deze mensen waren afkomstig uit gebieden in de (voormalige) Portugese invloedsfeer, waren verbonden met de Portugese gemeenschap in Amsterdam en/of gebruikten Spaanse of Portugese namen en taal. Verder onderzoek naar de overeenkomsten, verschillen en banden met de Luso-Afrikaanse wereld leidt wellicht tot beter begrip van deze groep Amsterdammers.

Dat er een vrije zwarte gemeenschap bestond in Amsterdam betekent uiteraard niet automatisch dat alle mensen die in slavernij uit ­Afrika, Amerika en Azië in Amsterdam gebracht werden automatisch vrij waren. Naast de hier beschreven min of meer vrije groep mensen bestond ook een groep die, als knecht of dienstbode, veel minder vrijheid genoot, of zelfs in slavernij verkeerde.111

Dat zwarte migranten in het Amsterdam van het midden van de zeventiende eeuw vooral onderling trouwden en een gemeenschap konden vormen, is uniek in de Nederlandse geschiedenis vóór 1900. In de jaren na 1680 trouwden er nog enkele zeemannen van Afrikaanse afkomst in Amsterdam, maar dat deden zij, net als vóór 1620 vooral met Europese vrouwen. Meer onderzoek is noodzakelijk, maar vooralsnog wijst niets erop dat de toename van het aantal Afro-Atlantische bedienden in Amsterdam in de achttiende eeuw, leidde tot nieuwe gemeenschapsvorming. Het zou goed kunnen dat het oprichten van koloniën in de Guyana’s met grootschalige slavenarbeid op plantages grote gevolgen had voor de opvattingen over en de vrijheid van zwarte mensen in de Republiek.

Over de auteur

Mark Ponte (1979) is historicus en houdt zich bezig met vroegmoderne migratie en slavernij in Amsterdam, Nederlands-Brazilië en Suriname. Hij werkt deeltijd bij het Stadsarchief Amsterdam onder meer aan het project Alle Amsterdamse Akten. Website: www.voetnoot.org

E-mail: mjponte@xs4all.nl